IN ËÉN OOGOPSLAG:

Algemeen

Dit geldt voor iedereen die met de kraan, aan de kraan of in de buurt ervan werkt.

Om te beginnen

Dit producthandboek gebruiken

De volgende pictogrammen worden in dit producthandboek gebruikt:

  1. Dit is een handelingsinstructie die u sommeert een bepaalde actie uit te voeren.
  • Dit is het resultaat van een handeling en beschrijft wat er met het apparaat gebeurt.
  • Dit is een opsomming.
Alleen bij...

Informatie in stippellijnkaders geldt alleen voor bepaalde typen, varianten of opties. De voorwaarde waaronder deze paragraaf geldt, staat aan het begin aangegeven in de titel „Alleen bij...”

Richtlijnen bij het producthandboek

Lees alvorens te beginnen met werken het producthandboek zorgvuldig door. Neem in ieder geval ook andere producthandboeken voor accessoires en componenten in acht.

Bewaar het producthandboek daarna in de buurt van de kraan. Het moet toegankelijk zijn voor iedereen die met of aan de kraan werkt.

Geef het producthandboek bij verkoop, verhuur of dergelijke altijd samen met de kraan mee.

Gebruik overeenkomstig de bestemming

ABUControl is een modulaire kraanbesturing op basis van een centrale PLC en verschillende CAN-bus-apparaten, die via een CAN-bus-netwerk met elkaar communiceren. Ze dient voor de besturing van een ABUS-loopkraan met één of meerdere loopkatten door middel van de draadloze afstandsbediening ABURemote of de handafstandsbediening ABUCommander.

  • ABUControl is een modulaire en gekoppelde kraanbesturing. Alle onderdelen van ABUControl zijn op elkaar afgestemd en ingesteld. Afzonderlijke CAN-bus-apparaten of andere componenten mogen uitsluitend door identieke originele reserveonderdelen worden vervangen.
  • ABUControl uitsluitend met de in de fabriek ingestelde ABUS-specifieke instellingen gebruiken.
  • ABUControl uitsluitend aan ABUS-loopkranen gebruiken. Niet aansluiten op producten van anderen.
  • Instellingen in KranOS mogen alleen door gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd.

Voorschriften

De installatie is op het moment van fabricage conform Europese normen, regels en voorschriften gebouwd en getest. Welke beginselen aan de constructie en de bouw ten grondslag liggen, is aangegeven in de verklaring van overeenstemming of de inbouwverklaring. De beginselen moeten ook bij de montage, het gebruik, bij controles en bij onderhoud worden nageleefd, evenals de geldende bepalingen met betrekking tot veilig werken.

Welke voorschriften in het betreffende individuele geval gelden, hangt sterk af van het gebruik van de kraan en van de specifieke voorschriften per land. Controleer de geldende en actuele voorschriften en bepalingen inzake veilig werken en leef deze na! Zie ook de verklaring van overeenstemming of inbouwverklaring.

Garantie

  • ABUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die is veroorzaakt door onjuist gebruik, door onvoldoende geschoold personeel, door ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden, door wijzigingen, verbouwingen of andere veranderingen aan de kraan of aan de componenten van de kraan, die niet expliciet door ABUS zijn toegestaan.
  • De aanspraak op garantie vervalt indien onderdelen eigenmachtig worden veranderd, de kraan of componenten van de kraan anders worden gemonteerd, onderhouden of gebruikt dan in dit producthandboek is beschreven en indien er geen originele ABUS-onderdelen worden gebruikt.
  • De veilige werking van de kraan of componenten van de kraan is alleen gewaarborgd indien er originele ABUS-onderdelen worden gebruikt.

Richtlijnen voor de veiligheid

Neem deze richtlijnen voor het veilig omgaan met de kraan in acht. Verwijzingen naar specifieke risico's staan vermeld in het betreffende gedeelte waarin het risico zich voordoet.

  • Ook na het indrukken van de noodstopknop staan er hoge spanningen op de kraanbesturing en de loopkatbesturing, die dodelijk letsel tot gevolg kunnen hebben.
  • Alvorens werkzaamheden uit te voeren aan de kraan, de stroomvoorziening onderbreken en ten minste 15 minuten wachten tot de spanningen zijn afgebouwd.

ABUControl

Beschrijving

ABUControl bestaat uit:

  • Kraanbesturing
  • Loopkatbesturing
  • Absoluut encoder aan kabeltrommel
  • Lastmeetsysteem aan hijswerk
  • Absoluut encoder aan hijsmotor (optioneel)
  • Afstandsensor aan loopkat of loopkatten (optioneel)
  • Afstandsensor aan kraan (optioneel)
  • Andere bewegingsbegrenzers (kruisschakelaars en/of reflectielichtsluizen) (optioneel)
  • Matrixdisplay met leds
  • Meer kruisschakelaars voor halprofielbesturing (optioneel)
  • Inclinometer op de loopkat (optioneel)

Totaalaanzicht kraanbesturing:

Afhankelijk van de kraan is de kraanbesturing verschillend opgebouwd. Ter oriëntatie kan de volgende afbeelding worden gebruikt.

Beschrijving
  • 1: stroomonderbreker
  • 2: hoofdrelais
  • 3: voedingsadapter
  • 4: veldbuskoppelaar voor in- en uitgangssignalen
  • 5: ontvanger ABURemote
  • 6: doorverbinddoos
  • 7: CAN-verdeler
  • 8: frequentieomvormer
  • 9: voeding

Totaalaanzicht loopkatbesturing:

Afhankelijk van de kraan is de loopkatbesturing verschillend opgebouwd. Ter oriëntatie kan de volgende afbeelding worden gebruikt.

1 2 3 4 5

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Ansicht Katzschützkasten 3.jpg
  • 1: frequentieomvormer loopwerkaandrijving loopkat
  • 2: frequentieomvormer hijswerk
  • 3: CAN-verdeler
  • 4: PLC
  • 5: doorverbinddoos
Alleen bij absoluut encoder „AWG”

Absoluut encoder „AWG” (op eindschakelaar aandrijving „GGS”):

Beschrijving
  • 1: Relais en connector voor aanvullende schakeltaken (optie)
  • 2: Instelwiel voor apparaatadres (optie)
  • 3: Knop voor het resetten van het apparaatadres
  • 4: Platine
  • 5: Schakelaar voor afsluitweerstand
  • 6: Aansluiting voor CAN-bus-netwerk en Modbus-netwerk
Alleen bij absoluut encoder „Kübler”

Absoluut encoder „Kübler” (op eindschakelaar aandrijving „GPK”):

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Ansicht Drehgeber Kübler 3.jpg
1 2
  • 1: CAN-bus-kabel
  • 2: absoluut encoder „Kübler”

Specificaties

ABUControl:

  • ABUControl is een modulaire kraanbesturing op basis van beproefde elektronische componenten uit de automatiseringstechniek. De verschillende modules van de kraan zijn gekoppeld en vormen zo een intelligente besturing van de kraanfuncties.
  • ABUControl werkt met een PLC als centrale verwerkingseenheid. Deze analyseert de besturingscommando's van de draadloze afstandsbediening of de handafstandsbediening alsook alle reacties van absoluut encoders, bewegingsbegrenzers (kruisschakelaars, foto-elektrische beveiligingen etc) en andere modules. Op basis daarvan stuurt ABUControl de loopwerkaandrijvingen en de aandrijvingen van het hijswerk van de kraan aan.
  • De verplaatsingsassen (verplaatsing kraan en verplaatsing loopkat) zijn voorzien van frequentieomvormers. Daardoor maakt ABUControl het comfortabel instellen van de bewegingsprofielen mogelijk. Naar wens kan ook het hijswerk van frequentieomvormers worden voorzien, om ook bij het hijswerk de hijsprofielen te kunnen selecteren en instellen.
  • De haakstand van het hijswerk en de hijssnelheid worden geregistreerd door een absoluut encoder. Daardoor weet ABUControl hoe snel het hijswerk draait. Dit maakt enkele comfortabele aanvullende functies mogelijk (bijv. synchroonloop van het hijswerk). De bovenste en onderste haakstand worden daarnaast door een elektromechanische eindschakelaar aandrijving geregistreerd.
  • Een kraan met ABUControl wordt bestuurd met een draadloze afstandsbediening ABURemote. Daarmee kunnen enkele aanvullende functies (bijv. slingerdemping) comfortabel vanaf de zender worden bediend. Als de kraan met een andere draadloze afstandsbediening bestuurd wordt, zijn enkele functies (bijv. slingerdemping) niet of slechts beperkt beschikbaar.
  • Alleen bij handafstandsbediening (optie): de kraan kan ook met een handafstandsbediening worden bestuurd. Enkele functies van ABUControl (bijv. slingerdemping) kunnen met een handafstandsbediening niet of slechts beperkt worden gebruikt.
  • Op het matrixdisplay met leds worden verschillende bedrijfsgegevens van ABUControl getoond. Daarnaast toont het statusmeldingen en foutmeldingen van de verschillende kraancomponenten, waardoor storingen snel en eenvoudig kunnen worden verholpen.
  • Alleen bij dubbele hijssnelheid (optie): met deze optie kan de hijssnelheid tot 200% worden verhoogd (= verdubbeld). Daardoor kan er sneller met de kraan worden gewerkt. De maximaal mogelijke extra hijssnelheid (vanaf 100%) is afhankelijk van de opgehangen last.
  • Alleen bij super-kruipsnelheid (optie): met deze functie kan met het hijswerk bijzonder langzaam worden geheven en neergelaten. Daardoor is zeer nauwkeurig positioneren van de last mogelijk. Super-kruipsnelheid kan op de zender of op de handafstandsbediening worden in- en uitgeschakeld.

Bij poolomschakelbare hijswerkaandrijvingen wordt de frequentieomvormer bij geactiveerde super-kruipsnelheid van de wikkeling voor de hoge hijssnelheid omgeschakeld op de wikkeling voor de lage hijssnelheid.

Bij niet-poolomschakelbare hijswerkaandrijvingen met slechts één wikkeling (bijv. GM7000.2) wordt het toerental van de hijsmotor door de frequentieomvormer van een aparte absoluut encoder bewaakt en daardoor is ook bij zeer lage hijssnelheden het volle koppel mogelijk, waardoor de last ook zonder rem tot stilstand kan worden gebracht.

KranOS:

  • KranOS is een grafische gebruikersinterface waarmee ABUControl wordt ingesteld.
  • Kraanbestuurder en (geschoold) onderhoudspersoneel kunnen zich met een computer (bijv. laptop, tablet) toegang tot KranOS verschaffen en daar instellingen wijzigen en bedrijfsgegevens laten weergeven.
  • Voor de toegang tot KranOS is geen speciale software of app vereist. De toegang wordt verkregen via een normale internetbrowser.
  • De toegang tot KranOS (behalve de weergave van bedrijfsgegevens) is beveiligd met gebruikersnaam en wachtwoord. De verschillende gebruikers hebben verschillende gebruikersniveaus. Hoe hoger het gebruikersniveau, hoe meer instellingen er kunnen worden opgeroepen en gewijzigd.

De bedrading en programmering van ABUControl:

  • ABUControl bestaat uit een centrale programmeerbare logische eenheid (PLC) en talrijke CAN-bus-apparaten (bijv. absoluut encoders, frequentieomvormers enz.) die via een CAN-bus-netwerk met elkaar communiceren.
  • ABUControl is opgebouwd uit modulaire standaard industriecomponenten die indien gewenst eenvoudig en afzonderlijk kunnen worden vervangen. Daardoor hoeft bij een defect niet de volledige besturing te worden vervangen. Er kunnen doelgericht afzonderlijke componenten worden vervangen.
  • Alle modules van ABUControl zijn door middel van stekkerverbindingen met elkaar verbonden. Daardoor kunnen de modules snel van elkaar worden gescheiden.
  • Elke kraan met ABUControl is op de klant afgestemd geconfigureerd. Daardoor kent de besturing de exacte configuratie van de desbetreffende kraan en de optionele uitrustingscomponenten.
  • De CAN-bus-apparaten worden na een vervanging geprogrammeerd door de centrale PLC. Dit gebeurt afhankelijk van het apparaat automatisch of via een overeenkomstige functie in KranOS.
  • De centrale PLC moet na een vervanging via een SD-kaart van de klantspecifieke programmering worden voorzien. Op die manier blijven de klantspecifieke gegevens van de kraan behouden.
  • ABUControl is volledig EMC-vriendelijk ontworpen. Daardoor worden storingen door elektromagnetische golven aan andere apparaten en industriële installaties effectief verhinderd.
  • Aan de uitgangen en ingangen van de centrale PLC, de frequentieomvormer en de veldbuskoppelaar kunnen met gebruikelijke meetapparaten stuursignalen worden gecontroleerd.
  • In aanvulling op het CAN-bus-netwerk zijn enkele componenten met elkaar verbonden door een ethernet-netwerk. Dit is onder andere een WLAN-module die een WLAN-netwerk opbouwt om vanaf een laptop of tablet verbinding te kunnen maken met de PLC. Als er nog andere ethernet-netwerkapparaten worden gebruikt (bijv. draadloze overdrachtsmodule), worden alle ethernet-netwerkapparaten aangesloten op een ethernet-switch als verdeler.
  • In aanvulling op het CAN-bus-netwerk zijn mogelijk enkele componenten met elkaar verbonden door een Modbus-netwerk.

De synchroonloop verplaatsing loopkat:

  • Bij meer dan één loopkat aan de kraan regelt ABUControl de synchrone loop van alle loopkatten in synchroon bedrijf. Daardoor hebben de loopkatten bij synchroon bedrijf binnen nauwe toleranties dezelfde rijsnelheid, versnellingstijd en remtijd.
  • Door de synchroonloop verplaatsing loopkat wordt het transport van een gemeenschappelijke last nog veiliger.
  • De synchroonloop verplaatsing loopkat functioneert ook wanneer de loopkatten verschillende types en (los van elkaar) verschillende maximale rijsnelheden hebben.
  • De synchroonloop verplaatsing loopkat is voor maximaal drie loopkatten per kraan mogelijk.

Bij tandembedrijf: de synchroonloop verplaatsing loopkat is aan beide kranen in tandembedrijf voor maximaal twee loopkatten per kraan mogelijk.

De synchroonloop hijswerk:

  • Bij meer dan een hijswerk aan de kraan en frequentieomvormers regelt ABUControl het synchrone hijsen en neerlaten in synchroon bedrijf. Daardoor hebben de hijswerken bij synchroon bedrijf binnen nauwe toleranties dezelfde hijssnelheid, versnellingstijd en remtijd.
  • Door de synchroonloop hijswerk wordt het transport van een gemeenschappelijke last nog veiliger.
  • De synchroonloop hijswerk functioneert ook wanneer de hijswerken verschillende types en (los van elkaar) verschillende maximale hijssnelheden hebben.
  • De synchroonloop compenseert ook verschillende belastingen van de hijswerken door een ongelijke lastverdeling. Daardoor wordt ook een ongelijkmatig verdeelde last van alle hijswerken synchroon gehesen en neergelaten.
  • De synchroonloop hijswerk is voor maximaal drie hijswerken per kraan mogelijk.

Bij tandembedrijf: de synchroonloop hijswerk is aan beide kranen in tandembedrijf voor maximaal twee hijswerken per kraan mogelijk.

  • Bij tweeling-hijswerken: in de zone van de remfase voor de bovenste haakstand is de synchroonloop gedeactiveerd. Daardoor is gegarandeerd dat de kabel gelijkmatig over beide kabeltrommels verdeeld wordt opgewikkeld.

De bewegingsprofielen:

  • Bij aandrijvingen met frequentieomvormers: ABUControl maakt een aanpassing van de besturing van de aandrijvingen mogelijk. Daardoor kunnen hijswerkaandrijvingen in het versnellings- en remgedrag alsook qua maximale en minimale snelheid aan de eigen gewoonten worden aangepast.
  • De parameters voor de instelling zijn daarbij zo begrensd, dat de kraan alleen binnen veilige grenzen kan worden ingesteld. Door een te sterke versnelling zou anders bijvoorbeeld de dragende constructie (gebouw) te sterk belast kunnen worden.
  • In de bewegingsprofielbesturing in KranOS kan tussen een traploos en een tweetraps bewegingsprofiel worden omgeschakeld.
  • Daardoor kunnen verschillende kranen in hun bewegingsprofiel aan elkaar aangepast worden om een soortgelijk gedrag te bereiken.

De overlastbeveiliging:

  • ABUControl registreert de opgehangen last aan alle hijswerken en zorgt voor de overlastbeveiliging van alle hijswerken afzonderlijk en de totale belasting van de kraan. Verder bewaakt deze de draairichting en het toerental van alle hijswerken en schakelt deze in geval van overtoeren veilig uit.
  • ABUControl meet de opgehangen last direct.
  • Voor de registratie van de last wordt een lastmeetsysteem gebruikt. Het bestaat uit een lastsensor of een meetstift.
  • Het lastmeetsysteem dient voornamelijk voor het vaststellen van een overlast aan de kraan en niet om een bevestigde last precies te wegen. Ook bij een lastdisplay in de zender of via een matrixdisplay met leds dient de lastindicatie slechts als grove inschatting van de last. Het lastmeetsysteem kan niet worden geijkt. Het lastmeetsysteem heeft een nauwkeurigheid van ± 2 tot 5% van het maximale draagvermogen van de kraan.

De halprofielbesturing door middel van kruisschakelaars (variant):

  • Het halprofiel omvat alle kenmerken van een hal, die de verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat en het hijsen/neerlaten van de kraan kunnen beïnvloeden. Daartoe behoren begin en einde van de kraanbaan, hindernissen, geblokkeerde zones, kraanluiken en dergelijke.
  • De halprofielbesturing van ABUControl maakt de aanpassing en beperking van alle kraanassen afhankelijk van het halprofiel mogelijk. Daarbij kan bijvoorbeeld voor hindernissen de snelheid worden verminderd of op bepaalde posities een tussenstop worden ingelast. Bovendien kunnen zones voor de doorkruising compleet geblokkeerd worden of in een hal deellastbereiken worden ingericht.
  • Als de kraan is uitgerust met een halprofielbesturing worden ook de schakelpunten voor de voor- en eind-uitschakeling van kraan en loopkat in het halprofiel geïntegreerd.
  • Voor de registratie van de positie van kraan en loopkat worden kruisschakelaars gebruikt.
  • Voor de registratie van de positie van het hijswerk wordt een absoluut encoder gebruikt.
  • Voor de registratie van de last wordt een lastmeetsysteem gebruikt. Het bestaat uit een lastsensor of een meetstift.

De halprofielbesturing via kraanpositie (variant):

  • Het halprofiel omvat alle kenmerken van een hal, die de verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat en het hijsen/neerlaten van de kraan kunnen beïnvloeden. Daartoe behoren begin en einde van de kraanbaan, hindernissen, geblokkeerde zones, kraanluiken en dergelijke.
  • De halprofielbesturing van ABUControl maakt de aanpassing en beperking van alle kraanassen afhankelijk van het halprofiel mogelijk. Daarbij kan bijvoorbeeld voor hindernissen de snelheid worden verminderd of op bepaalde posities een tussenstop worden ingelast. Bovendien kunnen zones voor de doorkruising compleet geblokkeerd worden of in een hal deellastbereiken worden ingericht.
  • Als de kraan is uitgerust met een halprofielbesturing worden ook de schakelpunten voor de voor- en eind-uitschakeling van kraan en loopkat in het halprofiel geïntegreerd.
  • Voor de registratie van de positie van kraan en loopkat wordt een absoluut meetsysteem gebruikt. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd met behulp van laserafstandssensoren of een magneetband in de contactleiding.
  • Voor de registratie van de positie van het hijswerk wordt een absoluut encoder gebruikt.
  • Voor de registratie van de last wordt een lastmeetsysteem gebruikt. Het bestaat uit een lastsensor of een meetstift.
  • De hindernissen kunnen in KranOS worden aangemaakt, ingeleerd, bewerkt of verwijderd.
  • Een hindernis wordt gedefinieerd en geplaatst als een rechthoekig blok met twee hoekpunten.

Als een hindernis complexer is, kan het uit meerdere blokken worden samengesteld en telkens via de twee hoekpunten worden geplaatst. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat de blokken elkaar overlappen, aangezien de meetsystemen een zekere tolerantie hebben.

De slingerdemping:

  • De slingerdemping reduceert de slingerbeweging van de lasthaak bij de verplaatsing van loopkat en kraan aanzienlijk.
  • De slingerdemping is gebaseerd op mathematische berekeningen. Daarbij wordt rekening gehouden met de rijsnelheden van kraan en loopkat, de haakstand en de afstand van lasthaak tot zwaartepunt van de last (zodoende ook met de lengte van het bevestigingsmiddel). De tractiemotoren worden vervolgens door ABUControl zodanig versneld en geremd dat de verplaatsingsbeweging de slingerbeweging tegengaat en de slingerbeweging daardoor gedempt wordt.
  • De slingerdemping kan via ABURemote worden in- en uitgeschakeld. De ingestelde waarde voor de afstand van de lasthaak tot het zwaartepunt van de last kan via ABURemote worden gewijzigd.
  • De slingerdemping kan slechts door mathematische berekeningen het slingeren door versnelling en remmen reduceren. Invloeden van buitenaf, bijvoorbeeld wind, het botsen tegen hindernissen of dergelijke, kunnen niet worden gecompenseerd.
  • De versnellings- en remwegen van kraan en loopkat veranderen in principe niet door de slingerdemping.
  • De slingerdemping functioneert in eerste instantie alleen bij een afzonderlijk hijswerk of bij een kraan met meerdere loopkatten in afzonderlijke besturing, wanneer de niet gebruikte loopkat in parkeerstand staat (lasthaak heeft slagbegrenzer boven bereikt).

Bij synchroon bedrijf van meerdere loopkatten of in tandembedrijf moet de slingerdemping apart worden vrijgegeven.

De berekening van de slingerdemping functioneert in synchroon bedrijf van meerdere loopkatten of in tandembedrijf alleen correct als de afstanden tot de zwaartepunten van de last aan beide hijswerken gelijk zijn. Bij een gelijkvormige last moeten dus de haakstand en de lengte van het bevestigingsmiddel bij elkaar opgeteld resulteren in dezelfde totale lengte. Anders kan het gebeuren dat de slingerdemping het slingeren van de last zelfs versterkt.

De haakassistent lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering:

  • Met de lasthaakgeleiding kan de lasthaak handmatig worden verplaatst.
    In de richting waarin de lasthaak wordt gezwenkt of getrokken beweegt zowel de kraan als de kat.
  • Met de functie lasthaakcentrering wordt de lasthaak bij bevestigde last tijdens „heffen” automatisch boven de last uitgelijnd. Hierdoor wordt het verticaal positioneren van de loopkat vereenvoudigt en versneld. Hierdoor kan eventueel schuin trekken worden gereduceerd.
  • De lasthaakgeleiding/lasthaakcentrering kan via de draadloze afstandsbediening ABURemote via een sneltoets worden in- en uitgeschakeld.
  • De haakassistenten werken door de doorbuiging van de kabel nauwkeurig te meten. Aan de ankerbloktraverse, het trommelhuis of aan het loopkatframe is een inclinometer aangebracht die de doorbuiging van de kabel meet. De uitlijning van de inclinometer kan in KranOS worden aangepast.
  • Voor gebruik van de functie moet voor ingebruikname meerdere keren een kalibratierit van het onderste naar het bovenste uitschakelpunt worden uitgevoerd.
    Hierdoor wordt de nulstand van de inclinometer vastgesteld. De kalibratie van de inclinometer wordt in KranOS geactiveerd.
  • De haakassistenten functioneren alleen bij een afzonderlijk hijswerk of bij een kraan met meerdere loopkatten in geval van afzonderlijke besturing, wanneer de niet-gebruikte loopkat niet geselecteerd is en in parkeerstand staat (lasthaak heeft slagbegrenzer boven bereikt).
  • Als de lasthaakgeleiding/lasthaakcentrering actief is, kan de positiebesturing niet worden geactiveerd. d.w.z. dat de functies niet gelijktijdig kunnen worden gebruikt.

Positiebesturing:

  • Met de positiebesturing kunnen met de lasthaken eerder vastgelegde afzonderlijke posities (handmatig of lineair) worden ingenomen of een route met tot 8 posities worden langsgegaan. Afzonderlijke posities (handmatig of lineair) kunnen in KranOS aangelegd of gewijzigd worden.

Posities van een route kunnen niet in KranOS aangelegd of gewijzigd worden.

  • De positiebesturing wordt via de ABURemote in- en uitgeschakeld. In te nemen posities kunnen op de zender van de ABURemote geselecteerd en opgeslagen worden. Zie het producthandboek bij „ABUS draadloze afstandsbediening ABURemote”.
  • Bij geactiveerde positiebesturing PTP en Teach–In PTP kan de toestand van de slingerdemping niet worden gewijzigd. De toegang tot de functie Slingerdemping is in deze modi geblokkeerd (sneltoetsen en menu).
  • Bij PTP of Teach-In PTP voert een omschakeling single/synchroon tot een fout en kan de procedure niet correct worden afgesloten.
  • De instelling voor super-kruipsnelheid kan niet worden gewijzigd bij een geactiveerde positioneringsmodus PTP en Teach-In PTP

De botsbeveiliging:

  • De botsbeveiliging aan kraan en loopkatten voorkomt dat twee kranen (twee loopkatten) met hoge rijsnelheid of met lage rijsnelheid tegen elkaar kunnen botsen.
  • De botsbeveiliging functioneert afhankelijk van de toepassing via een reflectielichtsluis of via een afstandsensor met laserstraal.
  • De reflectielichtsluizen en de afstandsensoren kunnen gevoelig reageren op invloeden als stof, sneeuw of deeltjes in de lucht. Als de lichtstraal of laserstraal wordt onderbroken, remt de kraan of de loopkat af en blijft stilstaan.

De tandemregeling:

  • Met de tandemregeling kunnen twee loopkranen met een gemeenschappelijke last tegelijkertijd met slechts één zender worden bestuurd.
  • De tandemregeling werkt in combinatie met de synchroonloop. ABUControl regelt daarbij de synchrone verplaatsing loopkat en verplaatsing kraan in tandembedrijf alsook het synchrone hijsen (optioneel). Daardoor hebben de kranen in de kraanassen in krappe toleranties dezelfde snelheid, versnellingstijd en remtijd.
  • Door de tandemregeling wordt het transport van een gemeenschappelijke last nog veiliger.
  • De tandemregeling functioneert ook wanneer de kranen verschillende maximale draagvermogens en (los van elkaar) verschillende maximale snelheden hebben.
  • Met de tandemregeling kunnen lasten worden gehesen, die het maximale draagvermogen van een afzonderlijke kraan van het kraansysteem te boven gaan. Omdat de last beide kranen belast, kan het maximale draagvermogen van de beide kranen bij elkaar worden opgeteld, zowel bij kranen met identiek maximaal draagvermogen als bij verschillende maximale draagvermogens. Bij een ongelijkmatige lastverdeling is het totale maximale draagvermogen dienovereenkomstig kleiner.
  • In tandembedrijf worden de ABUControl-besturingen van beide kranen draadloos via een draadloze overdrachtsmodule met elkaar verbonden en dragen wederzijds bedrijfsmodi over.
  • Daarbij worden de desbetreffende parameters (bijv. „Versnellingstijd”, „Remtijd” en „Snelheid Maximum”) tussen de twee kranen vergeleken en, voor zover mogelijk, zo aangepast dat beide kranen compatibel zijn. De verplaatsingsprofielen moeten bij beide kranen identiek ingesteld zijn (bijv„Traploos”).
  • Daardoor worden onder andere alle eindschakelaars loopwerk van kraan en loopkat, eindschakelaars hijsen en de overlastbeveiliging gemeenschappelijk geanalyseerd. Als de kraan in een van de kraanassen blijft staan, stopt ook de andere kraan in dezelfde kraanas. De andere kraanassen kunnen zonder tussenstop verder worden verplaatst.

De elektronische spoorgeleiding (optie):

  • De elektronische spoorgeleiding kan eenzijdige belastingen en slijtage van de wielflens van de loopwielen reduceren. Deze treden bijvoorbeeld op wanneer de loopkat met last aan de haak aan het linker of rechter uiteinde van de hoofdtraverse staat en de kraan beweegt.
  • Daarvoor wordt de afstand van beide loopwielen van een loopwerkdrager ten opzichte van de kraanrail gemeten. Als de kraan (bijv. door eenzijdige belasting) schuin loopt, compenseert ABUControl dit automatisch door een verschillende regeling van de loopwerkaandrijvingen van beide loopwerkdragers.
  • Daardoor kan de slijtage van de wielflenzen en de kraanbaan aanzienlijk worden verminderd.

De eindschakelaar aandrijving:

Slagbegrenzer onder

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\GGS\Leist BewBegr.png
Slagbegrenzer boven
  • De takel heeft een eindschakelaar aandrijving die als mechanische eindschakelaar hijsen werkt. Deze is direct met de kabeltrommel gekoppeld. Hij zorgt ervoor dat de lasthaak niet boven de bovenste haakstand of de onderste haakstand uit gaat.
  • Het bovenste schakelpunt heet „slagbegrenzer boven” (middelste stelschroef), het onderste schakelpunt heet „slagbegrenzer onder” (linker stelschroef).
  • Kort voordat de lasthaak het schakelpunt van een slagbegrenzer bereikt, remt ABUControl de hijsmotor langzaam af. De schakelpunten van de slagbegrenzer worden op deze manier slechts met lage hijssnelheid bereikt.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\GGS\Leist Backup.png
Backup-begrenzer
  • Om de veiligheid extra te verhogen heeft de eindschakelaar aandrijving een extra schakelpunt. Dit heet „backup-begrenzer” (rechter stelschroef). Het ligt boven de slagbegrenzer boven en dient als extra schakelpunt bij het hijsen.
  • Wanneer de slagbegrenzer boven faalt en de lasthaak daardoor het schakelpunt van de slagbegrenzer boven passeert, schakelt ABUControl de volledige kraan uit. De backup-begrenzer is standaard ingesteld en verzegeld.

De eindschakelaar aandrijving zonder bedrijfsmatig activeren van de slagbegrenzer boven:

  • De slagbegrenzer boven mag niet bedrijfsmatig worden geactiveerd. Als hij wordt geactiveerd, blijft de lasthaak op het schakelpunt van de slagbegrenzer boven staan. Het schakelpunt van de backup-begrenzer ligt boven het schakelpunt van de slagbegrenzer boven en kan daarom normaal gesproken niet worden geactiveerd.
  • Als de eindschakelaar hijsen verkeerd is ingesteld of als hij een technisch defect heeft, kan het gebeuren dat de backup-begrenzer toch geactiveerd wordt. Dan moet de backup-begrenzer worden overbrugd om de kraan weer in te schakelen. Neem in dit geval contact op met de ABUS-service. Zie „ABUS-service”.

De eindschakelaar aandrijving met bedrijfsmatig activeren van de slagbegrenzer boven:

  • Als de bovenste haakstand bedrijfsmatig moet worden bereikt, dan wordt de slagbegrenzer boven vaker geactiveerd en kan daardoor falen. In dit geval zorgt de backup-begrenzer ervoor dat de kraan veilig tot stilstand komt. Opdat de backup-begrenzer regelmatig gecontroleerd kan worden, heeft de takel een knevelschakelaar waarmee de slagbegrenzer boven handmatig kan worden overbrugd en de kraan na het controleren van de backup-begrenzer handmatig weer kan worden ingeschakeld.
Specificaties
  • 1: Kort voor de bovenste haakstand begint ABUControl met de remfase van de aandrijving hijswerk. Op welk punt de remfase begint, berekent ABUControl telkens individueel, afhankelijk van de actuele hijssnelheid. Als de lasthaak snel naar boven beweegt, begint de remfase eerder. Als de lasthaak langzamer naar boven beweegt, begint de remfase later.

In bepaalde gevallen (bijv. bij traversen) kan er een speciale eindschakelaar hijsen worden gebruikt. Het begin van de remfase wordt dan niet individueel berekend, maar ligt op een vastgelegd schakelpunt.

  • 2: Remfase. Hoe sterk of zacht de remfase is, kan in KranOS worden ingesteld.
  • 3: Schakelpunt van de slagbegrenzer boven. Als dit wordt bereikt, blijft de lasthaak staan. Door het individuele begin van de remfase en de instelbare sterkte van de remfase hijst de lasthaak kort voor het bereiken van de slagbegrenzer boven slechts nog met lage hijssnelheid.
  • 4: Schakelpunt van de backup-begrenzer. Als dit wordt bereikt, schakelt ABUControl de volledige kraan uit.
  • 5: Begin van de remfase, telkens opnieuw berekend, afhankelijk van de actuele hijssnelheid.
  • 6: Remfase.
  • 7: Schakelpunt van de slagbegrenzer onder.

De afdanklimiet:

  • De afdanklimiet van ABUControl dient om het vervangingspunt van de kabel te berekenen. Hij berekent de slijtage van de kabel en ondersteunt de keurmeester bij de regelmatige keuring door de kabelsecties met de meeste slijtage aan te geven.
  • De hoofdoorzaak voor de slijtage van de kabel aan de takel zijn de buigcycli. Dat is het aantal buigingen dat een bepaalde kabelsectie in de loop der tijd over de kabelschijven van het haakblok en de traverse met keerrol alsook van de kabeltrommel maakt.

Naast het aantal buigcycli van een kabelsectie heeft het gewicht van de actueel bevestigde last er een wezenlijke invloed op of er bij een buigcyclus draadbreuken in de gebogen kabelsectie ontstaan of niet.

  • Tijdens actief bedrijf berekent ABUControl welke kabelsectie zich momenteel op welke positie bevindt. Bij de kabelsecties die momenteel op of van een kabelschijf lopen, wordt als factor rekening gehouden met de bevestigde last en wordt de bijbehorende slijtage voor deze kabelsectie opgeslagen (en bij de reeds opgeslagen waarden opgeteld).
  • De berekening van het vervangingspunt van de kabel is geen vervanging voor de regelmatige keuring of voor de keuring van de kabel door de kraanbestuurder bij aanvang van de werkzaamheden. Ook worden de testintervallen tussen de regelmatige keuringen niet verlengd. Er wordt geen rekening gehouden met uitwendige beschadigingen (bijv. mechanische schade door schuren van de kabel tegen een voorwerp).

Technische gegevens

Elektrische aansluiting:

Nominale spanning

380 V

400 V

415 V

Bedrijfsspanning

370 – 400 V

375 – 420 V

380 – 435 V

Netfrequentie

50 Hz

50 Hz

50 Hz

Stuurspanning

24 V DC

24 V DC

24 V DC

Elektrische aansluiting:

Nominale spanning

440 V

460 V

480 V

Bedrijfsspanning

425 – 460 V

430 – 485 V

445 – 505 V

Netfrequentie

60 Hz

60 Hz

60 Hz

Stuurspanning

24 V DC

24 V DC

24 V DC

Omgevingscondities tijdens bedrijf:

Omgevingstemperatuur

-5 °C tot 40 °C

Omgevingstemperatuur (bij verkorte inschakelduur)

+40 °C tot +65 °C

Opstellingshoogte

Tot 1000 m boven NAP

ABUControl kan bij een verkorte inschakelduur en lagere schakelfrequentie ook bij een omgevingstemperatuur van +40 °C tot +65 °C worden gebruikt.

Bedrijf bij hogere omgevingstemperaturen:

Inschakelduur van de aandrijvingen volgens typeplaatje

Gewijzigde inschakelduur bij omgevingstemperaturen van
+40 °C tot +65 °C

60%

30%

50%

25%

40%

20%

  1. Bij omgevingstemperaturen van +40 °C tot +65 °C de inschakelduur en de schakelfrequentie conform de tabel reduceren.

Bedrijf op grotere hoogte:

Op grotere hoogte wordt de kraan door de lagere luchtdruk slechter gekoeld.

  1. Op grotere hoogte de inschakelduur reduceren.

Systeemvereisten voor computers

Om met KranOS te kunnen werken, is een computer (bijv. laptop, tablet) nodig. Het apparaat moet aan de volgende systeemvereisten voldoen:

  • WLAN-adapter (om een draadloze gegevensverbinding met ABUControl tot stand te brengen)
  • Gangbare internetbrowser (om KranOS op te roepen) met HTML5-ondersteuning en JavaScript. Het beste wordt de browser Google Chrome gebruikt.
  • Bij de WLAN-adapter moet het internetprotocol TCP/IP beschikbaar zijn. Het IP-adres moet automatisch worden verkregen (DHCP moet actief zijn). Beide is normaal gesproken het geval.

Componenten van ABUControl afvoeren

Wanneer componenten van ABUControl moeten worden afgevoerd:

  1. De volledige besturing zo veel mogelijk demonteren.
  2. Plaatselijke voorschriften voor afvoer en recycling in acht nemen.
  3. Voer de afzonderlijke componenten naar materiaal gescheiden en op milieuvriendelijke wijze af:
  • Voer elektronische onderdelen af als elektronisch afval.
  • Kabels en stekkers afvoeren als elektronisch afval.
  • Plaatstalen behuizing afvoeren als oud ijzer.
  • Kunststof behuizing en kunststof onderdelen laten recyclen als kunststofafval.
elektrogesetz_muelleimer_ohne_balken_002
Dit product of elektrisch apparaat mag aan het einde van zijn levensduur niet met het huisvuil worden meegegeven.

In KranOS inloggen en aanmelden

Om instellingen van ABUControl te wijzigen, moet met een computer met WLAN-functionaliteit (bijv. laptop of tablet) een WLAN-verbinding met ABUControl tot stand worden gebracht, om zich aan te kunnen melden in KranOS.

De toegang tot KranOS (behalve de weergave van bedrijfsgegevens) is beveiligd met gebruikersnaam en wachtwoord. De verschillende gebruikers hebben verschillende gebruikersniveaus. Hoe hoger het gebruikersniveau, hoe meer instellingen er kunnen worden opgeroepen en gewijzigd.

Bij ABUControl zijn er twee gebruikersniveaus voor toegang tot KranOS.

  • Gebruikersniveau [1] is „CUSTOMER“ en omvat de leesrechten. Hierdoor is toegang tot diagnose- en weergavefuncties mogelijk. Dit gebruikersniveau is dus vooral relevant voor de kraanmachinist.
  • Gebruikersniveau [2] is „SERVICE“ en omvat de bevoegdheid om de instellingen van de kraan aan te passen. Daarom is dit gebruikersniveau van belang voor servicewerkzaamheden of onderhoud.

De exploitant bepaalt aan welke personen of welke groep van personen de gebruikersnamen („CUSTOMER” en „SERVICE”) en de bijbehorende wachtwoorden bekend worden gemaakt.

WLAN-verbinding tot stand brengen

De afbeeldingen tonen een WLAN-verbinding op een pc met Windows 10. Bij andere besturingssystemen, op tablets en op smartphones wordt de WLAN-verbinding anders tot stand gebracht.

  1. De laptop zo dicht mogelijk bij de kraan brengen, bijvoorbeeld direct onder de kraan plaatsen.
  2. Kraanserienummer van de kraan opzoeken waarmee verbinding moet worden gemaakt.

Het kraanserienummer staat bijvoorbeeld op een sticker op de hoofdtraverse.

  1. Indien nodig: WLAN-adapter van de laptop activeren.

WLAN-netwerk van de kraanInvoerveld voor netwerksleutel

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Wlan Windwos auswählen 3.png
Symbool voor beschikbare WLAN-netwerken
  1. In de taakbalk rechtsonder op het symbool voor beschikbare WLAN-netwerken klikken.
  2. In de lijst van beschikbare WLAN-netwerken het WLAN-netwerk kiezen met de naam (SSID) die overeenkomt met het kraanserienummer, en vervolgens verbinding maken.
  • Elke kraan heeft een eigen WLAN-netwerk.
  • De netwerknaam (SSID) is identiek aan het kraanserienummer en is uniek.
  1. Als netwerksleutel dezelfde tekenreeks opnieuw invoeren (met of zonder koppelteken en/of spatie, net als bij de netwerknaam (SSID)).
  • De laptop maakt verbinding met het WLAN van de ABUControl.

Aanmelden in KranOS

Adresregel met IP-adres voor toegang tot KranOS

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Einloggen Browser 3.png
  1. Op de computer de browser starten.
  2. In de adresregel van de browser het adres „192.168.1.1/abs” invoeren.

Bij de tweede kraan van twee kranen in tandembedrijf: „192.168.1.2/abs” invoeren.

  1. Toets „Enter” indrukken.

Knop „Aanmelden”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Betriebsdaten beim Anmelden 3.png
IP-adres van PLC en kraanserienummer
  • Het venster „Bedrijfsgegevens” verschijnt.

Hier kunnen de belangrijkste bedrijfsgegevens van de kraan worden afgelezen. Zie „Bedrijfsgegevens en collectieve lastgeheugen aflezen”.

  • Het IP-adres en het kraanserienummer van de kraan worden weergegeven.

Het hier getoonde IP-adres is het IP-adres van de PLC. Dit is een andere IP-adres dan het IP-adres voor de toegang tot KranOS in de browser.

  1. Het weergegeven IP-adres en kraanserienummer controleren en controleren of de verbinding met de juiste kraan tot stand is gebracht.

In geval van twijfel KranOS op één van de kraanassen schakelen en controleren of bij ingedrukte knop de desbetreffende beweging in KranOS wordt weergegeven. Zie „Status van de kraanassen weergeven”.

  1. Knop „Aanmelden” aanklikken.

Aanmelden in KranOS

Invoerveld „Wachtwoord”Invoerveld „Gebruiker”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Login.png
Knop „Aanmelden”
  • Het venster „Aanmelden” van KranOS verschijnt.
  1. Hoofdletters gebruiken en gebruikersnaam invoeren:
  • Gebruikersnaam voor gebruikersniveau [1]: „CUSTOMER”
  • Gebruikersnaam voor gebruikersniveau [2]: „SERVICE”
  1. Wachtwoord invoeren:
  • Wachtwoord voor gebruikersniveau [1]: „CUSTOMER” (standaardwachtwoord)

Het standaardwachtwoord voor de gebruiker „CUSTOMER” kan desgewenst na aanmelding worden gewijzigd.

  • Wachtwoord voor gebruikersniveau [2]: „SERVICE”
    (standaardwachtwoord voor de eerste aanmelding)

Het standaardwachtwoord voor de gebruiker „SERVICE” kan desgewenst worden gewijzigd. Bovendien moet het na de eerste aanmelding worden gewijzigd. Zie „Wachtwoord voor KranOS wijzigen”.

  1. Op „Aanmelden” klikken.
  • De startpagina verschijnt.

Opmerking:

Wanneer 30 minuten lang niet in KranOS gewerkt wordt, wordt de gebruiker automatisch uitgelogd.

Als er geen verbinding is met de PLC:

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Verbindung unterbrochen.png
  • Als de verbinding met de PLC is verbroken, bijvoorbeeld door een beschadigde of losgeraakte kabel, is aanmelding niet mogelijk in KranOS.
  • Er verschijnt een waarschuwing: „PLC niet bereikbaar, controleer de verbinding. De hier weergegeven waarden kunnen onjuist zijn.“

Verbinding tussen KranOS en PLC

De verbinding tussen KranOS en PLC wordt weergegeven op de startpagina.

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\KranOS aktiv 3.png
Tekstveld „Status KranOS”
  • Het tekstveld „Status KranOS” toont de toestand van de verbinding tussen KranOS en PLC:
  • Het tekstveld is groen: verbinding is tot stand gebracht.
  • Tekstveld is rood: de verbinding is verbroken. KranOS kan worden gebruikt, maar de weergegeven waarden zijn mogelijk niet correct.

Verbinding herstellen:

  1. Op de computer de browser sluiten.
  2. De browser opnieuw openen.
  3. Opnieuw aanmelden in KranOS. Zie „Aanmelden in KranOS”.

De cache van de browser op de computer leegmaken:

In de cache slaat de browser gegevens van reeds bezochte internetpagina's op. Normaal gesproken maakt dit het oproepen van internetpagina's sneller. Bij KranOS kan dit echter tot problemen leiden. Dan moet de cache worden leeggemaakt.

  1. In de browser Google Chrome: druk op Ctrl + Shift + Delete.
  • De cache wordt geleegd en de verbinding wordt opnieuw tot stand gebracht wanneer KranOS weer wordt opgeroepen.

KranOS bedienen

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]‚) of „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]) moet ingelogd zijn.

  1. Met gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.

Weergaven in KranOS

Na het inloggen:

Knop „Terug”Menu „Gebruiker”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Anzeigen im Hauptmenü 3.png
HoofdmenuMenu „Instellingen”
  • Hoofdmenu:

Hier kan voor elke kraanas (verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat, hijswerk) het bijbehorende venster worden geselecteerd. Er worden uitsluitend kraanassen weergegeven, die daadwerkelijk voor de kraan beschikbaar zijn.

  • Menu „Instellingen” (die horizontale streepjes):

Drie gele streepjes: hier verschijnt een menu met menupunten, passend bij het actuele venster.

Drie zwarte streepjes: voor het actuele venster zijn er geen menupunten beschikbaar.

  • Knop „Terug” (gele pijl):

Hiermee kan telkens naar het voorgaande venster worden teruggeschakeld.

  • Menu „Gebruiker” (wit poppetje):

Hier verschijnt een menu met menupunten die betrekking hebben op de aangemelde gebruiker:

Wachtwoord wijzigen: zie „Wachtwoord voor KranOS wijzigen”.

Afmelden: zie „Uit KranOS uitloggen”.

In een van de vensters:

Tekstveld en invoerveldKnop (met blauwe ondergrond)

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Felderarten.png
SchakelaarVervolgkeuzelijst
  • Vervolgkeuzelijst (met witte ondergrond): hier kan uit een lijst een vooraf vastgelegde waarde worden geselecteerd. Zie „Waarde selecteren”.
  • Invoerveld (met witte ondergrond): hier kunnen getalswaarden worden ingevoerd. Zie „Waarde invoeren”.
  • Tekstveld (met donkere ondergrond): hier worden getalswaarden weergegeven. Ze kunnen niet worden gewijzigd.
  • Knop (met blauwe ondergrond): knoppen kunnen worden aangeklikt. Ze leiden naar een ander venster of voeren een actie uit.

Hoofdmenu (kraanassen)

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Anzeigen im Fenster zwei 3.png
Knop (met rode ondergrond)Stuursignalen
  • Hoofdmenu (kraanassen) (met blauwe of groene ondergrond).
  • Stuursignalen (blauw of groen):

Klem of apparaat wordt groen weergegeven: spanning is voorhanden of bewegingsbegrenzing is niet geactiveerd.

Klem of apparaat wordt blauw weergegeven: spanning is niet voorhanden of bewegingsbegrenzing is geactiveerd.

  • Knop (rode ondergrond): knoppen met veiligheidsrelevante functies (bijv. Overbrugging beveiliging overbelasting) krijgen een rode ondergrond, zodra ze ingeschakeld (actief) zijn.

Menu en menupunten oproepen:

Menupunt voor kraanas „Verplaatsen kraan”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Menü aufrufen 3.png
Menupunt voor kraanas „Loopkat”Menupunt voor kraanas „Hijswerk”
  1. In het hoofdmenu het menupunt voor de gewenste kraanas aanklikken.

Er worden uitsluitend menupunten voor kraanassen weergegeven, die daadwerkelijk voor de kraan beschikbaar zijn (bijv. loopkat 2).

Geselecteerd menupunt (kraanas)Menu „Instellingen”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Menü aufrufen aufgerufen 3.png
Weergavebereik
  • Het geselecteerde menupunt (kraanas) krijgt een groene ondergrond.
  • In het weergavebereik wordt de desbetreffende inhoud weergegeven.
  • Wanneer er voor het geselecteerde menupunt (kraanas) nog meer menupunten zijn: het menu „Instellingen” is geel.

Naar een ander menu schakelen:

Andere menupunten (kraanassen)

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Menü aufrufen anderes 3.png
Actueel geselecteerd menupunt (kraanas)
  1. Op een van de andere menupunten (kraanassen) in het hoofdmenu klikken.
  • Het nieuw geselecteerde menupunt (kraanas) krijgt een groene ondergrond.
  • In het weergavebereik wordt de desbetreffende inhoud weergegeven.

Hoofdmenu als vervolgkeuzelijst

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Menü aufrufen schmal 3.png
  • Op kleinere displays (bijv. op een tablet) wordt het hoofdmenu voor de kraanassen weergegeven als vervolgkeuzelijst.
  1. Op de knop „Startpagina” klikken.

Als er een andere kraanas is opgeroepen in plaats van de startpagina, wordt dit op de knop weergegeven.

  • Het hoofdmenu met de kraanassen verschijnt.
  1. Het menupunt voor de gewenste kraanas aanklikken.

Instellingen oproepen:

Menu „Instellingen”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Menü aufrufen Untermenü 3.png
Menupunt
  1. Op het menu „Instellingen” klikken.
  • Een menu met bij het actuele venster horende menupunten verschijnt.

Naar het vorige menu terugschakelen:

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Menü aufrufen zurück 3.png
Knop „Terug”
  1. Knop „Terug” aanklikken.
  • KranOS schakelt naar het voorgaande menupunt.

Naar de startpagina terugschakelen:

  1. Afhankelijk van het weergegeven venster: een of meerdere keren op de knop „Terug” klikken.
  • De startpagina verschijnt.

Waarde invoeren

Bij enkele functies kunnen getalswaarden worden ingevoerd.

In het venster wordt een invoerveld met witte ondergrond weergegeven:

Invoerveld met geel kader en groene haakjesInvoerveld met geel kaderen rood uitroepteken

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Werte eingeben.png
Waardebereik
  1. Invoerveld aanklikken.
  • Er verschijnen pijlknoppen voor het wijzigen van de waarden.
  • Onder het invoerveld wordt, indien aanwezig, het waardebereik met de minimaal en maximaal toegestane waarde weergegeven.
  1. Met het toetsenbord de gewenste waarde invoeren of met de pijlknoppen de waarde verhogen of verlagen.
  • Naast het invoerveld wordt een groen vinkje weergegeven als de nieuwe waarde binnen het toegestane waardebereik ligt.
  • Naast het invoerveld wordt een rood kruis weergegeven als de nieuwe waarde buiten het toegestane waardebereik ligt. Daarnaast wordt het invoerveld rood.
  • Er verschijnt een geel kader rond het invoerveld als de waarde is gewijzigd.

De waarde is nog niet in ABUControl opgeslagen. Zie „Waarden opslaan in ABUControl”.

Waarde selecteren

Bij enkele functies kunnen waarden (bijv. verschillende instellingen) uit een vervolgkeuzelijst worden geselecteerd.

Vervolgkeuzelijst

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Pendeldämpfung mehrere Katzen.png
  • In het weergavebereik wordt een vervolgkeuzelijst met een kleine pijl omlaag weergegeven.
  • In de vervolgkeuzelijst wordt de actueel geselecteerde waarde weergegeven.
  1. Vervolgkeuzelijst aanklikken.
  • Onder de vervolgkeuzelijst worden de mogelijke waarden weergegeven.
  1. De gewenste waarde aanklikken.
  • De vervolgkeuzelijst wordt ingeklapt en de nieuwe waarde wordt toegepast.
  • Er verschijnt een geel kader rond het invoerveld als de waarde is gewijzigd.

De waarde is nog niet in ABUControl opgeslagen. Zie „Waarden opslaan in ABUControl”.

Waarden opslaan in ABUControl

Nadat één of meerdere waarden binnen een venster zijn ingevoerd of geselecteerd, moeten de waarden aan ABUControl worden overgedragen.

Telkens wanneer een venster wordt opgeroepen, worden de actueel ingestelde waarden uit ABUControl gelezen en weergegeven. Wanneer waarden worden ingevoerd of geselecteerd, maar niet opgeslagen, dan verschijnen de volgende keer dat het betreffende venster wordt opgeroepen weer de oorspronkelijke waarden die nog in ABUControl zijn opgeslagen.

Nadat nieuwe waarden zijn ingevoerd of geselecteerd:

Invoerveld met geel kader

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Werte speichern.png
Knop „PLC lezen”Knop „PLC schrijven”
  • Rond het invoerveld of de vervolgkeuzelijst verschijnt een geel kader als de waarde is gewijzigd.

Meer waarden wijzigen:

  1. Op TAB-toets drukken om naar het volgende invoerveld of de volgende vervolgkeuzelijst te springen.

Daar kunnen zoals eerder beschreven nog meer waarden worden gewijzigd.

  • De nieuwe waarden worden nog niet opgeslagen.

Afzonderlijke waarden of alle waarden opslaan:

  1. Op Enter drukken.

of

Knop „PLC schrijven” aanklikken.

  • De melding „Verwerken...” verschijnt.
  • Midden op het scherm verschijnt een groen vinkje.
  • De nieuwe waarden worden in ABUControl opgeslagen.

In enkele vensters zijn meerdere knoppen „PLC lezen” en „PLC schrijven” aanwezig. De knoppen gelden dan voor het bereik dat qua kleur (door verschillende tinten grijs) is samengevat.

Als de waarden niet moeten worden opgeslagen:

  1. Knop „PLC lezen” aanklikken.
  • De oorspronkelijke waarden, die nog in ABUControl zijn opgeslagen, worden weer weergegeven.

Indien één of meerdere waarden bij het opslaan ongeldig zijn:

  • Naast het invoerveld wordt een rood kruis weergegeven als de nieuwe waarde buiten het toegestane waardebereik ligt. Daarnaast wordt het invoerveld rood.
  • Er verschijnt een foutmelding.

Hoe de foutmelding eruit ziet, is afhankelijk van de gebruikte browser.

  • Zolang een van de waarden bij het opslaan ongeldig is, worden de waarden op de desbetreffende pagina niet opgeslagen.

Bij het opslaan verschijnt er een rood kruis midden op het scherm:

  • Bij het opslaan van de waarden is een fout opgetreden.
  1. De actuele pagina vernieuwen.
  2. De gewenste waarden opnieuw invoeren.
  3. Knop „PLC schrijven” aanklikken.
  1. Als het probleem blijft bestaan, de verbinding tussen KranOS en PLC opnieuw tot stand brengen. Zie „Verbinding tussen KranOS en PLC”.

Uit KranOS uitloggen

Wanneer 30 minuten lang niet in KranOS gewerkt wordt, wordt de gebruiker automatisch uitgelogd.

Om handmatig uit te loggen:

Menu „Gebruiker”Menupunt „Afmelden”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Ausloggen 3.png
  1. Menu „Gebruiker” aanklikken.
  • Het menu verschijnt.
  1. Menupunt „Afmelden” aanklikken.
  • De gebruiker wordt afgemeld.
  • Het venster „Bedrijfsgegevens” verschijnt.

Wachtwoord voor KranOS wijzigen

Het standaardwachtwoord „SERVICE” voor de gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) kan desgewenst worden gewijzigd, bovendien mot het na de eerste aanmelding worden gewijzigd. Het standaardwachtwoord „CUSTOMER” voor de gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]) kan desgewenst worden gewijzigd.

Het nieuwe wachtwoord moet door de exploitant veilig worden bewaard (bijvoorbeeld in het onderhoudsboekje in de kraan- of loopkatrelaiskast) en mag alleen aan de betreffende groep van personen worden doorgegeven.

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Gebruiker“ 🡪 „Wachtwoord wijzigen“

  1. Met gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  1. Menu „Gebruiker” aanklikken.
  • Het menu verschijnt.
  1. Menupunt „Wachtwoord wijzigen” aanklikken.

Invoerveld „Nieuw wachtwoord”Invoerveld „Oud wachtwoord”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Passwort ändern.png
Invoerveld „Wachtwoord herhalen”Knop „Wachtwoord wijzigen”
  • Het venster „Wachtwoord wijzigen” verschijnt.
  1. In het invoerveld „Oud wachtwoord” het bestaande wachtwoord invoeren.
  2. In het invoerveld „Nieuw wachtwoord” het nieuwe wachtwoord invoeren.
  3. In het invoerveld „Wachtwoord herhalen” ter bevestiging het nieuwe wachtwoord nogmaals invoeren.
  4. Knop „Wachtwoord wijzigen” aanklikken.
  • Het wachtwoord wordt gewijzigd.

Opmerking:

Noteer en bewaar het gewijzigde wachtwoord op een geschikte plaats (bijvoorbeeld in het onderhoudsboekje in de kraan- of loopkatrelaiskast). Het standaardwachtwoord „SERVICE” is niet meer geldig als het wachtwoord gewijzigd is. Als het gewijzigde wachtwoord vergeten wordt, kan het wachtwoord door de ABUS-service opnieuw worden ingesteld. Zie „ABUS-service”.

Opmerking:

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Passwort SERVICE ändern.png

Bij de eerste keer aanmelden met de gebruiker „SERVICE” verschijnt automatisch het venster „Wachtwoord wijzigen” met een extra melding dat het wachtwoord moet worden gewijzigd.

Er is geen verdere toegang tot KranOS mogelijk totdat het wachtwoord is gewijzigd.

Taal instellen

KranOS en de meldingen op het matrixdisplay met leds worden standaard in het Duits weergegeven. Bij het inloggen in KranOS kan de taal worden gewijzigd.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) kan ingelogd zijn. De toegang is echter ook mogelijk zonder login (gebruikersniveau €[0]).

Taal instellen

  1. De knop „Taal” (wereldbol) aanklikken.
  • Er wordt een lijst met beschikbare talen weergegeven.
  1. Gewenste taal selecteren.
  • KranOS en de meldingen op het matrixdisplay met leds worden in de geselecteerde taal weergegeven.

Overzicht menu

Menupunt

Menupunt

Menupunt

Functies

Gebruikers-
niveau

Zie

Na het inloggen

„Bedrijfsgegevens”

Bedrijfsgegevens aflezen

Geen

„Bedrijfsgegevens en collectieve lastgeheugen aflezen”.

Collectieve lastgeheugen aflezen

Geen

IP-adres van de kraan aflezen

Geen

„Aanmelden in KranOS”.

„Aanmelden”

Met een gebruiker aanmelden in KranOS

Geen

„Aanmelden in KranOS”.

Startpagina

„Bedrijfsgegevens”

Bedrijfsgegevens aflezen

Customer [1]

Service [2]

„Bedrijfsgegevens en collectieve lastgeheugen aflezen”.

Collectieve lastgeheugen aflezen

Customer [1]

Service [2]

„Diagnose PLC”

Versie-informatie weergeven

Customer [1]

Service [2]

„Diagnose van de PLC met versie-informatie weergeven”.

Logbestand weergeven

Customer [1]

Service [2]

„Logbestand weergeven”.

Kraan opnieuw starten

Service [2]

„Kraan opnieuw starten”.

„Diagnose bus”

Diagnose van het bus-netwerk weergeven

Customer [1]

Service [2]

„Diagnose bus weergeven”.

„Diagnose hulp-PLC”

Fout- en schakeltoestanden van de hulp-PLC weergeven

Customer [1]

Service [2]

Diagnose van de hulp-PLC weergeven

Nummer bedrijfsmodus instellen

Service [2]

„Diagnose PLC-processen”

Verloop van de PLC-processen weergeven

Customer [1]

Service [2]

„Diagnose PLC-processen weergeven”.

„PLC-tijd instellen”

Datum en tijd van de PLC instellen

Service [2]

'Datum en tijd instellen' „Datum en tijd instellen”.

„SD-kaart van PLC”

Gegevensback-up, herstel

Service [2]

„SD-kaart in PLC steken of eruit nemen”.

„Bewegingsprofiel”

Bewegingsprofiel selecteren

Service [2]

„bewegingsprofielen selecteren:”.

Afzonderlijke besturing instellen

Customer [1]

Service [2]

„Afzonderlijke besturing voor ABURemote-zender instellen”.

Menupunt

Menupunt

Menupunt

Functies

Gebruikers-
niveau

Zie

Synchroonloop instellen

Service [2]

„

Synchroonloop instellen”.

Parameters voor lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering instellen:

Service [2]

Haakassistent (lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering) instellen

Uitlijning inclinometer

Service [2]

„Uitlijning van de inclinometer instellen”.

Frequentieomvormer terugzetten op fabrieksinstellingen en hijsmotor opnieuw meten

Service [2]

„Frequentieomvormer resetten en hijsmotor opnieuw meten”.

Frequentieomvormer opnieuw configureren

Service [2]

„Frequentieomvormer configureren”.

Eindschakelaars loopwerk en slagbegrenzer overbruggen

Service [2]

„Eindschakelaar loopwerk en slagbegrenzer tijdelijk overbruggen”.

Verplaatsingsrichting kraan en verplaatsingsrichting loopkat verwisselen

Service [2]

„Verplaatsingsrichting van kraan en loopkat verwisselen”.

Halprofielbesturing (via verplaatsings-
profiel kraan)

Een hindernis aanmaken, instellen, kopiëren, bewerken en verwijderen

Service [2]

Punten van de halprofielbesturing aanmaken e.v.

Een hindernis selecteren en weergeven

Customer [1]

Service [2]

„Lastafhankelijke schakelpunten”

Lastafhankelijke schakelpunten instellen

Service [2]

„Lastafhankelijke schakelpunten instellen”.

Slappe-kabelbeveiliging instellen

Service [2]

„Slappe-kabelbeveiliging instellen”.

Positiebesturing

De posities van de lineaire positioneringsbesturing bewerken.

Service [2]

„Punten van de positiebesturing aanpassen”.

De standaardinstellingen voor de tolerantie van de positiebesturing bepalen

Service [2]

„Tolerantie instellen”.

De lengte van de kraanbaan berekenen

Service [2]

Menupunt

Menupunt

Menupunt

Functies

Gebruikers-
niveau

Zie

Kraanas „Verplaatsen kraan”

Actuele posities van de eindschakelaar weergeven

Customer [1]

Service [2]

„Status van de kraanassen weergeven”.

Status frequentieomvormer weergeven

Customer [1]

Service [2]

Schakelaarstanden van het halprofiel weergeven

Customer [1]

Service [2]

Status van de kraanafstandregeling en lastafhankelijke kraanafstandregeling weergeven

Customer [1]

Service [2]

„Parameter verplaatsingsprofiel kraan”

Snelheden instellen

Service [2]

„Uitgebreide parameters voor verplaatsingsprofielen (verplaatsingsprofiel kraan, verplaatsingsprofiel loopkat) instellen”.

Remtijd en versnellingstijd instellen

Service [2]

Tekstsnelheid van het lastdisplay instellen

Service [2]

Deellast instellen

Service [2]

Draairichting van de kruisschakelaars voor halprofiel instellen

Service [2]

„Afstandsensoren verplaatsing kraan”

Programmeermodus eind-uitschakeling activeren

Service [2]

„Afstandsensor monteren, instellen en programmeren”.

Programmeermodus voor-uitschakeling activeren

Service [2]

De lengte van de hoofdtraverseen de kraanbaan instellen

Service [2]

Kraanas „Loopkat”

Actuele posities van de eindschakelaar weergeven

Customer [1]

Service [2]

„Status van de kraanassen weergeven”.

Status frequentieomvormer weergeven

Customer [1]

Service [2]

Status van de kraanafstandregeling en lastafhankelijke kraanafstandregeling weergeven

Customer [1]

Service [2]

veiligheids-PLC: verplaatsing kraan

Fout- en schakeltoestanden van de veiligheids-PLC weergeven

Customer [1]

Service [2]

Diagnose van de hulp-PLC weergeven

Testmodus Veilige stop (STO)

Service [2]

Schakelaarstanden van het halprofiel weergeven

Customer [1]

Service [2]

Menupunt

Menupunt

Menupunt

Functies

Gebruikers-
niveau

Zie

„Parameter verplaatsingsprofiel loopkat”

Snelheden instellen

Service [2]

„Uitgebreide parameters voor verplaatsingsprofielen (verplaatsingsprofiel kraan, verplaatsingsprofiel loopkat) instellen”.

Remtijd en versnellingstijd instellen

Service [2]

Tekstsnelheid van het lastdisplay instellen

Service [2]

Draairichting van de kruisschakelaars voor halprofiel instellen

Service [2]

„Afstandsensoren verplaatsing loopkat”

Programmeermodus eind-uitschakeling activeren

Service [2]

„Afstandsensor monteren, instellen en programmeren”.

Programmeermodus voor-uitschakeling activeren

Service [2]

Kraanas „Hijswerk”

Actuele posities van de eindschakelaar weergeven

Customer [1]

Service [2]

„Status van de kraanassen weergeven”.

Status frequentieomvormer weergeven

Customer [1]

Service [2]

Lastindicatie

Customer [1]

Service [2]

Overbrugging overlast activeren

Service [2]

„Overlastbeveiliging overbruggen”.

Kabelwissel activeren

Service [2]

„Kabel vervangen”.

„Absoluut encoder”

Apparaatadres instellen

Service [2]

„Absoluut encoder vervangen”.

Referentiepunt absoluut encoder instellen

Service [2]

Fout resetten

Service [2]

„Parameter hijsprofiel”

Snelheden instellen

Service [2]

„Uitgebreide parameters voor hijsprofiel instellen”.

Remtijd en versnellingstijd instellen

Service [2]

Lastmeetsysteem instellen

Service [2]

Kabellengte weergeven

Service [2]

Meting van de hijsmotor instellen

Service [2]

Menupunt

Menupunt

Menupunt

Functies

Gebruikers-
niveau

Zie

De maximale rijsnelheid voor verplaatsen kraan en loopkat bij lasthaakgeleiding en lasthaakcentreringi nstellen

Service [2]

„Haakassistent (lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering) instellen”.

Maximale uitslag voor verplaatsen kraan en loopkat bij beveiliging tegen schuin trekken instellen

Service [2]

„Parameter slingerdemping”

Bevestigingsmiddel instellen

Customer [1]

Service [2]

„Slingerdemping activeren en deactiveren”.

Kabellengte weergeven

Service [2]

Slingerdemping in- en uitschakelen

Service [2]

Beschikbaarheid van de slingerdemping voor meerdere loopkatten instellen

Service [2]

„Slingerdemping voor meerdere loopkatten vrijgeven”.

„Parameter inclinometer“

Inclinometer kalibreren

Service [2]

„Inclinometer kalibreren”.

„Parameter vervangingspunt”

Parameters voor de berekening van het vervangingspunt bekijken

Customer [1]

Service [2]

„Parameters voor het vervangingspunt en gegevens over de kabelaandrijving weergeven”.

„Kalibratie hijswerk”

Lastmeetsysteem kalibreren

Service [2]

„Lastmeetsysteem met een opgetilde testlast kalibreren”.

Basiskalibratie van lastsensor uitvoeren

Service [2]

„Basiskalibratie van lastsensor uitvoeren”.

Slagbegrenzers instellen

Service [2]

Eindpositie van de remfase van de aandrijving hijswerk tijdelijk wijzigen”

Collectieve lastgeheugen instellen

Service [2]

„Startwaarde voor het collectieve lastgeheugen invoeren”.

„Slijtage vervanging-
spunt”

Slijtagegegevens van de afzonderlijke kabelsecties weergeven

Customer [1]

Service [2]

„Kabel controleren met behulp van de afdanklimiet”.

Menu „Gebruiker”

„Wachtwoord wijzigen”

Wachtwoord wijzigen

Customer [1]

Service [2]

„Wachtwoord voor KranOS wijzigen”.

„Afmelden”

Gebruiker afmelden

Customer [1]

Service [2]

„Uit KranOS uitloggen”.

Menu „Taal”

Taal instellen

Geen

„Taal instellen”.

Monteren en aansluiten

Dit geldt voor iedereen die aan de kraan werkt, voordat deze in gebruik wordt genomen.

De exploitant van de kraan is verantwoordelijk voor de keuze en de juiste kwalificatie van het inbedrijfstellingspersoneel.

Voorbeelden van bevoegde personen:

  • Personen met uitgebreide kennis dankzij een vaktechnische opleiding in de machinebouw en in de elektrotechniek van kranen.
  • Personen met voldoende ervaring op het gebied van gebruik, montage en onderhoud van kranen.
  • Personen met uitgebreide kennis op het gebied van de desbetreffende regels van de techniek, richtlijnen en veiligheidsvoorschriften die gelden in het betreffende land.
  • Personen met regelmatige scholing door ABUS.

ABUS aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade door onvakkundige en door niet gekwalificeerde personen uitgevoerde inbedrijfstelling.

ABUS adviseert de inbedrijfstelling door ABUS-montageteams te laten uitvoeren.

Contactleiding met absoluut meetsysteem monteren

Alleen bij positiebesturing

Bij de positiebesturing en de halprofielbesturing via de kraanpositie wordt een absoluut meetsysteem gebruikt om de absolute positie van de kraan langs de kraanbaan te meten. Als absoluut meetsysteem worden ofwel laserafstandssensoren ofwel het APOS-contactleidingsysteem gebruikt. Bij het APOS-contactleidingsysteem wordt een codeband in het profiel van de contactleiding geschoven, die door een leeskop wordt afgetast en waarmee de positie van de kraan wordt bepaald.

De montage van het APOS-contactleidingsysteem wordt beschreven in aparte documentatie. Hieronder worden belangrijke aanvullende aanwijzingen en ABUS-specifieke montagestappen toegelicht die afwijken van de montagehandleiding van de fabrikant van het APOS-contactleidingsysteem.

Algemene aanwijzingen:

  • De productielengte van de codeband bedraagt 260 m. Hiervan worden stukken afgesneden die specifiek zijn afgestemd op de bestelde kraaninstallatie. De aanvangswaarde van de codeband kan dus aanzienlijk groter zijn dan 0.
  • De codeband en het bevestigingsprofiel worden geleverd met een overlengte van ca. 1 m.
  • Nadat de codeband is gemonteerd, is het niet meer mogelijk om een afzonderlijk railelement te vervangen. Ook is het niet meer mogelijk om de contactleiding langs het traject te openen om een stroomafnemer of de leeskopwagen te vervangen.
  • De codeband is sterk magnetisch en moet voor en tijdens de montage worden beschermd tegen vervuiling (met name door metaalstof, spanen, enz.).

Instructies voor de montage:

  • Bij het invoeren van de codeband in de contactleiding is de telrichting van het contactleidingsysteem van belang. De telrichting moet in de rijrichting van de kraan („vooruit“) oplopend zijn!

De plaatsing van de codeband wordt in de aparte documentatie en in het installatieschema van de fabrikant aangegeven in de schacht onder de aardleiding (PE). Dit geldt echter niet in alle gevallen. Aangezien de leeskop slechts in één richting op de leeskopwagen kan worden gemonteerd, moet de codeband mogelijk in plaats daarvan in de schacht tegenover de aardleiding worden geplaatst.

  • Bij het bevestigen van het ankerblok van de contactleiding kan de codeband beschadigd raken. Let er bij het vastdraaien van de boorschroeven op dat deze recht in de profielrail worden geschroefd.
  • De leeskop wordt aan het einde van de installatie geplaatst. Als er meerdere kranen op dezelfde kraanbaan staan, moet erop worden gelet dat de volgorde van de stroomafnemers wordt aangehouden.
  • De uiteinden van de contactleidingen bestaan uit stukken van 150 mm lang zonder koperen rail, voorzien van een bevestigde eindkap. Het stuk wordt alleen door de stootkap op zijn plaats gehouden en niet extra door de koperen rails. Indien nodig moet hier een extra ophanging worden aangebracht.
  • De meenemerstang met scharnierkop M10 van de leeskopwagen wordt met een bevestigingsbeugel aan de vierkante buizen van de kraan bevestigd. Een afstandshuls zorgt ervoor dat de scharnierkop kan bewegen. De meenemerstang moet daarom in één lijn met de contactleiding en de leeskop worden uitgelijnd.
  • De lijnvoedingen zijn af fabriek aangepast aan het contactleidingsysteem. Hiervoor is de afdekkap ter hoogte van de codeband uitgehold en voorzien van nieuwe kunststof onderdelen. Als de codeband echter tegenover de aarddraad is aangebracht, moet een speciale lijnvoeding worden gebruikt. Als alternatief kan de lijnvoeding ter plaatse worden aangepast. Verwijder hiervoor de stootkap en draai de 4 schroeven van het onderdeel los. Draai vervolgens het onderdeel 180 graden en monteer het opnieuw. Opmerking: Hierdoor draait ook het voedingspunt (schroefverbinding).
  • De leeskop is uitgerust met een SSI-interface (synchrone seriële interface). De 8-polige M12-connector wordt via een adapterkabel (M12 naar printplaatconnector) aangesloten op de veldbuskoppelaar van de kraanbesturing.

Kraan met ABUControl aansluiten

Kraan op het stroomnet aansluiten

  1. Stroomvoorziening conform EN 60204 tot stand brengen.
  2. Overeenkomstig EN 50178 voor een vaste aansluiting zorgen, omdat de lekstroom groter is dan 3,5 mA.

Aardlekschakelaar kiezen

Als er een aardlekschakelaar moet worden gebruikt:

  1. Aardlekschakelaar van het type B gebruiken.

Deze is bestemd voor het gebruik met frequentieomvormers en maakt onderscheid tussen lekstromen in verschillende frequentiebereiken. Daardoor wordt een bescherming ook bij gebruik met frequentieomvormers gerealiseerd.

Doorverbinddoos demonteren en monteren

Bij kranen met korte loopwerkdragers staan de leidingen en de doorverbinddoos van de kraanbesturing voor de bouten van hoogvast staal. Dan moet de doorverbinddoos los worden gemaakt om de bouten van hoogvast staal te kunnen vastschroeven of losdraaien.

Doorverbinddoos losmaken

Doorverbinddoos

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Flanschgehäuse ab 3.jpg
Vergrendeling
  1. Deksel van de kraanbesturing openen.
  2. De voorste vier vergrendelingen van de doorverbinddoos naar binnen drukken.
  3. Doorverbinddoos naar achter (richting achterzijde van relaiskast) kantelen.
  • De doorverbinddoos komt los van de relaiskast.
  1. Doorverbinddoos naar de voorzijde verwijderen.
  • De doorverbinddoos kan los met de leidingen aan de kraanbesturing hangen tot de bouten van hoogvast staal vastgeschroefd zijn.

Doorverbinddoos bevestigen

Doorverbinddoos

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Flanschgehäuse dran 3.jpg
  1. Doorverbinddoos recht tegen de relaiskast plaatsen.
  2. Doorverbinddoos tegen de relaiskast drukken.
  • De vergrendelingen (8x) klikken hoorbaar vast.

Aansluitkabels in de doorverbinddoos leggen

Bij de montage worden aansluitkabels door de doorverbinddoos in de relaiskast gelegd en aangesloten. Alle aansluitkabels zijn insteekbaar. De kabeldoorvoeren in de doorverbinddoos dienen als afdichting.

Bij dunnere ronde kabels is de kabeldoorvoer (rubber) voldoende. Bij dikkere ronde kabels en flat cables wordt daarnaast voor de kabeldoorvoer een driedelige kabeltrekontlasting gebruikt om de aansluitkabel te bevestigen.

Doorverbinddoos openen

Doorverbinddoos

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Leitungen in Flanschgehäuse führen\Flanschgehäuse Deckel öffnen.jpg
Deksel
  1. De twee bovenste sluitclips licht naar buiten drukken.
  2. Tegelijkertijd het deksel aan de bovenkant van het huis verwijderen.
  3. Het deksel naar beneden kantelen tot het bijna horizontaal ligt.
  • Het deksel komt bij het kantelen automatisch los uit de onderste sluitclips.

Tip:

Wanneer het deksel bij gebrek aan ruimte niet naar beneden kan worden gekanteld, kunnen in plaats daarvan ook de bovenste en onderste sluitclips licht naar buiten worden gedrukt en kan het deksel eenvoudig worden verwijderd.

Aansluitkabel voorbereiden

Aansluitkabel

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Leitungen in Flanschgehäuse führen\Flanschgehäuse Leitung vorbereiten.jpg
KabeldoorvoerKabelklem
  1. Aansluitkabel zo ver door de kabeldoorvoer schuiven dat de aansluitkabel in de relaiskast tot de aansluitklemmenstrip kan worden gelegd.

De kabeldoorvoer heeft afhankelijk van de leiding verschillende openingen (dikke en dunne ronde kabels, flat cables) of sleuven.

  1. Vanaf de buitenkant een kabelklem op de aansluitkabel steken.

Aansluitkabel aansluiten

Aansluitkabel met kabelklemBasiseenheid kabeltrekontlasting

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Leitungen in Flanschgehäuse führen\Flanschgehäuse Kabel rein.jpg
Klembeugel kabeltrekontlasting
  1. Basiseenheid van de kabeltrekontlasting in de doorverbinddoos steken en vergrendelen.
  2. Aansluitkabel met de kabelklem in de basiseenheid schuiven en tegelijkertijd de kabeldoorvoer (rubber) in de opening van de doorverbinddoos leggen.
  3. Klembeugel van de kabeltrekontlasting op de basiseenheid steken.

Kabeldoorvoer borgen

Opening voor kabelbinder

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Leitungen in Flanschgehäuse führen\Flanschgehäuse Kabeldurchführung sichern.jpg
Opening voor kabelbinder
  1. Kabelbinder (niet afgebeeld) in de opening van de kabeltrekontlasting schuiven.
  • De kabelbinder wordt in de basiseenheid van de kabeltrekontlasting geschoven en komt er aan de andere opening weer uit.
  1. Kabelbinder doorhalen en stevig sluiten.

Kabelgeleiding monteren

Basiseenheid kabeltrekontlastingKabelgeleiding

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Leitungen in Flanschgehäuse führen\Flanschgehäuse Kabelführung montieren.jpg
DoorverbinddoosKabelbinder
  1. Kabelgeleiding in de geleider van de doorverbinddoos schuiven (onderaan afgebeeld)

of

Kabelgeleiding in de geleider tussen twee basiseenheden van de kabeltrekontlasting schuiven (bovenaan afgebeeld).

  1. Aansluitkabel met kabelbinder aan de kabelgeleiding bevestigen.

Doorverbinddoos sluiten

Sluitclip

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Leitungen in Flanschgehäuse führen\Flanschgehäuse schließen.jpg
Deksel
  1. Plaats het deksel in alle vier de hoeken op het huis.
  2. Deksel in alle vier de sluitclips tegelijkertijd vastklikken.

Schakelpunt voor de slagbegrenzer onder instellen

De takel heeft een eindschakelaar aandrijving met drie schakelpunten. De backup-begrenzer en de slagbegrenzer boven zijn in de fabriek ingesteld. De slagbegrenzer onder moet ter plaatse worden ingesteld.

Onderste haakstand van de lasthaak innemen

  1. Laat de lasthaak neer tot de gewenste onderste haakstand.
  • De lasthaak mag de vloer van de hal niet raken.
  • De kabel mag niet losjes hangen.
  • Tussen de kabelgeleiding en het trommelhuis moet een bepaalde minimale afstand worden aangehouden. Deze wordt in de volgende stap bepaald.
  • De haakverplaatsing (afstand tussen de bovenste haakstand (= haakmaat, C-maat) en de onderste haakstand) mag niet groter zijn dan op het typeplaatje aangegeven.
Alleen bij takel met een kabelgeleiding

Kabelgeleiding

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Danfoss Frequenzumrichter Heben\abstand F Festlagerseite messen 3.jpg
KabeltrommelTrommelhuis
  1. De afstand „F” tussen de kabelgeleiding en het trommelhuis meten en vergelijken met de tabel.

Takel

Type

Inschering

Afstand „F”

GM 800

E, D, DA

4/1

42 ± 2

GM 1000

E, D,
DA

4/1

2/1

56 ± 2

GM 2000

E, D,
DA, DQA

4/1

2/1

59 ± 2,5

GM 3000

E, D,
DA, DQA

4/1

2/1

73 ± 2,5

GM 5000

E, D, DA, DQA

4/1

2/1

87,5 ± 3

GM 5000

D

4/2

73 ± 2,5

GM 5000

Z

4/2

8/2

87,5 ± 3

GM 6000

E, D, DA, DQA

4/1

2/1

102 ± 3

GM 6000

Z

4/2

8/2

102 ± 3

GM 7000

D, DA,
DQA

2/1

4/1

6/1

131 ± 4

GM 7000

D

4/2

8/2

87 ± 3

GM 7000

Z, ZA

4/2

6/2

8/2

10/2

131 ± 4

Alleen bij takel met twee kabelgeleidingen

Kabelgeleiding

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Danfoss Frequenzumrichter Heben\Abstand F Festlagerseite D4-2 messen 3.jpg
KabeltrommelTrommelhuis
  1. Meet de afstand „F1” en „F2” tussen de kabelgeleidingen en het trommelhuis en vergelijk deze met de tabel.

Takel

Afstand „F1”

Afstand „F2”

GM 5000 - D

80 ± 3

76 ± 3

GM 7000 - D

84 ± 3

87 ± 3

  1. Verplaats de lasthaak indien nodig zo ver omhoog dat de afstand „F” of „F1” en „F2” wordt aangehouden.
Alleen bij eindschakelaar aandrijving „GGS”

Zegel losmaken

Zegel

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\GGS\Plombe unten ab.png
  1. Verwijder het behuizingsdeksel van de behuizing eindschakelaar hijsen op de kabeltrommel.
  2. Druk het zegel met een schroevendraaier in het midden uit elkaar en verwijder dit.

Slagbegrenzer onder instellen

De slagbegrenzer onder wordt met de linker stelschroef ingesteld.

Witte wijzer van de nokkenringOranje wijzer

Linker stelschroefInstelsleutel
  1. Pak de instelsleutel. Deze is in twee houders aan de eindschakelaar aandrijving bevestigd.

Er kan ook een zeskantschroevendraaier 3.0 (in het ideale geval een precisieschroevendraaier) worden gebruikt.

Een elektrische schroevendraaier mag NIET worden gebruikt.

  1. Druk de instelsleutel in de stelschroef. Hij moet met lichte druk in de stelschroef worden gedrukt.
  2. Indien nodig: draai zo lang tot de witte wijzer van de nokkenring rechts van de oranje wijzer staat. Hij mag niet links van de oranje wijzer of precies op de oranje wijzer staan.

De middelste witte pijl toont de exacte positie van het schakelpunt; de twee witte pijlen links en rechts daarvan tonen het begin en het einde van het schakelmoment (schakelhysterese).

  1. Draai de stelschroef zodanig dat de witte wijzer van de nokkenring tegen de klok in draait. Draai verder tot de witte wijzer precies op de oranje wijzer staat en er een klik te horen is.
  • Rechtsom draaien verschuift het schakelpunt naar beneden.
  • Linksom draaien verschuift het schakelpunt naar boven.
  1. Het schakelpunt voor de onderste haakstand is nu ingesteld. Op dit schakelpunt blijft de lasthaak in normaal bedrijf staan, nadat hij daarvoor is afgeremd. De remweg wordt in de volgende stap automatisch bepaald door ABUControl.
Alleen bij eindschakelaar aandrijving „GPK”

Slagbegrenzer onder instellen

De slagbegrenzer onder wordt met de voorste stelschroef ingesteld.

MicroschakelaarSchakelnok

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Nocke einstellen unten 3.jpg
Stelschroef
  1. Voorste stelschroef zo lang draaien tot de schakelnok rechts van de microschakelaar staat. Hij mag niet links van de microschakelaar of exact op de microschakelaar staan.
  2. Draai de stelschroef zo lang naar links tot de schakelnok linksom tegen de microschakelaar drukt en er een klik te horen is.
  1. Het schakelpunt voor de onderste haakstand is nu ingesteld. Op dit schakelpunt blijft de lasthaak in normaal bedrijf staan, nadat hij daarvoor is afgeremd. De remweg wordt in de volgende stap automatisch bepaald door ABUControl.
  • Nu is de onderste haakstand van de lasthaak bepaald.

Remweg bepalen

In normaal bedrijf remt de lasthaak af tot lage hijssnelheid voordat hij op de onderste haakstand blijft staan. 

De remweg daarvoor bepaalt ABUControl automatisch.

  1. Lasthaak zonder last enkele meters naar boven bewegen.
  2. Lasthaak met hoge hijssnelheid naar beneden bewegen.
  • Op de onderste haakstand blijft de lasthaak staan.

Afhankelijk van hoe het schakelpunt eerder is gewijzigd, kan het zijn dat de lasthaak met hoge hijssnelheid tot het schakelpunt beweegt en daar plotseling blijft staan of dat de lasthaak vroeger afremt dan nodig en een langer stuk met lage hijssnelheid beweegt.

Indien de lasthaak zeer lang met lage hijssnelheid zou moeten bewegen, kan de eindpositie van de remfase handmatig worden gewijzigd. Zie „Eindpositie van de remfase van de aandrijving hijswerk tijdelijk wijzigen”.

  • ABUControl slaat het nieuwe schakelpunt van de onderste haakstand op en berekent de vereiste remweg automatisch.

Als het schakelpunt de volgende keer wordt bereikt:

  • De lasthaak remt (afhankelijk van de actuele hijssnelheid) kort voor de onderste haakstand af tot lage hijssnelheid.
  • Direct voor het schakelpunt beweegt de lasthaak slechts nog met lage hijssnelheid.
  • Op het schakelpunt blijft de lasthaak staan.

Instelling controleren

  1. Verplaats de lasthaak naar boven.
  2. Lasthaak op lage en op hoge snelheid neerlaten en controleren of de lasthaak in de onderste haakstand blijft staan.
Alleen bij eindschakelaar aandrijving „GGS”

Stelschroeven verzegelen

Zegel

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\GGS\Plombe unten drauf.png
  1. Plaats het zegel op de stelschroef en druk het erin.

Afstandsensor monteren, instellen en programmeren

Bij afstandsensor verplaatsing loopkat: de loopkatten meten via de afstandsensor met een laserstraal telkens hun afstand tot het einde van de hoofdtraverse. Door middel van deze meting wordt de voor- en eind-uitschakeling gerealiseerd (in plaats van de gebruikelijke kruisschakelaars) en door de daaruit berekende positie van beide loopkatten ook de botsbeveiliging (in plaats van de gebruikelijke reflectielichtsluizen). In synchroon bedrijf van beide loopkatten wordt de steeds gelijkblijvende afstand tussen de loopkatten eveneens hieruit berekend en dienovereenkomstig geregeld.

Bij afstandsensor verplaatsing kraan: de kranen meten via de afstandsensor met een laserstraal hun afstand tot de tegenkraan (of tot beide tegenkranen). Daardoor wordt de voor- en eind-uitschakeling tot de tegenkraan of tegenkranen gerealiseerd (in plaats van de gebruikelijke reflectielichtsluizen). Bovendien wordt de steeds gelijkblijvende afstand in tandembedrijf geregeld. De voor- en eind-uitschakeling tot het einde van de kraanbaan wordt via kruisschakelaars gerealiseerd.

Bij een kraanafstandregeling om statische redenen of een lastafhankelijke kraanafstandregeling worden meestal reflectielichtsluizen of eenrichtingslichtsluizen gebruikt. Bij een halprofielbesturing worden kruisschakelaars of een absoluut meetsysteem gebruikt.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Overzicht: afstandsensor en reflector

  • Bij afstandsensor verplaatsing kraan: de afstandsensor van de kraan en de reflector voor de afstandsensor van de tegenkraan worden op een gemeenschappelijke houder aan de loopwerkdrager bevestigd. Op de tegenkraan zijn de posities van afstandsensor en reflector omgekeerd. De laserstralen van de afstandsensor mogen niet kruisen.
\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Distanzsensor Übersicht Kran 3.jpg
  • Bij afstandsensor verplaatsing loopkat aan takel GM modular: De afstandsensor wordt op een houder vanaf de zijkant in de afdekking van de kabeltrommel geschoven. De reflector wordt als plakfolie op de loopwerkdrager van de kraan of op een vierkante buis geplakt.
  • Bij afstandsensor verplaatsing loopkat aan takel GM kompakt: de afstandsensor wordt met een magneetvoet aan het loopkatframe gemonteerd. De reflector wordt als plakfolie op de loopwerkdrager van de kraan of op een vierkante buis geplakt.
\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Distanzsensor Übersicht Katze 3.jpg

Afstandsensor monteren

De afstandsensor wordt ofwel met een houder aan de loopwerkdrager of aan een vierkante buis bevestigd of met een magneetvoet op de takel aangebracht.

Alleen bij afstandsensor aan vierkante buis

Houder voor foto-elektrische beveiligingen monteren

Draadbeugel

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Einträger-Laufkran\Strommitnehmer montieren 3.JPG
HouderBuisklem
  1. Houder aan de loopwerkdrager bevestigen.
  2. Houder met draadbeugel vastschroeven.

Draadbeugel

Aanhaalkoppel

M8

25 Nm

M10

50 Nm

M12

75 Nm

  1. Buisklemmen (2x) erop schuiven en bevestigen.
  2. Vierkante buis in de buisklemmen schuiven en vastschroeven.

AdapterBevestigingsplaat

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Laser montieren 3.jpg
Afstandsensor
  1. De volledige houder op de vierkante buis schuiven.
  2. Houder stevig vastschroeven met zelfborgende moeren met karteling M8 (4x).
  3. Afstandsensor in de adapter op de bevestigingsplaat schuiven en bouten vastschroeven.
Alleen bij afstandsensor aan magneetvoet
  1. De juiste maat en het juiste type uit de onderstaande tekeningen kiezen.
  2. De maten A en B uit de volgende tabellen aflezen.

Magneetvoet

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Montage LDS an Katzen E 3.png

Montagepositie van de magneetvoet aan takel E

Maat

Maat A

Maat B

800 4/1

130

100

1000 2/1

130

130

1000 4/1

130

130

2000 2/1

130

130

2000 4/1

130

160

3000 2/1

130

160

3000 4/1

130

160

5000 2/1

130

160

5000 4/1

130

200

6000 2/1

130

160

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Montage LDS an Katzen S 3.png

Montagepositie van de magneetvoet aan takel S. Rekening houden met maat C en afstandsensor zo veel mogelijk in het midden aan de kabelaandrijving bevestigen.

Maat

Maat A

800 4/1

140

1000 4/1

180

2000 4/1

180

3000 2/1

180

3000 4/1

245

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Montage LDS an Katzen U 3.png

Montagepositie van de magneetvoet aan takel U. Rekening houden met de verschillende posities voor linker en rechter afstandsensor.

Maat

Maat A

Maat B

Maat C

Maat D

5000 4/1

330

350

310

660

6000 2/1

325

640

285

560

6000 4/1

400

320

370

595

7000 2/1

360

420

450

550

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Montage LDS an Katzen D 3.png

Montagepositie van de magneetvoet aan takel D.

Maat

Maat A

Maat B

800 4/1

210

60

1000 4/1

200

50

2000 2/1

200

50

2000 4/1

200

50

3000 2/1

225

50

3000 4/1

225

50

5000 2/1

200

50

5000 4/1

130

50

5000 4/2

200

50

5000 6/1

130

50

6000 2/1

200

45

6000 4/1

170

50

6000 6/1

200

50

7000 2/1

190

50

7000 4/1

190

50

7000 4/2

190

50

7000 6/1

190

60

7000 8/2

190

50

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Montage LDS an Katzen DA 3.png

Montagepositie van de magneetvoet aan takel DA.

Maat

Maat A

Maat C

800 4/1

540

30

1000 4/1

250

35

2000 2/1

520

55

2000 4/1

520

55

3000 2/1

470

50

3000 4/1

550

60

5000 2/1

550

45

5000 4/1

610

55

6000 2/1

565

50

6000 4/1

700

55

7000 2/1

590

70

7000 4/1

390

170

7000 6/1

350

200

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Montage LDS an Katzen DQA 3.png

Montagepositie van de magneetvoet aan takel DQA. Rekening houden met maat C en afstandsensor zo veel mogelijk in het midden aan de kabelaandrijving bevestigen.

Maat

Spoor

Maat C

2000

1400

100

3000

1400

85

2000

1600

100

3000

1600

85

5000

1600

75

6000

1600

80

2000

2000

95

3000

2000

85

5000

2000

75

6000

2000

85

2000

2500

100

3000

2500

80

5000

2500

75

6000

2500

85

7000

2500

100

7000

3000

100

7000

3500

100

Montagepositie van de magneetvoet aan takel Z.

Maat

Maat B

5000 4/2

535

5000 8/2

580

6000 4/2

565

6000 8/2

570

7000 4/2

725

7000 6/2

850

7000 8/2

660

7000 10/2

300

7000 12/2

470

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Montage LDS an Katzen ZA 3.png

Montagepositie van de magneetvoet aan takel ZA.

Maat

Maat A

Maat C

5000 8/2

315

355

6000 8/2

315

200

7000 6/2

440

500

7000 8/2

420

482

7000 10/2

500

570

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\distanzsensor Magnethalterung montieren 3.jpg
Magneetvoet
  1. Magneetvoet aanbrengen op takel.

De aangegeven positie heeft daarbij betrekking op de positie op de afstandsensor waar de laserstraal uit de afstandsensor komt.

Afhankelijk van de montagesituatie is de positie voor de magneetvoet mogelijk al gemarkeerd.

Alleen bij takel GM modular

Trommelzijde

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Seilzug E\Seilzug modular neu\Abdeckung abnehmen.jpg
  1. Afdekking van de trommelzijde nemen.

Montagebeugel

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Distanzsensor Halterung Seilzug modular 3.jpg
  1. Montagebeugel met de sleuf vanaf de zijkant in de afdekking schuiven.
  2. Afdekking op de takel plaatsen.
  3. Afstandsensor in de adapter op de bevestigingsplaat schuiven en bouten vastschroeven.

Reflector monteren

  1. Bij tandemregeling: kranen op een zo groot mogelijke afstand brengen.
  2. Bij synchroon bedrijf van twee loopkatten: loopkatten op een zo groot mogelijke afstand brengen.
Alleen bij reflector als plakfolie
  1. Reflector als plakfolie zodanig positioneren dat de laserpunt zo veel mogelijk in het midden staat.

De precieze instelling wordt later met de afstandsensor uitgevoerd. De positie van de opgeplakte plakfolie kan niet meer worden gecorrigeerd.

  1. Plakfolie aandrukken.
Alleen bij reflector aan een vierkante buis

Draadbeugel

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Reflektor\Reflektor Halterung dran.png
HouderBuisklem
  1. Houder met draadbeugel vastschroeven.

Draadbeugel

Aanhaalkoppel

M8

25 Nm

M10

50 Nm

M12

75 Nm

  1. Buisklemmen (2x) erop schuiven en bevestigen.

Vierkante buis

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Reflektor\Reflektor Rohr dran.png
Reflector
  1. Vierkante buis in de buisklemmen schuiven.
  2. Reflector op vierkante buis schuiven.
  3. Reflector zo verschuiven dat de laserpunt zo veel mogelijk in het midden staat.

De precieze instelling wordt later met de afstandsensor uitgevoerd.

  1. Buisklemmen en reflector stevig vastschroeven met zelfborgende moeren met karteling M8 (4x).

Afstandsensor instellen

Alleen bij houder

Cilinderkopbout M6x20

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Laser einstellen 3.jpg
  1. Afstandsensor met cilinderkopbouten M6x20 (3x) zo instellen dat de laserpunt precies in het midden op de reflector staat.
  1. Wanneer de afstandsensor de door de reflector teruggekaatste laserstraal ontvangt, gaan de leds van de afstandsensor branden.
  2. Wanneer de afstandsensor de laserstraal niet ontvangt, knippert één van de leds.
Alleen bij magneetvoet

Afstandsensor met de grove en fijne instelling zodanig instellen dat de laserpunt precies in het midden op de reflector staat.

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Laser einstellen Hufeisen 3.jpg
Cilinderkopbout voor de fijne instellingCilinderkopbout voor de grove instelling
  1. Cilinderkopbout in slobgat voor de grove instelling losdraaien en afstandsensor kantelen.
  2. Indien nodig: cilinderkopbout voor de fijne instelling losdraaien en de afstandsensor nauwkeurig instellen met de korte, dwars liggende cilinderkopbout.
  1. Wanneer de afstandsensor de door de reflector teruggekaatste laserstraal ontvangt, gaan de leds van de afstandsensor branden.
  2. Wanneer de afstandsensor de laserstraal niet ontvangt, knippert één van de leds.
  1. De lange cilinderkopbouten (2x) vastschroeven.
  1. Met de kraan (of de loopkat) over het volledige verplaatsingsbereik bewegen en controleren of de laserstraal op elke positie de reflector raakt en niet zijwaarts of naar boven/onder dwaalt.

Instellingen voor afstandsensor oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Verplaatsen kraan” 🡪 „Afstandsensoren verplaatsing kraan”

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Verplaatsen loopkat” 🡪 „Afstandsensoren verplaatsing loopkat”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu de gewenste loopwerkaandrijving loopkat of loopwerkaandrijving kraan selecteren (bijv. verplaatsing loopkat 1 of verplaatsing kraan).
  • Het venster voor de gewenste loopwerkaandrijving verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Afstandsensoren verplaatsing kraan” (of „Afstandsensoren verplaatsing loopkat”) aanklikken.

Afstandsensor programmeren

Nu wordt de afstandsensor geprogrammeerd. Daarvoor wordt de kraan/loopkat in de gewenste positie verplaatst en in ABUControl opgeslagen welke waarde de afstandsensor voor deze positie bepaalt.

Schakelaar „Programmeermodus“

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Distanzsensor Kranfahrt.png
Tekstveld met actuele positieKnop „PLC schrijven”
  1. Schakelaar „Programmeermodus” aanklikken.
  • De schakelaar krijgt een groene ondergrond.
  • De programmeermodus is ingeschakeld.
  • De melding „Eindschakelaar overbruggen“ wordt weergegeven.

Eventueel eerder opgeslagen schakelpunten voor voor-uitschakeling en eind-uitschakeling worden nu genegeerd.

Daardoor kan de loopkat (of kraan) in willekeurige nieuwe posities worden verplaatst.

  • Een melding verschijnt naar welk schakelpunt (voor-uitschakeling of eind-uitschakeling) nu moet worden gereden.
  1. De loopkat (of kraan) naar de desbetreffende positie rijden.

De afstandsensor moet daarbij minstens 0,35 m van de reflector verwijderd zijn.

  1. In de kolom voor het schakelpunt dat moet worden geprogrammeerd: knop „PLC schrijven” aanklikken.
  • De gemeten waarde voor de actuele positie wordt in het tekstveld weergegeven.

De weergegeven waarde is een meetwaarde zonder maateenheid, waaruit later de positie wordt berekend.

  1. Procedure voor alle volgende schakelpunten herhalen.

Nadat de schakelpunten zijn opgeslagen:

  • De programmeermodus wordt automatisch beëindigd.
  • De overbrugging van de eindschakelaar wordt automatisch uitgeschakeld.

Lastmeetsysteem met een opgetilde testlast kalibreren

Het lastmeetsysteem bepaalt continu de actuele last aan de lasthaak. Deze waarde is voor veel functies van de kraan nodig, in het bijzonder voor de overlastbeveiliging.

Het lastmeetsysteem moet eenmalig met een opgetilde testlast gekalibreerd worden om de bevestigde last te kunnen analyseren.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Voorwaarde voor de kalibratie:

  • Voor de kalibratie is een testlast vereist.
  • De massa van de testlast moet exact bekend zijn.
  • De massa van de testlast moet indien mogelijk gelijk zijn aan het maximale draagvermogen van de kraan/loopkat of zo dicht mogelijk bij het maximale draagvermogen van de kraan/loopkat liggen.

Voor de dynamische controle van het maximale draagvermogen van de kraan wordt meestal een testlast met 110% van het maximale draagvermogen van de kraan gebruikt. Deze kan doorgaans ook voor de kalibratie gebruikt worden.

Een last boven het maximale draagvermogen van de kraan mag uitsluitend door een persoon worden gehesen die capabel is voor de keuring voor de eerste inbedrijfstelling van kraaninstallaties.

Bij een last boven 110% van het maximale draagvermogen van de kraan blokkeert ABUControl de hijsfunctie. De last kan niet meer worden gehesen, maar alleen nog worden neergelaten.

Kalibratie hijswerk oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk” 🡪 „Kalibratie hijswerk”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Kalibratie hijswerk” aanklikken.

Lastmeetkanalen selecteren

Voor het kalibreren met een opgetilde testlast is het linkergedeelte in het venster „Kalibratie hijswerk” bestemd. Het rechtergedeelte met de knop „Lastsensor kalibreren” is daarentegen alleen nodig als de ankerbloktraverse of de lastsensor is vervangen.

Invoerveld TestlastKnop „Lastsensor kalibreren”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Lastmesskanäle auswählen.png
Werkelijke waarde lastsensorKnop „Kalibratiewaarde overnemen”
  • Het venster „Kalibratie hijswerk” verschijnt.
  • In het veld „Werkelijke waarde lastsensor” wordt de actuele meetwaarde van de lastsensor weergegeven en continu bijgewerkt.

De actuele waarden in de regels „Proportionele waarde” en „Werkelijke waarde lastsensor” zijn meetwaarden zonder maateenheid, waaruit later de last wordt berekend.

Nullast kalibreren

  1. Indien nodig: last en bevestigingsmiddel uit de lasthaak nemen.
  2. Lege lasthaak zodanig hijsen/neerlaten dat hij relatief ver bovenaan hangt, bijv. ongeveer een meter onder de bovenste haakstand.

Daardoor wordt het gewicht van de afgewikkelde kabel niet mee gemeten.

Gemeten proportionele waarde

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Nulllast kalibrieren.png
Knop „Kalibratiewaarde overnemen”
  • Knop „Kalibratiewaarde overnemen” in de kolom „Kalibratie bij nullast” aanklikken.
  • De actuele waarde wordt opgeslagen als nullast en weergegeven in het veld „Proportionele waarde” in de kolom „Kalibratie bij nullast”.

Testlast kalibreren

Invoerveld „Testlast”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Prüflast kalibrieren.png
Knop „Kalibratiewaarde overnemen”
  1. Het invoerveld „Testlast” in de kolom „Kalibratie bij testlast” aanklikken.
  2. De massa van de testlast invoeren.
  • De ingevoerde waarde wordt overgenomen.
  1. Bepalingen inzake veilig werken in acht nemen en testlast optillen.
  2. Wachten tot de testlast rustig in de lasthaak hangt.
  3. Knop „Kalibratiewaarde overnemen” in de kolom „Kalibratie bij testlast” aanklikken.
  • De bij de huidige testlast bepaalde waarde wordt opgeslagen. De waarde die wordt weergegeven in het veld „Proportionele waarde“ in de kolom „Kalibratie bij testlast“ heeft daarbij betrekking op het draagvermogen van de kraan. Als de kraan is gekalibreerd met een testlast die lager is dan het draagvermogen, wordt de waarde in het veld "Proportionele waarde" geëxtrapoleerd naar het draagvermogen. De weergegeven waarde in het veld "Proportionele last" is dan hoger dan de waarde in het veld "Werkelijke waarde lastsensor".

Overlastbeveiliging overbruggen

Voor de keuring voor de eerste inbedrijfstelling moet een statische controle met het 1,25-voudige gewicht van het maximale draagvermogen van de kraan en een dynamische controle met het 1,1-voudige gewicht van het maximale draagvermogen van de kraan worden uitgevoerd.

Daarvoor moet de overlastbeveiliging van de kraan worden overbrugd.

Als er een last van meer dan 110% van het maximale draagvermogen wordt gehesen:

  • De overlastbeveiliging van de kraan reageert.
  • De last kan niet verder worden gehesen.
  • De last kan alleen nog worden neergelaten.

Als de overlastbeveiliging wordt overbrugd nadat deze bij meer dan 110% heeft gereageerd:

  • De last kan nu verder worden gehesen.
  • Als de last onder 100% van het maximale draagvermogen wordt verlaagd, kan de last direct weer zonder overbrugging van de overlastbeveiliging worden gehesen en neergelaten.

Overlastbeveiliging overbruggen

Overlastbeveiliging per koppeling overbruggen:

Stiftklemmenstrip ‑X103

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Überlastsicherung brücken 3.jpg
Koppeling met jumper
  1. Loopkatbesturing openen.
  2. Stiftklemmenstrip ‑X103 zoeken.
  3. Tweepolige koppeling met jumper in de stiftklemmenstrip steken.

Een passende koppeling met jumper bevindt zich in de documentatiemap/het onderhoudsboek van de kraan.

  • De overlastbeveiliging is nu overbrugd.

Bij matrixdisplay met leds: de melding „F0021: Overlastbeveiliging overbrugd” wordt weergegeven.

  • Na 15 minuten: de overlastbeveiliging wordt automatisch weer ingeschakeld.

Bij matrixdisplay met leds: de melding „F0022: Overlastbeveiliging overbrugd: tijd overschreden” wordt weergegeven.

Als de overlastbeveiliging weer overbrugd moet worden, moet eerst de koppeling worden verwijderd en dan weer opnieuw worden aangebracht.

Als de koppeling met jumper is aangebracht en ABUControl opnieuw wordt gestart, is de overlastbeveiliging niet automatisch overbrugd. In plaats daarvan wordt de melding „F0023: Overlastbeveiliging: overbrugging verwijderen” weergegeven.

De overlastbeveiliging wordt alleen overbrugd als de koppeling met jumper bij een ingeschakelde kraan wordt aangebracht.

Overlastbeveiliging per KranOS overbruggen:

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker ‚SERVICE’ 🡪 „Hijswerk“

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Überbrücken Überlast 3.png
Knop „Overbrugging beveiliging overbelasting”
  1. Knop „Overbrugging beveiliging overbelasting” aanklikken.
  • De knop krijgt een rode ondergrond.
  • De overlastbeveiliging is nu overbrugd.
  • Na 15 minuten: de overlastbeveiliging wordt automatisch weer ingeschakeld.

Als de overlastbeveiliging daarna weer overbrugd moet worden, moet de knop opnieuw worden aangeklikt.

Overlastbeveiliging weer activeren

Zodra de statische en dynamische controle beëindigd zijn:

  1. Koppeling van de stiftklemmenstrip ‑X103 verwijderen.

of

Knop „Overbrugging beveiliging overbelasting” aanklikken.

  • De overlastbeveiliging is weer ingeschakeld.
  • De knop heeft geen rode ondergrond meer.
  1. Noodstop-knop indrukken en weer ontgrendelen.

of

Claxon indrukken.

  • De melding aan ABUControl is daardoor bevestigd.

Foto-elektrische beveiliging voor signaaloverdracht bij lastafhankelijke kraanafstandregeling monteren

Bij een lastafhankelijke kraanafstandregeling moet in beide besturingen van kraan en tegenkraan bekend zijn of momenteel aan de andere kraan de ingestelde last is onder- of overschreden. Deze informatie wordt met een foto-elektrische beveiliging tussen beide kranen overgedragen. Elke kraan heeft daarvoor een foto-elektrische beveiliging voor signaaloverdracht als zender en een als ontvanger.

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Tandem-Steuerung ABUSpeiKS\Anordnung Lichtschranken 3.wmf
  • De foto-elektrische beveiligingen voor de overdracht van het vrijgavesignaal worden aan de tegenover elkaar liggende uiteinden van de loopwerkdragers van de kranen gemonteerd.
  • Aan elke kraan wordt een zender en een ontvanger gemonteerd.
  • Aan de ene kraan wordt de zender bovenaan en de ontvanger onderaan gemonteerd. Aan de andere kraan omgekeerd.

Houder voor foto-elektrische beveiligingen monteren

Draadbeugel

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Einträger-Laufkran\Strommitnehmer montieren 3.JPG
HouderBuisklem
  1. Houder aan de tegenover elkaar liggende uiteinden van de loopwerkdrager bevestigen.
  2. Houder met draadbeugel vastschroeven.

Draadbeugel

Aanhaalkoppel

M8

25 Nm

M10

50 Nm

M12

75 Nm

  1. Buisklemmen (2x) erop schuiven en bevestigen.
Alleen bij boven elkaar aangebrachte foto-elektrische beveiligingen

Houder voor foto-elektrische beveiligingen

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Tandem-Steuerung ABUSpeiKS\Halterung Lichtschranke montieren 3.jpg
Buisklemmen
  1. Houder voor foto-elektrische beveiligingen (2x) in de buisklemmen schuiven.
  2. Houders uitlijnen en buisklemmen stevig vastschroeven.

Foto-elektrische beveiligingen monteren

Foto-elektrische beveiligingen

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Lichtschranke montieren Abstand egal 3.jpg
  1. Foto-elektrische beveiligingen in de houders schuiven.
  2. Foto-elektrische beveiligingen stevig vastschroeven.
  3. Aansluitkabels van de foto-elektrische beveiligingen tot aan de kraanrelaiskast leggen en bevestigen met kabelbinders.
Alleen bij naast elkaar aangebrachte foto-elektrische beveiligingen

Als door de lage montagehoogte van de kraan boven de hoofdtraverse weinig plaats is, kunnen de foto-elektrische beveiligingen niet boven elkaar, maar met extra houders naast elkaar worden gemonteerd.

Houder voor foto-elektrische beveiligingen

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Tandem-Steuerung ABUSpeiKS\Halterung Lichtschranke doppelt montieren 3.jpg
Buisklemmen
  1. Houder voor foto-elektrische beveiligingen (4x) in de buisklemmen schuiven.
  2. Houders uitlijnen en buisklemmen stevig vastschroeven.

Foto-elektrische beveiligingen monteren

Foto-elektrische beveiligingen

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Lichtschranke montieren nebeneinander 3.jpg
  1. Foto-elektrische beveiligingen in de houders schuiven.
  2. Foto-elektrische beveiligingen stevig vastschroeven.
  3. Aansluitkabels van de foto-elektrische beveiligingen tot aan de kraanrelaiskast leggen en bevestigen met kabelbinders.
Alleen bij foto-elektrische beveiligingen op de loopwerkdrager

Foto-elektrische beveiligingenHouder voor foto-elektrische beveiligingen

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Lichtschranke auf FWT montieren 3.jpg
Zelfborgende bouten met karteling M8x20
  1. Houder voor foto-elektrische beveiligingen op de boringen in de loopwerkdrager plaatsen.
  2. Houder voor foto-elektrische beveiligingen vastschroeven met zelfborgende bouten met karteling M8x20.
  3. Foto-elektrische beveiligingen in de houders schuiven.
  4. Foto-elektrische beveiligingen stevig vastschroeven.
  5. Aansluitkabels van de foto-elektrische beveiligingen tot aan de kraanrelaiskast leggen en bevestigen met kabelbinders.

Foto-elektrische beveiligingen uitlijnen

Groene led: bedrijfsspanningGele led (alleen aan ontvanger): visueel contact met zender bestaat

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Lichtschranken ausrichten 3.jpg
Zelfborgende moeren voor uitlijnen
  1. Beide foto-elektrische beveiligingen aan kraan en tegenkraan met de zelfborgende moeren exact naar elkaar uitlijnen. De gele led van de ontvanger moet branden.
  • Groene led (aan zender en ontvanger): bedrijfsspanning is aanwezig.
  • Gele led (alleen aan ontvanger): visueel contact met zender bestaat.
  1. Zodra de kraan kan worden verplaatst: met kraan en tegenkraan in verschillende afstanden over de volledige kraanbaan rijden en controleren of de uitlijning van de foto-elektrische beveiligingen klopt (de gele led op de ontvanger (visueel contact bestaat) moet over het gehele verplaatsingsbereik branden). Indien nodig, foto-elektrische beveiligingen opnieuw uitlijnen.

Door afwijkingen in de positie van de kraanbaan kan de uitlijning van de foto-elektrische beveiligingen van elkaar afwijken.

Antenne met magneetvoet voor draadloze overdrachtsmodule aanbrengen

In tandembedrijf worden de ABUControl-besturingen van beide kranen draadloos via een draadloze overdrachtsmodule met elkaar verbonden en dragen wederzijds bedrijfsmodi over.

De antennes met magneetvoet van de draadloze overdrachtsmodule moeten afhankelijk van de omstandigheden in de hal aan de loopkatten worden aangebracht.

Bij kranen met tandemregeling:

De antennes met magneetvoet van de draadloze overdrachtsmodule zijn aangesloten, de aansluitkabels zijn gelegd en uit de relaiskast geleid of hiervoor voorbereid.

LoopkatframeAntenne met magneetvoet

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Antenne positionieren 3.jpg
Voorbeeld: antenne met magneetvoet op loopkatframe
  • De antennes met magneetvoet indien mogelijk zodanig op de twee loopkatten aanbrengen, dat er visueel contact tussen beide bestaat.
  • Afhankelijk van het type van kraan en loopkat, hoogte van de hoofdtraverse en de omstandigheden in de hal kan de antenne met magneetvoet bijv. op het loopkatframe of op de loopwerkdrager aan de andere zijde van het loopkatframe worden aangebracht, zodat deze in de richting van de partnerkraan wijst. De aansluitkabel van de antenne met magneetvoet is lang genoeg en kan door de aanwezige installatiegoten worden gelegd.
  • Indien nodig, de aansluitkabel van de antenne met magneetvoet uit de relaiskast leiden. Zie „Aansluitkabels in de doorverbinddoos leggen”.
  • Breng de antenne met magneetvoet zodanig aan dat deze bij verplaatsing van de kraan of verplaatsing van de loopkat nergens blijft hangen.

inclinometer monteren en aansluiten

Bij de functie Lasthaakgeleiding/lasthaakcentrering (optie) wordt de doorbuiging van de kabel gemeten via een inclinometer.

Eerst moet de inclinometer worden gemonteerd en moet er een kalibratierit worden uitgevoerd, waarbij de nulstand van de kabel wordt opgeslagen. Zie „Inclinometer kalibreren“. Vervolgens moet in KranOS de uitlijning van de inclinometer worden opgegeven.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Kabelhoekvolger voorbereiden

Alleen bij inclinometer voor takel D met inschering 4/2 of 8/2 en bij takel Z

Bij een takel van het type D met inschering 4/2 of 8/2 of bij een takel type Z wordt een meerdelige kabelhoekvolger gemonteerd, die rond de kabel wordt bevestigd. Op de kabelhoekvolger is de inclinometer gemonteerd, die de kantelhoek van de kabel meet. De kabel kan door de kabelhoekvolger lopen. Om de kabelhoekvolger rond de kabel te kunnen bevestigen, moet de kabelhoekvolger eerst uit elkaar worden gehaald, zodat de twee helften rond de kabel in elkaar kunnen worden gezet.

Als de takel van of aan de kraan wordt gedemonteerd, gemonteerd, met een kraan of vorkheftruck wordt vervoerd of op een vrachtwagen wordt gemonteerd, moet de kabelhoekvolger worden gedemonteerd om beschadiging te voorkomen.

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM7000 4-2\Stifte raus.png
Cilindrische penCilindrische pen
  1. Cilindrische pennen (2x) eruit trekken.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM7000 4-2\Schrauben raus.png
Bolkopschroef K4x17
  1. Bolkopschroeven K4x17 (2x) losmaken.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM7000 4-2\Halterung auseinander.png
Halve cirkelvormige drager met steunarmenHalve crikelvormige drager
  1. De halve cirkelvormige dragers van de kabelhoekvolger uit elkaar trekken.

Inclinometer monteren

Alleen bij takel met ankerbloktraverse

Bij takels met een ankerbloktraverse wordt de inclinometer met een klembevestiging aan het draadhuis bevestigd.

PlaatDraadhuis

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor an Seiltasche\Halter dran.png
Cilinderkopbout M4x16Houder
  1. Houder, plaat en tegenhouder met cilinderschroeven M4x16 (3x) rond het draadhuis klemmen.
  2. Cilinderkopbouten M4x16 (3x) in de persmoeren van de tegenhouder schroeven. 5 Nm.

PersmoerInclinometer

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor an Seiltasche\Seilwinkelsensor festschrauben.png
PlaatZeskantmoer M4
  1. Inclinometer met cilinderkopbouten M4x16 (2x) aan de plaat vastschroeven. 5 Nm.

Aan de achterkant van de plaat zitten persmoeren waarin de cilinderkopbouten worden geschroefd.

Alleen bij takel D met inschering 4/2 of 8/2 en bij GM 5000

Bij de takel D GM 5000 met inschering 4/2 of 8/2 is de lasplaat aan de binnenkant vastgelast aan de zijwand van de houder voor de traverse met keerrol, waaraan de kabelhoekvolger wordt bevestigd.

Zelfborgende bout met karteling M6x12Lasplaat

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM5000 4-2\Halter dran.png
HouderZijwand
  1. Houder met zelfborgende bouten met karteling M6x12 (2x) aan de lasplaat aan de binnenkant van de zijwand vastschroeven. 19 Nm.

Zeskantbout M6x25Houder

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM5000 4-2\Seilwinkelfolger an Halter.png
SluitringMoer M6
  1. Zeskantbout M6x25 met sluitring door de kruisophanging aan de draagarm en door de houder duwen.
  2. Moer M6 met sluitring op de zeskantbout M6x25 schuiven en vastschroeven. 10 Nm.

Halve crikelvormige drager met draagarm

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM5000 4-2\Halbkreisträger dran.png
Halve crikelvormige dragerBolkopschroef K4x17
  1. De eerder losgemaakte halve cirkelvormige drager aan de gemonteerde halve cirkelvormige drager met draagarm met bolkopschroeven K4x17 (2x) schroeven. 1 Nm.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM5000 4-2\Zylinderstift rein.png
Halve crikelvormige dragerCilindrische pen
  1. Cilindrische pennen (2x) via de vergrendeling tot aan de aanslag in de halve cirkelvormige dragers duwen.

InclinometerPlaat

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM5000 4-2\Seilwinkelsensor dran.png
Binnenzeskantbout M4x12Borgring
  1. Inclinometer met binnenzeskantbouten M4x12 (2x) en borgringen (2 stuks) op de plaat van de kabelhoekvolger vastschroeven. 3 Nm.
Alleen bij takel D met inschering 4/2 of 8/2 en bij GM 7000

Bij de takel van het type D GM 7000 met inschering van 4/2 of 8/2 is de lasplaat aan de buitenkant aan de zijwand van de houder voor de traverse met keerrol gelast, waaraan de kabelhoekvolger wordt bevestigd.

Zelfborgende bouten met karteling M6x12Lasplaat

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM7000 4-2\Halter dran.png
Houder
  1. Houder met zelfborgende bouten met karteling M6x12 (2x) aan de lasplaat aan de buitenkant van de zijwand vastschroeven. 19 Nm.

Zeskantbout M6x25Houder

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM5000 4-2\Seilwinkelfolger an Halter.png
SluitringMoer M6
  1. Zeskantbout M6x25 met sluitring door de kruisophanging aan de draagarm en door de houder duwen.
  2. Moer M6 met sluitring op de zeskantbout M6x25 schuiven en vastschroeven. 10 Nm.

Halve crikelvormige drager met draagarm

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM5000 4-2\Halbkreisträger dran.png
Halve crikelvormige dragerBolkopschroef K4x17
  1. Halve crikelvormige drager aan de halve crikelvormige drager met draagarm met bolkopschroeven K4x17 (2x) vastschroeven. 1 Nm.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM5000 4-2\Zylinderstift rein.png
Halve crikelvormige dragerCilindrische pen
  1. Cilindrische pennen (2x) via de vergrendeling tot aan de aanslag in de halve cirkelvormige dragers duwen.

InclinometerPlaat

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug D\GM5000 4-2\Seilwinkelsensor dran.png
Binnenzeskantbout M4x12Borgring
  1. Inclinometer met binnenzeskantbouten M4x12 (2x) en borgringen (2 stuks) op de plaat van de kabelhoekvolger vastschroeven. 10 Nm.
Alleen bij takel Z

Bij de takel van het type Z is aan de onderzijde van het loopkatframe een lasplaat bevestigd, waaraan de kabelhoekvolger wordt bevestigd.

Lasplaat

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug Z\Halter dran.png
HouderZelfborgende bout met karteling M6x12
  1. Houder met zelfborgende bouten met karteling M6x12 (2x) aan de lasplaat vastschroeven. 19 Nm.

Zeskantbout M6x25Sluitring

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug Z\Football dran.png
Draagarm met kruisophangingHouder
  1. Zeskantbout M6x25 met sluitring door de kruisophanging aan de draagarm en door de houder duwen.

Sluitring

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug Z\Mutter drauf.png
Moer M6
  1. Moer M6 met sluitring op de zeskantbout M6x25 schuiven en vastschroeven. 10 Nm.

Halve crikelvormige drager

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug Z\Halbkreiträger dran.png
Bolkopschroeven K4x17Halve cirkelvormige drager met steunarmen
  1. Halve crikelvormige drager aan de halve crikelvormige drager met draagarm met bolkopschroeven K4x17 vastschroeven. 1 Nm.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug Z\Zylinderstift rein.png
Halve crikelvormige dragerCilindrische pen
  1. Cilindrische pennen (2x) via de vergrendeling tot aan de aanslag in de halve cirkelvormige dragers duwen.

Binnenzeskantbout M4x12Borgring

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Seilwinkelsensor\Seilwinkelsensor Seilzug Z\Seilwinkelsensor dran.png
InclinometerPlaat
  1. Inclinometer met binnenzeskantbouten M4x12 (2x) en borgringen (2 stuks) op de plaat van de kabelhoekvolger vastschroeven. 3 Nm.

Inclinometer aansluiten

  1. Stekker van de inclinometer naar de absoluut encoder leiden en erin steken.

Inclinometer kalibreren

Om de lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering te kunnen gebruiken, moet de inclinometer worden gekalibreerd. Hiervoor moet een kalibratierit worden uitgevoerd, waarbij de nulstand van de kabel wordt opgeslagen. Pas na een succesvolle kalibratie zijn de functies Haakgeleiding en Haakcentrering beschikbaar.

Aanwijzingen:

  • Voordat de inclinometer kan worden gekalibreerd, moet de absoluut encoder opnieuw worden ingesteld. Zie „Referentiepunt absoluut encoder instellen”.
  • Om een nauwkeurige kalibratie te kunnen uitvoeren, moet de lasthaak tijdens de gehele kalibratierit verticaal hangen. Hiervoor kunt u het beste een last aan de lasthaak hangen. Bij een kleine lasthaken en bij lasthaken met een veer-kabeltrommel moet er tijdens de kalibratierit in ieder geval een last worden bevestigd, zodat de lasthaak verticaal hangt.
  • Na elke demontage (bijv. bij het vervangen van de kabel) of bij het vervangen van de inclinometer moet de inclinometer opnieuw worden gekalibreerd.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk” 🡪 „Parameter hijsprofiel” 🡪 „Parameter inclinometer”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter hijsprofiel” aanklikken.
  • Het venster „Parameter hijsprofiel” verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter inclinometer” aanklikken.
  • Het venster „Parameter inclinometer” verschijnt.

Knop „Inclinometer kalibreren”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Seilwinkelsensor kalibrieren.png
Weergave „Voortgang van de kalibratie“
  1. Lasthaak helemaal naar beneden verplaatsen.
  2. Indien mogelijk en zinvol: de last vastzetten.
  3. Knop „Inclinometer kalibreren” aanklikken.
  4. De lasthaak over het volledige bereik van de haakverplaatsing hijsen en neerlaten totdat in het veld „Voortgang van de kalibratie“ 100% wordt weergegeven.

Tijdens de kalibratierit mogen de loopkat en de kraan niet worden verplaatst, omdat de lasthaak daardoor zou gaan slingeren. Dit zou de kalibratie verstoren. Beweeg de lasthaak tijdens de kalibratierit ook niet op enige andere wijze.

In de velden „Kwaliteit van de kalibratie in de verplaatsingsrichting van de loopkat” en „Kwaliteit van de kalibratie in de verplaatsingsrichting van de kraan” wordt weergegeven hoe goed het resultaat van de kalibratierit is.

  1. Correcte instelling van de uitlijning van de inclinometer controleren. Zie „Uitlijning van de inclinometer instellen“.

Uitlijning van de inclinometer instellen

Om ervoor te zorgen dat de haakassistenten de doorbuiging van de kabel correct kunnen meten, moet de uitlijning van de inclinometer correct worden ingesteld in KranOS.

Voordat de uitlijning van de inclinometer kan worden ingesteld, moet deze eerst worden gekalibreerd. Zie „Inclinometer kalibreren“.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.
  • Het venster „Bewegingsprofiel” verschijnt.

Schakelaar „Inclinometer 90° gedraaid“Dropdownmenu Uitlijning inclinometer

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Ausrichtung Seilwinkelsensor.png
Knop „PLC schrijven”
  1. Via het dropdownmenu de uitlijning van de inclinometer voor het betreffende hijswerk selecteren.
  2. Eventueel de inbouwrichting van de inclinometer met de schakelaar „Inclinometer 90° gedraaid“ selecteren.
  • De schakelaar krijgt een blauwe ondergrond.
  1. Knop „PLC schrijven” aanklikken.

Controleren

Dit geldt voor iedereen die de kraan overeenkomstig de bepalingen inzake veilig werken keurt en oplevert.

De kraan moet regelmatig worden gekeurd om een veilige werking te waarborgen. De exploitant is verantwoordelijk voor deze regelmatige keuring.

Om te beginnen

Testintervallen

De regelmatige keuring vindt ten minste één keer per jaar plaats.

Onder bepaalde voorwaarden is een regelmatige keuring vaker nodig. Redenen zijn:

  • veelvuldig werken met het draagvermogen,
  • werken in meerploegendiensten,
  • veelvuldig gebruik,
  • stoffige of agressieve omgeving.

De exploitant is ervoor verantwoordelijk de voorwaarden te controleren en de testintervallen vast te leggen. ABUS staat in geval van vragen graag tot uw beschikking.

Eisen aan de keurmeester

De exploitant van de kraan is verantwoordelijk voor de keuze en de juiste kwalificatie van de keurmeester.

Voorbeelden van bevoegde personen:

  • Personen met uitgebreide kennis dankzij een vaktechnische opleiding in de machinebouw en in de elektrotechniek van kranen.
  • Personen met voldoende ervaring op het gebied van gebruik, montage en onderhoud van kranen.
  • Personen met uitgebreide kennis op het gebied van de desbetreffende regels van de techniek, richtlijnen en veiligheidsvoorschriften die gelden in het betreffende land.
  • Personen met regelmatige scholing door ABUS.

Omvang van de keuring

De bevoegde persoon die de kraan keurt, is verantwoordelijk voor de omvang en de soort keuring.

Overzicht: kraan met ABUControl controleren

Naast de hier beschreven punten moeten ook alle punten worden gecontroleerd die in andere meegeleverde producthandboeken zijn beschreven.

De beslissing of de kraan in een onberispelijke toestand is, ligt bij de keurmeester. Wanneer er gebreken worden vastgesteld, moeten deze worden verholpen. De keurmeester beslist of de kraan daarna opnieuw moet worden gekeurd.

Als er door de ter plaatse geldende voorschriften nog meer keuringen worden geëist, dienen deze eveneens te worden uitgevoerd.

Daarnaast in ieder geval deze punten controleren:

  1. Bedrijfsgegevens en collectieve lastgeheugen uitlezen voor de verdere berekening van de resterende levensduur. Zie „Bedrijfsgegevens en collectieve lastgeheugen aflezen”.
  2. Bij bedrijfsmatig activeren van de slagbegrenzer boven: backup-begrenzer controleren. Zie „Backup-begrenzer controleren”.
  3. De kabel met behulp van de afdanklimiet controleren. Zie „Kabel controleren met behulp van de afdanklimiet” en „Parameters voor het vervangingspunt en gegevens over de kabelaandrijving weergeven”.
  4. Overlastbeveiliging controleren. Zie „Overlastbeveiliging controleren”.

Bedrijfsgegevens en collectieve lastgeheugen aflezen

ABUControl verzamelt in het lopende bedrijf talrijke bedrijfsgegevens en geeft deze overzichtelijk weer. De bedrijfsgegevens, met name de bedrijfsurenteller en het collectieve lastgeheugen, zijn van belang voor de regelmatige keuring.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) kan ingelogd zijn. De toegang is echter ook mogelijk zonder login (gebruikersniveau [0]).

Bedrijfsgegevens oproepen

Zonder login:

  1. WLAN-verbinding tot stand brengen.
  2. In de browser KranOS oproepen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  • Het venster „Bedrijfsgegevens” verschijnt.

Bij ingelogde gebruiker:

  1. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bedrijfsgegevens” aanklikken.
  • Het venster met de bedrijfsgegevens verschijnt.

Opmerking:

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Seriennummer falsch.png

Als het serienummer van de kraan dat in de PLC is opgeslagen niet overeenkomt met het serienummer van de kraan in KranOS, verschijnt er een melding over het conflict.

Bedrijfsgegevens aflezen

Veld „Bedrijfsuren”Veld „Beweging achteruit”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Betriebsdaten ablesen 3.png
Veld „Bewegingen”Veld „Inchingteller”
  1. In de regel voor de gewenste kraanas de desbetreffende waarde aflezen.
  • „Bedrijfsuren”: tijd die de aandrijving/aandrijvingen van de desbetreffende kraanas in beweging was/waren.
  • „Bewegingen”: aantal bewegingen van de desbetreffende kraanas. Er wordt telkens een beweging geteld wanneer de desbetreffende aandrijving uit stilstand versnelt.
  • „Inchingteller”: aantal korte bewegingen. Het aantal wordt telkens met één verhoogd wanneer de desbetreffende aandrijving uit stilstand versnelt en slechts maximaal 2 s loopt. Tegelijkertijd wordt ook het tekstveld „Bewegingen” met één verhoogd.
  • „Beweging achteruit”: aantal omkeerbewegingen. Het aantal wordt telkens met één verhoogd wanneer de desbetreffende aandrijving uit de ene bewegingsrichting binnen 2 s direct in de tegenovergestelde richting versnelt. Tegelijkertijd wordt ook het tekstveld „Bewegingen” met één verhoogd.

Collectieve lastgeheugen aflezen

Veld „Verbruikte waarde”Veld „Overlastteller”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Betriebsdaten Lastkollektivspeicher ablesen 3.png
Veld „Nominale waarde”
  • „Verbruikte waarde”: berekende vollasturen van het hijswerk.
  • „Nominale waarde”: maximaal toelaatbare vollasturen van het hijswerk.
  • „Overlastteller”: aantal hijsbewegingen met overlast. Het aantal wordt telkens met 1 verhoogd wanneer het hijswerk een last hijst die boven het maximale draagvermogen van de kraan ligt. Tegelijkertijd wordt ook het tekstveld „Bewegingen” met 1 verhoogd.

Voor meer informatie over de beoordeling van de resterende levensduur: zie „Algemeen producthandboek voor ABUS-kranen”.

Aanwijzingen:

  • De weergegeven waarden worden geactualiseerd terwijl het venster „Bedrijfsgegevens” weergegeven wordt. Zo kan worden bekeken in welke bedrijfssituaties de weergegeven waarden verhoogd worden.
  • De waarden worden in ABUControl opgeslagen. Als de PLC wordt vervangen, moeten de waarden handmatig worden overgedragen.

Backup-begrenzer controleren

Alleen bij bedrijfsmatig activeren van de slagbegrenzer boven

Deze paragraaf geldt alleen als de slagbegrenzer boven bedrijfsmatig mag worden geactiveerd.

De slagbegrenzer boven mag in normaal bedrijf met opzet worden geactiveerd. De slagbegrenzer boven moet bij het inschakelen van de kraan worden gecontroleerd.

Als de slagbegrenzer boven door het regelmatige gebruik wordt beschadigd, zorgt een extra backup-begrenzer voor de uitschakeling. Deze backup-begrenzer moet in het kader van de regelmatige keuring worden gecontroleerd.

Lasthaak in de juiste positie zetten

  1. Verplaats de lasthaak buiten het eindschakelaarbereik (boven of onder).

De lasthaak mag voor de controle niet in het eindschakelaarbereik staan.

Backup-begrenzer controleren

Positie „boven”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Danfoss Frequenzumrichter Heben\Notgrenzschalter prüfen Heben 3.jpg
Knevelschakelaar
  1. Draai de knevelschakelaar in de positie „boven” en houd deze hier vast.
  2. Verplaats de lasthaak langzaam naar boven.
  1. De lasthaak gaat omhoog.
  2. Door de geactiveerde knevelschakelaar stopt de lasthaak niet zoals anders op het schakelpunt van de slagbegrenzer boven, maar beweegt verder.
  3. De backup-begrenzer wordt geactiveerd.
  4. Het hoofdrelais schakelt uit.
  5. De backup-begrenzer is nu gecontroleerd.

Wanneer het hoofdrelais niet uitschakelt:

  1. Er is een probleem met de aansluiting van de kraan of met afzonderlijke onderdelen. Er mag niet verder worden gewerkt met de kraan.
  1. Stel de kraan buiten werking.
  2. Neem contact op met de ABUS-service. Zie „ABUS-service”.

Kraan weer inschakelen

Positie „onder”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Danfoss Frequenzumrichter Heben\Notgrenzschalter prüfen Senken 3.jpg
Knevelschakelaar
  1. Draai de knevelschakelaar in de positie „onder” en houd deze hier vast.
  1. Het hoofdrelais wordt overbrugd.
  2. De kraan schakelt weer in.
  1. Verplaats de lasthaak buiten het eindschakelaarbereik.
Alleen bij tweeling-hijswerk

Het proces bij het tweeling-hijswerk wijkt hiervan in principe niet af.

  1. Controleer de backup-begrenzer van hijswerkaandrijving 1.
  2. Start de kraan met hijswerkaandrijving 1 opnieuw op.
  3. Controleer de backup-begrenzer van hijswerkaandrijving 2.
  4. Start de kraan met hijswerkaandrijving 2 opnieuw op.

Kabel controleren met behulp van de afdanklimiet

De kabelinspectie wordt door ABUControl eenvoudiger en veiliger gemaakt, doordat de kabelsecties worden weergegeven, waarvoor een opvallende slijtage is berekend.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

„Slijtage vervangingspunt” oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Hijswerk“ 🡪 „Slijtage vervangingspunt“

  1. Met gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Slijtage vervangingspunt” aanklikken.

Berekeningen van het vervangingspunt aflezen

Kolom „Kabelpositie”Kolom „Slijtagelengte”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Ablegereife angucken 3.png
Veld „Totale lengte slijtagebereik”Veld „Maximale slijtage”
  • Het venster „Slijtage vervangingspunt” verschijnt.
  • In de tabel worden een of meerdere kabelsecties (per regel één kabelsectie) weergegeven, waarvoor ABUControl een opvallende slijtage heeft berekend.
  • De kolom „Kabelpositie” toont waar de desbetreffende kabelsectie zich bevindt. Gemeten wordt de afstand van het ankerblok tot het begin van de desbetreffende kabelsectie.
  • De kolom „Slijtagelengte” geeft aan hoe lang de desbetreffende kabelsectie is, die een opvallende slijtage heeft. Gemeten wordt vanaf het begin van de in de kolom „Kabelpositie” aangegeven positie.
  • In het veld „Totale lengte slijtagebereik” wordt de kabelsectie uit de tabel weergegeven, die als kabelsectie met de meeste slijtage is berekend.
  • In het veld „Maximale slijtage” wordt weergegeven hoe sterk de slijtage van de kabelsectie met de meeste slijtage is.
  1. Op de weergegeven kabelposities met de controle van de kabel beginnen.

Alle weergegeven kabelsecties moeten achtereenvolgens worden gecontroleerd. Hier is het risico op draadbreuk het grootst.

Kabel controleren

Voor alle weergegeven kabelsecties met opvallende slijtage:

Afstand van het ankerblok tot het begin van de kabelsectie (veld „Kabellengte”)

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Verschleißstelle Grafik 3.png
Kabelsectie (veld „Totale lengte slijtagebereik”)
  1. Lasthaak zo ver mogelijk naar beneden verplaatsen.

Daardoor wordt het meten aan de kabel gemakkelijker.

  1. Vanaf het ankerblok van de takel de afstand „Kabelpositie” meten.

Op dit punt begint de kabelsectie met de opvallende slijtage.

De kabelsectie met de meeste slijtage bevindt zich meestal in de eerste streng, maar kan afhankelijk van het gebruik van de kraan ook in andere strengen liggen. In dit geval de afstand „Kabelpositie” vanaf het ankerblok van de takel om de kabelschijf aan het haakblok meten.

  1. Vanaf het begin van de kabelsectie de „Totale lengte slijtagebereik” meten.
  • In dit bereik bevindt zich de kabelsectie met opvallende slijtage. Hier is het risico op draadbreuk het grootst.
  1. Hier met de kabelinspectie beginnen.

Zie ook „Algemeen producthandboek voor ABUS-kranen”, paragraaf „Kabel controleren”.

Als daar geen vervangingspunt werd vastgesteld:

  1. Controleer de rest van de kabel.
Alleen bij takels met tweeling-hijswerk en bij takels met True Vertical Lift-hijswerk.

Dit deel geldt alleen bij takels met tweeling-hijswerk (niet alleen één kabeluiteinde, maar beide kabeluiteinden worden elk op een eigen kabeltrommel gewikkeld) en bij takels met True Vertical Lift-hijswerk (niet alleen één kabeluiteinde, maar beide kabeluiteinden worden op een gemeenschappelijke kabeltrommel gewikkeld).

Beide helften van de kabel controleren

Compensatieschijf

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Ablegeprognosesystem LIS-AP\Parameter 05 Seilzug D42 Verschleißstelle Grafik 3.tif

Bij deze takels wordt de kabel aan beide kabeluiteinden opgewikkeld. Het middelste kabeldeel ligt bijna onbeweeglijk op de compensatieschijf aan de takel. Theoretisch wordt deze compensatieschijf als ankerblok gezien en de beide kabelhelften als twee afzonderlijke kabels.

De door ABUControl bepaalde slijtage geldt zowel voor de eerste als voor de tweede kabelhelft. Door de symmetrische indeling wordt voor beide kabelhelften van dezelfde slijtage uitgegaan.

  1. Zowel de kabelhelft links van de compensatieschijf alsook rechts van de compensatieschijf controleren. Zie de compensatieschijf daarbij als ankerblok.

Kabel op de compensatieschijf controleren

De kabel op de compensatieschijf wordt door ABUControl als ankerblok gezien. Daarom kan de slijtage hier niet worden berekend.

Door de pendelbeweging van de last en het licht ten opzichte van elkaar draaien van de beide kabeltrommels slijt ook de kabel op de compensatieschijf.

Compensatieschijf

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Ablegeprognosesystem LIS-AP\Ausgleichsrolle prüfen 3.jpg
Kabeldeel op de compensatieschijf
  1. Het kabeldeel op de compensatieschijf (middelste keerrol boven aan de takel of aan het haakblok) moet daarom aanvullend op de rest van de kabel en extra zorgvuldig worden gecontroleerd.

Kabel vervangen

Als de kabel bij het vervangingspunt is:

  1. De kabel vervangen. Zie „Kabel vervangen” alsook het producthandboek van de takel.

Parameters voor het vervangingspunt en gegevens over de kabelaandrijving weergeven

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (keuring, gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

„Parameter vervangingspunt” oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Hijswerk“ 🡪 „Parameter hijsprofiel“ 🡪 „Parameter vervangingspunt“

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter hijsprofiel” aanklikken.
  • Het venster „Parameter hijsprofiel” verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter vervangingspunt” aanklikken.
\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Ablegereife Parameter 3.png
  • Het venster „Parameter vervangingspunt” verschijnt.
  1. De gewenste parameters aflezen:
  • „Aantal strengen”: aantal strengen van de kabel die tussen het haakblok en het loopkatframe verlopen.
  • „Kabels per kabeltrommel”:

1: Het ene kabeluiteinde wordt op de kabeltrommel gewikkeld, het andere kabeluiteinde is aan het ankerblok bevestigd.

2: Beide kabeluiteinden worden op de kabeltrommel gewikkeld (takel met True Vertical Lift-hijswerk, inschering D4/2)

  • „Aantal kabeltrommels”: aantal kabeltrommels per takel

1: Takel voor enkelligger-loopkranen (type E, S, U) of voor dubbelligger-loopkranen (type D, DA, DQA)

2: Tweeling-hijswerk (type Z, ZA)

  • „Nominale kabeldoorsnede”: diameter van de kabel op de kabeltrommel
  • „Nominale diameter kabelwikkeling”: diameter van een enkele wikkeling (= winding) van de kabel op de kabeltrommel (kabeltrommeldiameter + kabeldiameter)
  • „Diameter keerrol boven”: diameter van de keerrol boven + kabeldiameter
  • „Diameter keerrol onder”: diameter van de keerrol onder + kabeldiameter
  • „Kabeltrommelas tot haakblok”: afstand tussen de as van de kabeltrommel en de as van de keerrol(len) van het haakblok
  • „Ankerblok tot keerrol boven”: afstand van het ankerblok tot de as van de bovenste keerrol
  • „Kabeltrommel tot keerrol boven”: afstand van de as van de kabeltrommel tot de as van de bovenste keerrol.
  • „Identificatiecode kabel”: ABUS-identificatiecode kabel (A100=100, A101=101, A102=102, A103=103, A104=104, A105=105, A106=106)
  • „Kabelcorrectiesom”: interne waarde voor de berekening
  • „Kabelcorrectiefactor”: interne waarde voor de berekening
  • „Offset kabelcorrectiesom”: interne waarde voor de berekening
  • „Offset kabelcorrectiefactor”: interne waarde voor de berekening
  • „Rendement kabelaandrijving”: interne waarde voor de berekening
  • „Kabellengte”: lengte van de totale kabel
  • „Nominale kabelsterkte”: sterkte van de kabel
  • „Kabelfactoren”: interne waarden voor de berekening

Overlastbeveiliging controleren

De overlastbeveiliging moet in het kader van de regelmatige keuring worden gecontroleerd en bij een overlast de hijsbeweging uitschakelen.

Voorwaarden voor de controle van de overlastbeveiliging:

  • Voor deze stap is een testlast vereist.
  • De massa van de testlast moet exact bekend zijn.
  • De massa van de testlast moet indien mogelijk gelijk zijn aan het maximale draagvermogen van de kraan/loopkat of zo dicht mogelijk bij het maximale draagvermogen van de kraan/loopkat liggen.

Omdat de overlastbeveiliging bij een overlast van 110% reageert, kan in KranOS de factor voor de meting van de overlast tijdelijk worden gereduceerd. Zo kan de overlastbeveiliging ook met een testlast worden geactiveerd die onder 110% van het maximale draagvermogen van de kraan ligt.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Parameters voor hijsprofiel oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk” 🡪 „Parameter hijsprofiel”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter hijsprofiel” aanklikken.

„Overlastfactor” reduceren

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Überlastfaktor eingeben 3.png
Veld „Overlastfactor”
  • Het venster „Parameter hijsprofiel” verschijnt.
  1. In het veld „Overlastfactor” een factor invoeren waardoor de beschikbare testlast een overlast wordt.
  2. Knop „PLC schrijven” aanklikken.

Testlast optillen

  1. Bepalingen inzake veilig werken in acht nemen en testlast optillen.
  2. De overlastbeveiliging moet activeren.
  • De indicatie op het matrixdisplay met leds knippert.
  1. Zet de testlast neer.

Overlastbeveiliging resetten

  1. Kraan met netscheidingsschakelaar of netstroomschakelaar uitschakelen.
  2. 60 s wachten.
  3. Kraan weer inschakelen.
  • ABUControl wordt opnieuw gestart.
  • De overlastfactor wordt weer gereset.

Onderhoud

Dit geldt voor iedereen die de kraan onderhoudt, repareert of ombouwt.

De exploitant van de kraan is verantwoordelijk voor de keuze en de juiste kwalificatie van het onderhoudspersoneel.

Voorbeelden van bevoegde personen:

  • Personen met uitgebreide kennis dankzij een vaktechnische opleiding in de machinebouw en in de elektrotechniek van kranen.
  • Personen met voldoende ervaring op het gebied van gebruik, montage en onderhoud van kranen.
  • Personen met uitgebreide kennis op het gebied van de desbetreffende regels van de techniek, richtlijnen en veiligheidsvoorschriften die gelden in het betreffende land.
  • Personen met regelmatige scholing door ABUS.

ABUS aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade door niet vakkundig en door niet gekwalificeerde personen uitgevoerd onderhoud.

ABUS adviseert het onderhoud door de ABUS-service te laten uitvoeren.

Uitsluitend originele ABUS-reserveonderdelen gebruiken. Anders vervalt de aanspraak op garantie.

Richtlijnen voor de veiligheid bij het onderhoud

Neem de volgende veiligheidsrichtlijnen in acht bij alle onderhoudswerkzaamheden aan de kraan met ABUControl:

  • Netstroomschakelaar uitschakelen. Beveilig de schakelaar, zodat deze niet per ongeluk weer wordt ingeschakeld.
  • Open de stroomonderbreker in de kraanrelaiskast. Beveilig de stroomonderbreker beveiligen met hangslot, zodat deze niet onbedoeld weer kan worden gesloten.
  • Geschikt werkplatform en een valbeveiliging gebruiken.
  • Het werkgebied rondom het platform ruim afzetten.
  • Schakel andere kranen op dezelfde kraanbaan of kranen boven of onder de te onderhouden kraan uit. Schakelaars beveiligen, zodat deze niet per ongeluk weer kunnen worden ingeschakeld. Andere kranen zouden anders het werkplatform kunnen omgooien of tegen de te onderhouden kraan kunnen botsen.
  • Personen in de directe omgeving op de hoogte van het onderhoud brengen.
  • Werkzaamheden aan het elektrische gedeelte van de kraan mogen uitsluitend door geschoolde elektriciens worden uitgevoerd!
  • Ook na het indrukken van de noodstopknop staan er hoge spanningen op de kraanbesturing en de loopkatbesturing, die dodelijk letsel tot gevolg kunnen hebben.

Deze veiligheidsaanwijzingen gelden speciaal voor de kraan met ABUControl:

  • Alvorens werkzaamheden uit te voeren aan de kraan, de stroomvoorziening onderbreken en ten minste 15 minuten wachten tot de spanningen in de tussenkringen van de frequentieomvormers zijn afgebouwd.
  • De behuizing van de frequentieomvormer niet openen.

Kraan uitschakelen

Kraan met stroomonderbreker uitschakelen

De stroomonderbreker in de kraanbesturing vervult de functie van netscheidingsschakelaar. Daarmee kan de kraan verregaand stroomloos worden geschakeld.

Dit is vooral zinvol als niet de volledige kraaninstallatie met een netstroomschakelaar kan worden uitgeschakeld.

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Sicherungstrenner Schild Ansicht 3.jpg

Productveiligheidsbord op het deksel van de kraanbesturing voor het uitschakelen van de kraan

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\NH-Trenner auf 3.jpg
StroomonderbrekerHangslot
  1. Kraanbesturing openen.
  2. Bepalingen inzake veilig werken in acht nemen en stroomonderbreker aan de handgreep naar beneden klappen.
  3. Stroomonderbreker beveiligen met hangslot, zodat deze niet onbedoeld weer kan worden gesloten.
  4. 15 minuten wachten terwijl de spanningen in de kraanbesturing afbouwen.
  • De kraan is vanaf de stroomonderbreker spanningsvrij. Tot de stroomonderbreker blijft spanning aanwezig. Op hulpstroomkringen (bijv. voor lastopnamemiddelen) kan ook bij geopende stroomonderbreker nog spanning staan.

Zekeringen vervangen

Smeltveiligheid

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Sicherungen wechseln 3.jpg
Stroomonderbreker
  1. Stroomonderbreker eruit klappen.
  2. Smeltveiligheid vervangen.
  3. Stroomonderbreker terugklappen.

Schakelpunten voor de backup-begrenzer en de slagbegrenzer boven instellen.

De takel heeft een eindschakelaar aandrijving met drie schakelpunten.

De schakelpunten voor de slagbegrenzer boven en de daarboven liggende backup-begrenzer zijn in de fabriek ingesteld en verzegeld.

Indien nodig (bijv. als de lasthaak wegens een hijsjuk niet helemaal naar boven mag bewegen), na een wissel van de kabel of na reparaties moet het schakelpunt voor de slagbegrenzer boven eventueel opnieuw worden ingesteld.

Schakelpunten bepalen

Schakelpunt
backup-begrenzer C1

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\ABC123-Maße 3.png
Haakmaat (C-maat)Schakelpunt slagbegrenzer boven C2
  • De haakmaat (C-maat) is in principe de hoogste positie tot welke de lasthaak mag bewegen zonder de kabel te beschadigen. Hierbij is rekening gehouden met een bepaalde veiligheidsbuffer.
  • De haakmaat (C-maat) is in principe de afstand tussen de onderkant van het loopwiel aan de takel en de binnenkant van de lasthaak.
  • De haakmaat (C-maat) heeft daarbij altijd betrekking op een standaard lasthaak. Bij grotere of kleinere lasthaken de haakmaat d.m.v. het gegevensblad van de takel bepalen.
  • Het schakelpunt voor de backup-begrenzer heet C1 en ligt een stuk boven de haakmaat. Dit is de absoluut hoogste positie tot welke de lasthaak mag bewegen zonder de kabel te beschadigen
  • Het schakelpunt voor de slagbegrenzer boven heet C2 en ligt een stuk onder de haakmaat.
  • Beide schakelpunten (C1 en C2) hebben elk twee alternatieve referentiekanten: A1 en A2 (afstand tussen een vanaf onderen goed bereikbare kant van de takel en de as van de keerrol aan het haakblok) alsook B1 en B2 (afstand tussen een vanaf onderen goed bereikbare kant van de takel en de bovenkant van het haakblok). Deze extra maten kunnen in plaats van de haakmaat worden gebruikt en kunnen het afmeten vergemakkelijken. Bovendien zijn ze onafhankelijk van de grootte van de lasthaak en kunnen dus bij kleinere of grotere lasthaken worden gebruikt.
  1. Kies de juiste referentiekant aan de takel en aan het haakblok uit de volgende tekening.
  2. Lees de maten C1 en C2 of de maten A1 en A2 of B1 en B2 af uit de volgende tabel.

Referentiekanten van de takel afhankelijk van type:

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\C-Maße Seilzug E 3.png
Referentiekant voor A-, B- en C-maat van takel E.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\C-Maße Seilzug S 3.png
Referentiekant A-, B- en C-maat van takel S.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\C-Maße Seilzug U 3.png
Referentiekant A-, B- en C-maat van takel U.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\C-Maße Seilzug D 3.png
Referentiekant A-, B- en C-maat van takel D.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\C-Maße Seilzug DA 3.png
Referentiekant A-, B- en C-maat van takel DA.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\C-Maße Seilzug DQA 3.png
Referentiekant A-, B- en C-maat van takel DQA.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\C-Maße Seilzug Z 3.png
Referentiekant A-, B- en C-maat van takel Z. (De referentiekant voor A-, B- en C-maat voor de takel ZA wijkt hiervan in principe niet af).

Referentiekanten van het haakblok:

HaakmaatSchakelpunt backup-begrenzer

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\C-Maße am Haken 3.png
Schakelpunt slagbegrenzer onderSchakelpunt slagbegrenzer boven

Algemeen:

  • 146 omwentelingen van de stelschroef draaien de schakelnok van de eindschakelaar aandrijving eenmaal volledig 360°.
  • Hoeveel millimeter haakverplaatsing overeenkomt met een omwenteling van de stelschroef, is aangegeven in de volgende tabel.
  • Stelschroef naar rechts draaien, verschuift het schakelpunt naar onder; stelschroef naar links draaien, verschuift het schakelpunt naar boven.
  • Hoeveel millimeter haakverplaatsing de lasthaak aflegt in de dode zone van de microschakelaar (schakelhysterese), is aangegeven in de volgende tabel.

Tabel: Haakmaten voor takels van type E. Bij grotere spoorbreedtes de volgende aanwijzing in acht nemen!

Schakelpunt
backup-begrenzer

Schakelpunt
slagbegrenzer boven

Dode zone (schakelhysterese)

Haakverplaatsing per omwenteling van de stelschroef

Type

Maat

Inschering

Spoorbreedte [mm]

Haakmaat
(C-maat) [mm]

A1 [mm]

B1 [mm]

C1 [mm]

A2 [mm]

B2 [mm]

C2 [mm]

E

800

4/1

Tot 300

400

165

70

380

215

120

430

55

71

E

1000 *

2/1

Tot 300

567

210

105

525

310

205

625

120

154

E

1000 *

4/1

Tot 300

500

230

125

480

279

175

530

60

77

E

2000

2/1

Tot 300

580

180

70

540

280

170

640

130

172

E

2000

4/1

Tot 300

500

195

80

480

245

130

530

65

86

E

3000

2/1

Tot 300

664

215

70

625

315

170

734

160

214

E

3000

4/1

Tot 300

580

235

90

560

285

140

610

80

107

E

5000

2/1

Tot 350

830

295

110

790

395

210

890

178

238

E

5000

4/1

Tot 350

825

375

190

805

425

240

855

89

119

E

6000

2/1

Tot 350

830

295

110

790

395

210

890

194

260

* De aangegeven waarden gelden voor de GM 1000 kompakt en voor de GM 1000 modular. De waarden zijn voor beide typen identiek.

Alleen bij takel type E met grotere spoorbreedte

Deze paragraaf is alleen geldig bij takels type E met een grotere spoorbreedte dan aangegeven in bovenstaande tabel.

Grotere haakmaat berekenen

Vanaf een bepaalde spoorbreedte moet de haakmaat vergroot worden.

  1. Bij de haakmaat uit bovenstaande tabel de extra maat uit deze tabel optellen.

Spoorbreedte

Maat 800
Inschering 4/1

Maat 1000
Inschering 2/1

Maat 1000
Inschering 4/1

Maat 2000
Inschering 2/1

Maat 2000
Inschering 4/1

Maat 3000
Inschering 2/1

Maat 3000
Inschering 4/1

Maat 5000
Inschering 2/1

Maat 5000
Inschering 4/1

Maat 6000
Inschering 2/1

300

0

0

0

0

0

0

0

-

-

-

350

49

39

45

43

53

62

80

0

0

0

400

98

78

89

86

106

124

160

76

74

76

450

146

117

134

129

159

187

240

152

148

152

500

195

156

178

172

212

249

320

228

222

228

550

-

-

-

-

265

311

401

304

296

304

600

-

-

-

-

318

373

481

380

370

380

650

-

-

-

-

371

435

561

456

444

456

700

-

-

-

-

424

498

641

532

518

532

Tabel: haakmaten voor takels van het type S

Schakelpunt
backup-begrenzer

Schakelpunt
slagbegrenzer boven

Dode zone (schakelhysterese)

Haakverplaatsing per omwenteling van de stelschroef

Type

Maat

Inschering

Haakmaat
(C-maat) [mm]

A1 [mm]

B1 [mm]

C1 [mm]

A2 [mm]

B2 [mm]

C2 [mm]

S

800

4/1

343

335

245

323

385

295

377

55

71

S

1000

4/1

420

420

315

400

470

365

450

60

77

S

2000

4/1

440

405

290

420

455

340

470

65

86

S

3000

2/1

699

520

370

659

620

470

760

160

214

S

3000

4/1

550

540

395

530

590

445

580

80

107

Tabel: haakmaten voor takels van het type U

Schakelpunt
backup-begrenzer

Schakelpunt
slagbegrenzer boven

Dode zone (schakelhysterese)

Haakverplaatsing per omwenteling van de stelschroef

Type

Maat

Inschering

Haakmaat
(C-maat) [mm]

A1 [mm]

B1 [mm]

C1 [mm]

A2 [mm]

B2 [mm]

C2 [mm]

U

5000

4/1

1132

270

80

1110

320

130

1160

89

119

U

6000

2/1

1256

235

50

1215

335

150

1315

194

260

U

6000

4/1

1241

260

70

1220

310

120

1270

97

130

U

7000

2/1

1615

330

90

1575

430

190

1675

254

342

Tabel: haakmaten voor takels van het type D

Schakelpunt
backup-begrenzer

Schakelpunt
slagbegrenzer boven

Dode zone (schakelhysterese)

Haakverplaatsing per omwenteling van de stelschroef

Type

Maat

Inschering

Spoorbreedte [mm]

Haakmaat
(C-maat) [mm]

A1 [mm]

B1 [mm]

C1 [mm]

A2 [mm]

B2 [mm]

C2 [mm]

D

800

4/1

144

170

80

125

220

130

175

55

71

D

1000

4/1

195

190

85

175

240

135

225

60

77

D

2000

2/1

295

160

50

255

260

150

355

130

172

D

2000

4/1

215

175

60

195

225

110

245

65

86

D

3000

2/1

315

190

45

275

290

150

375

160

214

D130

3000

4/1

260

230

85

240

280

134

290

80

107

D160

3000

4/1

260

225

80

240

275

129

290

80

107

D

5000

2/1

440

240

50

400

340

150

500

178

238

D

5000

4/1

160

385

285

100

365

335

150

415

89

119

D

5000

4/1

200

385

305

120

355

170

D

5000

4/2

320

330

220

280

430

320

380

178

238

D

6000

2/1

520

235

50

480

335

150

580

194

260

D

6000

4/1

267

260

73

247

310

123

297

97

130

D

6000

6/1

606

355

168

586

405

218

636

65

87

D

7000

2/1

572

344

103

532

444

203

632

254

342

D

7000

4/1

501

380

139

481

430

189

531

127

171

D

7000

6/1

tot 2000

717

520

280

690

570

330

745

85

114

D

7000

6/1

vanaf 2000

897

520

280

875

570

330

925

85

114

D

7000

4/2

236

240

50

195

340

150

295

254

342

D

7000

8/2

516

260

70

495

310

120

545

127

171

Tabel: haakmaten voor takels van het type DA

Schakelpunt
backup-begrenzer

Schakelpunt
slagbegrenzer boven

Dode zone (schakelhysterese)

Haakverplaatsing per omwenteling van de stelschroef

Type

Maat

Inschering

Haakmaat
(C-maat) [mm]

A1 [mm]

B1 [mm]

C1 [mm]

A2 [mm]

B2 [mm]

C2 [mm]

DA

800

4/1

429

170

80

410

220

130

460

55

71

DA

1000

4/1

520

190

85

500

240

135

550

60

77

DA

2000

2/1

621

160

50

580

260

150

681

130

172

DA

2000

4/1

544

175

60

520

225

110

570

65

86

DA

3000

2/1

700

193

45

660

290

145

760

160

214

DA

3000

4/1

620

225

80

600

275

130

650

80

107

DA

5000

2/1

825

240

50

785

340

150

885

178

238

DA

5000

4/1

813

285

100

795

335

150

845

89

119

DA160

6000

2/1

949

235

50

910

335

150

1010

194

260

DA200

6000

4/1

470

260

70

450

310

120

500

97

130

DA280

6000

4/1

832

260

70

810

310

120

860

97

130

DA280

6000

6/1

1068

352

165

1050

400

215

1100

65

87

DA200

7000

2/1

1284

345

105

1245

445

205

1345

254

342

DA

7000

4/1

913

375

135

895

425

185

943

127

171

DA

7000

6/1

1370

515

275

1350

565

325

1400

85

114

Tabel: haakmaten voor takels van het type DQA

Schakelpunt
backup-begrenzer

Schakelpunt
slagbegrenzer boven

Dode zone (schakelhysterese)

Haakverplaatsing per omwenteling van de stelschroef

Type

Maat

Inschering

Haakmaat
(C-maat) [mm]

A1 [mm]

B1 [mm]

C1 [mm]

A2 [mm]

B2 [mm]

C2 [mm]

DQA

2000

2/1

525

125

10

485

225

110

585

130

172

DQA

2000

4/1

445

140

30

425

190

80

475

65

86

DQA

3000

2/1

639

190

40

600

290

140

700

160

214

DQA

3000

4/1

555

210

65

535

260

115

585

80

107

DQA

5000

2/1

810

275

90

770

375

190

870

178

238

DQA

5000

4/1

712

265

75

690

315

125

740

89

119

DQA

6000

2/1

870

335

150

830

435

250

930

194

260

DQA

6000

4/1

745

250

60

725

300

110

775

97

130

DQA350

7000

4/1

970

375

135

950

425

185

1000

127

171

Tabel: haakmaten voor takels van het type Z

Schakelpunt
backup-begrenzer

Schakelpunt
slagbegrenzer boven

Dode zone (schakelhysterese)

Haakverplaatsing per omwenteling van de stelschroef

Type

Maat

Inschering

Spoorbreedte [mm]

Haakmaat
(C-maat) [mm]

A1 [mm]

B1 [mm]

C1 [mm]

A2 [mm]

B2 [mm]

C2 [mm]

Z

5000

4/2

413

490

300

375

590

400

475

178

238

Z

5000

8/2

631

505

315

610

555

365

660

89

119

Z

6000

4/2

414

485

300

375

585

400

475

194

260

Z280

6000

8/2

638

450

310

620

550

360

670

97

130

Z350

6000

8/2

643

450

260

625

500

310

675

97

130

Z

7000

4/2

668

525

285

630

625

385

730

254

342

Z

7000

6/2

tot 2000

717

522

281

697

572

331

747

170

228

Z

7000

6/2

vanaf 2000

897

522

281

877

572

331

927

170

228

Z

7000

8/2

915

525

284

895

575

334

945

127

171

Z

7000

10/2

960

482

241

940

532

291

990

102

137

Z

7000

12/2

1378

761

482

1358

811

532

1408

85

114

Tabel: haakmaten voor takels van het type ZA

Schakelpunt
backup-begrenzer

Schakelpunt
slagbegrenzer boven

Dode zone (schakelhysterese)

Haakverplaatsing per omwenteling van de stelschroef

Type

Maat

Inschering

Haakmaat
(C-maat) [mm]

A1 [mm]

B1 [mm]

C1 [mm]

A2 [mm]

B2 [mm]

C2 [mm]

ZA

5000

8/2

1195

495

305

1175

545

355

1225

89

119

ZA280

6000

8/2

1253

495

305

1235

545

355

1285

97

130

ZA350

6000

8/2

1163

445

255

1145

495

305

1195

97

130

ZA

7000

6/2

1370

515

275

1350

565

325

1400

170

228

ZA

7000

8/2

1430

515

275

1410

565

325

1460

127

171

ZA

7000

10/2

1312

480

240

1290

530

290

1340

102

137

Schakelpunt van de backup-begrenzer activeren

Het schakelpunt van de backup-begrenzer mag uitsluitend in een servicegeval door een geschoolde kracht worden versteld.

Maat A1, B1, C1

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Danfoss Frequenzumrichter Heben\C-Maß anfahren 3.jpg
  1. Slagbegrenzer boven handmatig overbruggen, zodat de backup-begrenzer kan worden geactiveerd.
  2. De lasthaak tot de maat A1, B1 of C1 omhoog verplaatsen.
Alleen bij eindschakelaar aandrijving „GGS”

Zegels losmaken

Zegels

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\GGS\Plombe oben ab.png
  1. Open het behuizingsdeksel van de behuizing van de eindschakelaar hijsen op de kabeltrommel.
  2. Zegels met een schroevendraaier in het midden uit elkaar drukken en verwijderen.

Backup-begrenzer instellen

De backup-begrenzer wordt met de rechter stelschroef ingesteld.

Witte wijzer van de nokkenringOranje wijzer

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\GGS\Backup-Begrenzer einstellen.png
Rechter stelschroef
  1. Pak de instelsleutel. Deze is in twee houders aan de eindschakelaar aandrijving bevestigd.

Er kan ook een zeskantschroevendraaier 3.0 (in het ideale geval een precisieschroevendraaier) worden gebruikt.

Een elektrische schroevendraaier mag NIET worden gebruikt.

  1. Druk de instelsleutel in de stelschroef. Hij moet met lichte druk in de stelschroef worden gedrukt.
  2. Indien nodig: zo lang draaien tot de witte wijzer van de nokkenring links van de oranje wijzer staat. Hij mag niet rechts van de oranje wijzer of precies op de oranje wijzer staan.
  3. De middelste witte pijl toont de exacte positie van het schakelpunt; de twee witte pijlen links en rechts daarvan tonen het begin en het einde van het schakelmoment (schakelhysterese).
  4. Draai de stelschroef zodanig dat de witte wijzer van de nokkenring met de klok mee draait. Draai verder tot de witte wijzer precies op de oranje wijzer staat en er een klik te horen is.
  5. Rechtsom draaien verschuift het schakelpunt naar beneden.
  6. Linksom draaien verschuift het schakelpunt naar boven.
  • Het schakelpunt voor de backup-begrenzer is nu ingesteld.

Op dit schakelpunt schakelt ABUControl het hoofdrelais van de kraan uit. Dit schakelpunt mag uitsluitend worden bediend als de slagbegrenzer boven niet geschakeld heeft (bijv. omdat hij defect is).

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\GGS\Zurückdrehen.png
  1. De stelschroef een driekwart slag naar links draaien.
  • De microschakelaar schakelt weer, het hoofdrelais schakelt weer in.
  1. De lasthaak een stuk naar beneden verplaatsen.
  2. De stelschroef een driekwart slag terug naar rechts draaien.

Schakelpunt van de slagbegrenzer boven activeren

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\Bremspunkt anfahren 3.jpg
Maat A2, B2, C2
  1. De lasthaak tot de maat A2, B2 of C2 verplaatsen.

Slagbegrenzer boven instellen

De slagbegrenzer boven wordt met de middelste stelschroef ingesteld.

Witte wijzer van de nokkenringOranje wijzer

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\GGS\Hubbegrenzer oben einstellen.png
Middelste stelschroef
  1. Pak de instelsleutel. Deze is in twee houders aan de eindschakelaar aandrijving bevestigd.

Er kan ook een zeskantschroevendraaier 3.0 (in het ideale geval een precisieschroevendraaier) worden gebruikt.

Een elektrische schroevendraaier mag NIET worden gebruikt.

  1. Druk de instelsleutel in de stelschroef. Hij moet met lichte druk in de stelschroef worden gedrukt.
  2. Indien nodig: zo lang draaien tot de witte wijzer van de nokkenring links van de oranje wijzer staat. Hij mag niet rechts van de oranje wijzer of precies op de oranje wijzer staan.

De middelste witte pijl toont de exacte positie van het schakelpunt; de twee witte pijlen links en rechts daarvan tonen het begin en het einde van het schakelmoment (schakelhysterese).

  1. Draai de stelschroef zodanig dat de witte wijzer van de nokkenring met de klok mee draait. Draai verder tot de witte wijzer precies op de oranje wijzer staat en er een klik te horen is.
  • Rechtsom draaien verschuift het schakelpunt naar beneden.
  • Linksom draaien verschuift het schakelpunt naar boven.
  • Het schakelpunt voor de bovenste haakstand is nu ingesteld.

Op dit schakelpunt blijft de lasthaak in normaal bedrijf staan, nadat hij daarvoor is afgeremd. De remweg wordt in de volgende stap automatisch bepaald door ABUControl.

Alleen bij eindschakelaar aandrijving „Kübler”

Backup-begrenzer instellen

De backup-begrenzer wordt met de achterste stelschroef ingesteld.

SchakelnokMicroschakelaar

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Nocke einstellen oben 3.jpg
Stelschroef
  1. Indien nodig: stelschroef zo lang draaien tot de schakelnok links van de microschakelaar staat. Deze mag niet rechts van de microschakelaar of exact op de microschakelaar staan.
  2. Stelschroef zo lang naar rechts draaien tot de schakelnok rechtsom tegen de microschakelaar drukt en er een klik te horen is.
  1. ABUControl schakelt uit.
  2. Het schakelpunt voor de backup-begrenzer is nu ingesteld.

Op dit schakelpunt schakelt ABUControl het hoofdrelais van de kraan uit. Dit schakelpunt mag uitsluitend worden bediend als de slagbegrenzer boven niet geschakeld heeft (bijv. omdat hij defect is).

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Nocke einstellen oben zurückdrehen 3.jpg
Stelschroef
  1. De stelschroef een driekwart slag naar links draaien.
  1. De microschakelaar schakelt weer, ABUControl schakelt weer in.
  1. De lasthaak een stuk naar beneden verplaatsen.
  2. De stelschroef een driekwart slag terug naar rechts draaien.

Schakelpunt van de slagbegrenzer boven activeren

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\NGS oben anfahren 3.jpg
Maat A2, B2, C2
  1. De lasthaak tot de maat A2, B2 of C2 verplaatsen.

Slagbegrenzer boven instellen

De slagbegrenzer boven wordt met de tweede stelschroef vanaf de achterzijde ingesteld.

Stelschroef

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Nocke einstellen mitte 3.jpg
SchakelnokMicroschakelaar
  1. Indien nodig: stelschroef zo lang draaien tot de schakelnok links van de microschakelaar staat. Deze mag niet rechts van de microschakelaar of exact op de microschakelaar staan.
  2. Stelschroef zo lang naar rechts draaien tot de schakelnok rechtsom tegen de microschakelaar drukt en er een klik te horen is.
  1. Het schakelpunt voor de bovenste haakstand is nu ingesteld. Op dit schakelpunt blijft de lasthaak in normaal bedrijf staan, nadat hij daarvoor is afgeremd. De remweg wordt in de volgende stap automatisch bepaald door ABUControl.

Remweg bepalen

In normaal bedrijf remt de lasthaak af tot lage hijssnelheid voordat hij op de bovenste haakstand blijft staan.

De remweg daarvoor bepaalt ABUControl automatisch.

  1. Lasthaak zonder last enkele meters naar beneden verplaatsen.
  2. Lasthaak met hoge hijssnelheid naar boven verplaatsen.
  • De lasthaak blijft in de bovenste haakstand staan.

Afhankelijk van hoe het schakelpunt eerder is gewijzigd, kan het zijn dat de lasthaak met hoge hijssnelheid tot het schakelpunt beweegt en daar plotseling blijft staan of dat de lasthaak vroeger afremt dan nodig en een langer stuk met lage hijssnelheid beweegt.

Indien de lasthaak zeer lang met lage hijssnelheid zou moeten bewegen, kan de eindpositie van de remfase handmatig worden gewijzigd. Zie „Eindpositie van de remfase van de aandrijving hijswerk tijdelijk wijzigen”.

  • ABUControl slaat het nieuwe schakelpunt van de bovenste haakstand automatisch op en berekent de vereiste remweg automatisch.

Als het schakelpunt de volgende keer wordt bereikt:

  • De lasthaak remt (afhankelijk van de actuele hijssnelheid) kort voor de bovenste haakstand af tot lage hijssnelheid.
  • Direct voor het schakelpunt beweegt de lasthaak slechts nog met lage hijssnelheid.
  • Op het schakelpunt blijft de lasthaak staan.

Instelling controleren

  1. Lasthaak naar beneden verplaatsen.
  • Lasthaak op lage en hoge snelheid naar boven verplaatsen en controleren of de lasthaak in de juiste positie blijft staan.
Alleen bij eindschakelaar aandrijving „GGS”

Stelschroeven verzegelen

Zegels

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Getriebegrenzschalter\GGS\Plombe oben dran.png
  1. Plaats zegels (2x) op de stelschroeven en druk deze in.

Eindpositie van de remfase van de aandrijving hijswerk tijdelijk wijzigen

In normaal bedrijf begint ABUControl kort voor het schakelpunt van de slagbegrenzer boven/onder aan de remfase van de aandrijving hijswerk. Op welk punt de remfase begint, berekent ABUControl telkens individueel, afhankelijk van de actuele hijssnelheid. Als de lasthaak snel naar boven beweegt, begint de remfase eerder. Als de lasthaak langzamer naar boven beweegt, begint de remfase later.

Direct voor het schakelpunt van de slagbegrenzer beweegt de lasthaak slechts nog met lage hijssnelheid en beweegt dan zo lang met lage hijssnelheid verder tot het schakelpunt geactiveerd wordt en de lasthaak daardoor stil blijft staan. Normaal gesproken is dit slechts een klein stuk (enkele centimeters).

Als echter bijvoorbeeld het schakelpunt van de eindschakelaar hijsen verandert, kent ABUControl de daaruit voortkomende nieuwe eindpositie en het nieuwe begin van de remfase nog niet. Daardoor kan het gebeuren dat de lasthaak zeer ver (wanneer het schakelpunt flink veranderd is) slechts met lage hijssnelheid beweegt.

In zulke gevallen kan het punt waarop de lasthaak slechts nog met lage hijssnelheid beweegt (einde van de remfase) tijdelijk worden gewijzigd. Zodra het schakelpunt van de slagbegrenzer geactiveerd wordt, wordt deze handmatige wijziging echter overschreven, zodat de remfase weer direct voor het schakelpunt van de slagbegrenzer eindigt.

De hier beschreven procedure verandert (in KranOS) de eindpositie van de remfase van ABUControl slechts tijdelijk. Daardoor worden niet de schakelpunten van de slagbegrenzer gewijzigd.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Instellingen van de slagbegrenzer oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk” 🡪 „Kalibratie hijswerk”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Kalibratie hijswerk” aanklikken.

Kabellengte instellen

Invoerveld kabellengte „Slagbegrenzer Boven aandrijving 1”Invoerveld kabellengte „Slagbegrenzer Beneden aandrijving 1”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Bremsphase Hubwerk ändern 3.png
Knoppen „Werkelijke waarde”
  • Het venster „Kalibratie hijswerk” verschijnt.
  1. In de invoervelden de kabellengte invoeren, waarbij de lasthaak stil moet blijven staan (de remfase moet eindigen).

of

Lasthaak naar de gewenste positie verplaatsen en de knop „Werkelijke waarde” onder het desbetreffende invoerveld aanklikken.

  • In de invoervelden wordt de kabellengte (lengte van de afgewikkelde kabel tussen kabeltrommel en ankerblok) ingevoerd. Er wordt niet de haakstand ingevoerd!
  • De kabellengte moet voor aandrijving 1 en 2 (bij tweeling-hijswerk) apart worden ingevoerd.
  1. Knop „PLC schrijven” aanklikken.
  • De ingestelde waarden worden opgeslagen.

Bij het hijsen en neerlaten:

  • ABUControl begint kort voor de ingestelde waarden aan de remfase van de aandrijving hijswerk. Op welke punten de remfase begint, berekent ABUControl telkens individueel, afhankelijk van de actuele hijssnelheid.

Als het schakelpunt van de slagbegrenzer boven/onder de volgende keer wordt bereikt:

  • De vorige instelling wordt overschreven.
  • ABUControl remt de hijswerkaandrijving nu weer zo, dat de lasthaak direct vóór het schakelpunt van de slagbegrenzer nog slechts nog met lage hijssnelheid beweegt.

Omschakelen tussen draadloze afstandsbediening en handafstandsbediening

Als de kraan behalve met de draadloze afstandsbediening met een verplaatsbare besturing met handafstandsbediening is uitgerust, kan indien gewenst (bijv. als de draadloze afstandsbediening niet beschikbaar is) de handafstandsbediening worden gebruikt.

Daarvoor moeten enkele stekkerstrips in de kraanrelaiskast worden verwisseld.

Opmerking:

Bij gebruik van een handafstandsbediening wordt automatisch een traploos bewegingsprofiel geactiveerd. Dit kan niet worden omgezet in KranOS. Het in KranOS ingestelde bewegingsprofiel geldt alleen voor bediening met de afstandsbediening.

Koppeling van ontvanger verwijderen

Stekkerstrip X2

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Notsteuerung abziehen 3.jpg
  1. Open de kraanrelaiskast.
  2. Zoek stekkerstrip X2.
  3. Trek de stekkerstrip eruit.

Koppeling van handafstandsbediening aansluiten

De stekkerstrips van de handafstandsbediening zijn al in de kraanrelaiskast gelegd en zijn gereed voor aansluiting.

Stekkerstrip X2 12

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Notsteuerung einstecken 3.jpg
Stekkerstrip X2 11Stekkerstrip X2 13
  1. Stekkerstrip van de handafstandsbediening aansluiten:
  • Stekkerstrip X2.11 (klem 1 t/m 5)
  • Stekkerstrip X2.12 (klem 6 t/m 15)
  • Stekkerstrip X2.13 (klem 16 t/m 27. Afhankelijk van uitvoering van de kraan zijn slechts enkele of niet alle hier beschreven klemmen aanwezig)
  • Stekkerstrip X2.14 (klem 28 t/m 38. Afhankelijk van uitvoering van de kraan zijn slechts enkele of niet alle hier beschreven klemmen aanwezig of de stekkerstrip vervalt compleet)

Kabel vervangen

In deze paragraaf worden de stappen beschreven die bij het vervangen van de kabel aan de takel met ABUControl moeten worden uitgevoerd. De stappen die aan de takel moeten worden uitgevoerd, zijn beschreven in het producthandboek van de takel.

De afbeeldingen tonen de procedure bij een takel GM modular. De procedure bij andere takels wijkt hiervan in principe niet af.

Vervangen van kabel voorbereiden

  1. Beweeg de lasthaak tot onder het bovenste eindschakelaarbereik. Het schakelpunt van de slagbegrenzer boven mag niet geactiveerd zijn.
  2. Meet en noteer de positie van de lasthaak.

Daardoor kan het instellen van de eindschakelaar hijsen na het vervangen van de kabel in veel gevallen komen te vervallen.

Alleen bij ABUControl met relaisbesturing of bij tweeling-hijswerk

Opdat de kabel gemotoriseerd van de kabeltrommel kan worden afgewikkeld, moet de eindschakelaar hijsen worden gedemonteerd. Anders stopt de kabeltrommel op de onderste haakstand.

Eindschakelaar hijsen verwijderen

De afbeeldingen tonen de eindschakelaar aandrijving „GPK”. De procedure voor de eindschakelaar aandrijving „GGS” wijkt hiervan in principe niet af.

Eindschakelaar hijsenTap van de kabeltrommel

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Seilzug E\Hubgrenzschalter abnehmen 3.jpg
Absoluut encoderAs van de eindschakelaar hijsen
  1. Behuizing van de eindschakelaar hijsen openen.
  2. Bouten (2x) eruit schroeven.
  3. Verwijder de eindschakelaar hijsen.
  4. Laat de as van de eindschakelaar hijsen in positie en verdraai deze niet.

Daardoor kan het instellen van de eindschakelaar hijsen na het vervangen van de kabel in veel gevallen komen te vervallen.

Als de as per ongeluk wordt verdraaid, wordt de melding „F_ _ 34: Kabelwissel: absoluut encoder 1 niet gedemonteerd” of „F_ _ 33: Kabelwissel: absoluut encoder 2 niet gedemonteerd” weergegeven.

  1. Borg de eindschakelaar hijsen, zodat hij niet naar beneden valt of aan de aansluitkabels hangt.
Alleen bij takel met kabelhoekvolger

Dit gedeelte is alleen van toepassing als er op de takel een inclinometer is gemonteerd op een kabelhoekvolger. Dit is het geval bij takel D met inschering 4/2 of 8/2 en bij takel Z met inclinometer. Sla dit gedeelte over bij andere typen takels met een inclinometer zonder kabelhoekvolger.

  1. Demonteer de inclinometer voordat de kabel wordt vervangen. Zie „Kabelhoekvolger voorbereiden“ in het hoofdstuk „inclinometer monteren en aansluiten“ op pagina „inclinometer monteren en aansluiten”.
  2. Neem daarna de kabel uit de kabelhoekvolger.

Zo wordt voorkomen dat de kabelhoekvolger bij het vervangen van de kabel beschadigd raakt.

  1. Reinig de kabelhoekvolger indien nodig.

De inclinometer kan vervuild raken door het smeermiddel op de kabel.

Als er voor het vervangen van de kabel een verbindingskous wordt gebruikt, moet de kabelhoekvolger toch worden gedemonteerd om schade te voorkomen.

Kabelwissel op ABUControl activeren

Het vervangen van de kabel bij ABUControl moet worden geactiveerd met een steekkoppeling in de relaiskast van de loopkatbesturing of in KranOS. Dit is ook nodig wanneer de eindschakelaar is gedemonteerd (alleen nodig bij relaisbesturing of tweeling-hijswerk), zodat de kabeltrommel door een motor kan worden aangedreven.

Ofwel kabelwissel via koppeling activeren:

Connector voor parkeerstand

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\Seilzug E\Seilwechselmodus aktivieren 3.jpg
Connector voor kabelwisselKoppeling met jumper
  1. Loopkatbesturing openen.
  2. Stiftklemmenstrip ‑X104 zoeken.
  3. Koppeling van de parkeerstand (bovenste connector) eruit trekken.
  4. Koppeling in de onderste connector steken.
  • De kabelwissel is geactiveerd. De kabeltrommel kan nu gemotoriseerd draaien zonder dat ABUControl een signaal van de absoluut encoder ontvangt.
  • De melding „F_ _ 28: Kabelwissel actief” verschijnt.
  • De totale slijtagewaarden voor de berekening van het vervangingspunt worden gewist, zodat de berekening voor de nieuwe kabel opnieuw begint.
  • De snelheid van de verplaatsing kraan en de verplaatsing loopkat is beperkt tot de langzame snelheid.
  • Tijdens het verplaatsen met de kraan en de loopkat klinkt de claxon om de seconde.

Of kabelwissel via KranOS activeren:

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk“

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Seilwechsel aktivieren 3.png
Knop „Kabelwissel kabeltrommel 1”Knop „Kabelwissel kabeltrommel 2” (uitsluitend bij tweeling-hijswerk)
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. Knop „Kabelwissel kabeltrommel 1” aanklikken.
  • De knop krijgt een groene ondergrond.
  • De kabelwissel is geactiveerd. De kabeltrommel kan nu gemotoriseerd draaien zonder dat ABUControl een signaal van de absoluut encoder ontvangt.
  • De melding „F_ _ 28: Kabelwissel actief” verschijnt.
  • De totale slijtagewaarden voor de berekening van het vervangingspunt worden gewist, zodat de berekening voor de nieuwe kabel opnieuw begint.
  • De snelheid van de verplaatsing kraan en de verplaatsing loopkat is beperkt tot de langzame snelheid.
  • Tijdens het verplaatsen met de kraan en de loopkat klinkt de claxon om de seconde.
Alleen bij tweeling-hijswerk

Om de kabel bij een tweeling-hijswerk te kunnen vervangen, moeten Hijswerkaandrijving 1 en Hijswerkaandrijving 2 afzonderlijk van elkaar kunnen worden bediend.

Kabelwissel via koppeling activeren:

  1. Koppeling van de parkeerstand (bovenste connector) eruit trekken.
  2. Koppeling in de onderste connector steken:
  • Koppeling in de linker positie (contacten 1, 2 en 3): de kabeltrommel op Hijswerkaandrijving 1 kan worden aangestuurd.
  • Koppeling in de rechter positie (contacten 2, 3 en 4): de kabeltrommel op Hijswerkaandrijving 2 kan worden aangestuurd.

Kabelwissel via KranOS activeren:

  1. In het venster voor het gewenste hijswerk de desbetreffende knop aanklikken:
  • „Kabelwissel kabeltrommel 1”: de knop „Kabelwissel kabeltrommel 1” krijgt een groene ondergrond. De kabeltrommel op Hijswerkaandrijving 1 kan worden aangestuurd.
  • „Kabelwissel kabeltrommel 2”: de knop „Kabelwissel kabeltrommel 2” krijgt een groene ondergrond. De kabeltrommel op Hijswerkaandrijving 2 kan worden aangestuurd.

Kabel vervangen

  1. Kabel gemotoriseerd van de kabeltrommel laten lopen.
  2. Kabel vervangen. Zie producthandboek van de takel.
Alleen bij ABUControl met relaisbesturing of bij tweeling-hijswerk

Eindschakelaar hijsen monteren

  1. Beweeg de lasthaak in de eerder genoteerde positie.
  2. Eindschakelaar hijsen op de tap van de kabeltrommel plaatsen.
  3. Eindschakelaar hijsen vastschroeven.
  4. Posities van de schakelpunten controleren.
Alleen bij takel met kabelhoekvolger

Kabelhoekvolger monteren

  1. Kabelhoekvolger monteren. Zie „inclinometer monteren en aansluiten““.

Kabelwissel uitschakelen

Zodra de kabel vervangen is:

  1. Aan de stiftklemmenstrip ‑X104 de koppeling van de onderste connector verwijderen en in de parkeerstand (bovenste connector) steken.

of

Knop „Kabelwissel kabeltrommel 1” aanklikken.

  • De kabelwissel is gedeactiveerd.
  • De knop heeft geen groene ondergrond meer.
  1. Noodstop-knop of claxon indrukken om de melding „F_ _ 28: Kabelwissel actief” te bevestigen.

Als de schakelpunten verschoven zijn:

Normaal gesproken kan het instellen van de eindschakelaar hijsen na het vervangen van de kabel in veel gevallen vervallen, omdat de positie van de lasthaak daarvoor is gemeten en vervolgens weer is ingenomen. In bijzondere gevallen (bijv. als de kabel sterk beschadigd of verkeerd of de kabeltrommel gewikkeld was) kan het zijn dat de schakelpunten opnieuw moeten worden ingesteld.

  1. Stel de schakelpunten voor de slagbegrenzer onder, de slagbegrenzer boven en de backup-begrenzer opnieuw in.

Zie „Schakelpunten voor de backup-begrenzer en de slagbegrenzer boven instellen.”.

Zie „Schakelpunt voor de slagbegrenzer onder instellen”.

  1. Referentiepunt absoluut encoder opnieuw instellen. Zie „Referentiepunt absoluut encoder instellen”.

Als er een inclinometer is gemonteerd:

Als er een kabelhoeksensor is gemonteerd, moet deze opnieuw worden gekalibreerd. Zie „Inclinometer kalibreren“.

Basiskalibratie van lastsensor uitvoeren

Als de ankerbloktraverse met lastsensor of een afzonderlijke lastsensor van de ankerbloktraverse vervangen wordt, moet de basiskalibratie van de lastsensor opnieuw uitgevoerd worden. Dit kalibreren is een fundamentele procedure en heeft niets met het kalibreren van het lastmeetsysteem met een opgetilde testlast te doen, maar vormt het fundamentele referentiepunt voor alle lastmetingen. Bij deze basiskalibratie moet de lastsensor volledig onbelast zijn. Ook kabel en haakblok mogen de lastsensor niet belasten en moeten daarom voor de basiskalibratie worden gedemonteerd.

Na de basiskalibratie van de lastsensor moet ook de nullast opnieuw worden gekalibreerd en moet het lastmeetsysteem opnieuw worden gekalibreerd met een opgetilde testlast.

Bij een lastmeetsysteem met meetstift moet geen basiskalibratie van de meetstift worden uitgevoerd. Het kalibreren van het lastmeetsysteem met opgetilde testlast is echter ook bij een meetstift nodig.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Kalibratie hijswerk oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk” 🡪 „Kalibratie hijswerk”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Kalibratie hijswerk” aanklikken.

Basiskalibratie van lastsensor uitvoeren

Voor de basiskalibratie is het rechtergedeelte in het venster „Kalibratie hijswerk” bestemd. Deze stap is alleen nodig als de ankerbloktraverse of de lastsensor is vervangen.

De lastsensor moet volledig onbelast zijn. Kabel en haakblok mogen de lastsensor niet belasten. Daarom moet het draadhuis uit de ankerbloktraverse worden gedemonteerd. De ankerbloktraverse mag niet klem zitten of aan andere mechanische belasting zijn blootgesteld.

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Lastsensor kalibrieren.png
Knop „Lastsensor kalibreren”
  • Het venster „Kalibratie hijswerk” verschijnt.
  1. Knop „Lastsensor kalibreren” aanklikken.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Lastsensor kalibrieren Sicherheitsabfrage.png
Knop „Kalibreren uitvoeren”
  • Er verschijnt een beveiligingsvraag.
  1. Knop „Kalibreren uitvoeren” aanklikken.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Lastsensor kalibriert.png
  • De knop „Lastsensor kalibreren” wordt grijs weergegeven.
  • De kalibratiemodus is geactiveerd.
  1. Kraan met netscheidingsschakelaar of netstroomschakelaar uitschakelen.
  2. 60 s wachten.
  3. Kraan weer inschakelen.
  • ABUControl wordt opnieuw gestart.
  • Daarnaast wordt tijdens het opnieuw opstarten de lastsensor gekalibreerd.

Lastmeetsysteem met een opgetilde testlast kalibreren

Na de basiskalibratie van de lastsensor moet ook de nullast opnieuw worden gekalibreerd en moet het lastmeetsysteem opnieuw worden gekalibreerd met een opgetilde testlast.

  1. Het lastmeetsysteem met een opgetilde testlast opnieuw kalibreren. Zie „Lastmeetsysteem met een opgetilde testlast kalibreren”.

Status van de kraanassen weergeven

In KranOS kan informatie over de actuele status van alle kraanassen (verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat, hijswerk) worden weergegeven.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Kraanas weergeven

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Verplaatsen kraan“

Gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Verplaatsen loopkat“

Gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Hijswerk“

Er worden uitsluitend kraanassen weergegeven, die daadwerkelijk voor de kraan beschikbaar zijn.

In het venster worden uitsluitend de componenten weergegeven die daadwerkelijk voor de kraan beschikbaar zijn.

  1. Met gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu de gewenste kraanas selecteren (bijv. verplaatsing kraan).
  • Het venster voor de desbetreffende kraanas verschijnt.

Per kraanas verschillen de vensters van elkaar.

Verplaatsing kraan:

Frequentieomvormer verplaatsing kraan ‑TA61 en ‑TA62Eindschakelaar loopwerk kraan ‑B71

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Status Kranfahrt 3.png
HalprofielKraanafstandregeling
  • Eindschakelaar loopwerk kraan (‑B71): hier wordt de schakelaarstand van de eindschakelaar loopwerk kraan weergegeven.

Groene achtergrond: eindschakelaar loopwerk is niet geactiveerd
Blauwe achtergrond: eindschakelaar loopwerk is geactiveerd.

De eindschakelaars loopwerk kraan worden voor een voor-uitschakeling en eind-uitschakeling gebruikt. Richting het einde van de kraanbaan worden kruisschakelaars (-B71) gebruikt, richting een tegenkraan worden reflectielichtsluizen (in plaats van –B71 worden –B711 en -B712 alsook -B713 en –B714) gebruikt.

  • Extra eindschakelaar loopwerk kraan (‑B72): aanvullend op ‑B71 kan elke eindschakelaar loopwerk kraan voor elk schakelpunt en elke verplaatsingsrichting dubbel aanwezig zijn om de veiligheid van het systeem te verhogen.

Frequentieomvormer verplaatsing kraan (‑TA61 en ‑TA62): hier wordt de status van de frequentieomvormer verplaatsing kraan weergegeven:

„Gereed”: de frequentieomvormer is bedrijfsklaar.

„Loopt”: de frequentieomvormer is actief, waardoor de aandrijving draait.

„Gewenste snelheid”: snelheid waarmee de aandrijving moet draaien.

„Werkelijke snelheid”: snelheid waarmee de aandrijving draait.

Bij kranen zonder elektronische spoorgeleiding wordt voor beide loopwerkaandrijvingen kraan een gezamenlijke frequentieomvormer (‑TA61) gebruikt. Bij een elektronische spoorgeleiding of bij een Quadro-loopwerkaandrijving kraan wordt een aanvullende frequentieomvormer ‑TA62 weergegeven.

  • Kruisschakelaars voor halprofielbesturing (‑B76 / ‑B77): hier wordt de actuele schakelaarstand van de kruisschakelaars weergegeven die voor de halprofielbesturing worden gebruikt. Door de combinatie van beide kruisschakelaars met elk zes schakelstanden kunnen tot 36 posities worden geregistreerd.
  • Reflectielichtsluizen voor kraanafstandregeling (‑B73): hier worden de schakelstanden van de reflectielichtsluizen van de kraanafstandregeling weergegeven.

Bij de kraanafstandregeling remt de kraan af tot lage rijsnelheid (voor-uitschakeling) of blijft volledig staan (eind-uitschakeling), zodra de ingestelde afstand tot een tegenkraan onderschreden wordt.

Voor elk schakelpunt en elke verplaatsingsrichting wordt daarbij een reflectielichtsluis gebruikt. ABUControl bewaakt tegelijkertijd het verbreekcontact (NC) en maakcontact (NO) van alle reflectielichtsluizen.

Schakelcontact 1 wordt voor de eind-uitschakeling vooruit gebruikt, schakelcontact 2 voor de voor-uitschakeling vooruit, schakelcontact 3 voor de voor-uitschakeling achteruit en schakelcontact 4 voor de eind-uitschakeling achteruit.

De kraanafstandregeling wordt vaak gebruikt om te voorkomen dat kranen, bijvoorbeeld om statische redenen, een bepaalde afstand onderschrijden. De kraanafstandregeling kan ook samen met de botsbeveiliging (zie eindschakelaar loopwerk kraan ‑B71) worden gebruikt.

  • Extra reflectielichtsluizen voor kraanafstandregeling (‑B74): aanvullend op ‑B73 kan elke reflectielichtsluis voor elk schakelpunt en elke verplaatsingsrichting dubbel aanwezig zijn om de veiligheid van het systeem te verhogen.
  • Foto-elektrische beveiliging voor signaaloverdracht bij lastafhankelijke kraanafstandregeling (‑B78):

Als de kraanafstandregeling lastafhankelijk uitgevoerd is, wordt de kraan langzamer en stopt vervolgens zodra een ingestelde afstand tot een tegenkraan onderschreden wordt en er tegelijkertijd een last boven een ingestelde waarde wordt verplaatst.

Opdat in beide besturingen van kraan en tegenkraan bekend is of momenteel aan de andere kraan de ingestelde last is onderschreden of overschreden, wordt deze informatie met een foto-elektrische beveiliging tussen beide kranen overgedragen. Elke kraan heeft daarvoor een foto-elektrische beveiliging voor de overdracht van het vrijgavesignaal als zender en een als ontvanger.

Hier wordt weergegeven welk signaal momenteel op de ontvanger actief is. Bereik 1 toont het vrijgavesignaal in de richting vooruit. Bereik 3 toont het vrijgavesignaal in de richting achteruit.

NC met blauwe ondergrond, NO met groene ondergrond: de ingestelde last is onderschreden. De kraan ontvangt een vrijgavesignaal van de tegenkraan.
NC met groene ondergrond, NO met blauwe ondergrond: de ingestelde last is overschreden. De kraan ontvangt geen vrijgavesignaal van de tegenkraan.

De last kan in de uitgebreide parameters worden ingesteld. Zie „Uitgebreide parameters voor verplaatsingsprofielen (verplaatsingsprofiel kraan, verplaatsingsprofiel loopkat) instellen”.

Verplaatsing loopkat:

Frequentieomvormer verplaatsing loopkat ‑TA41Eindschakelaar loopwerk loopkat –B51

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Status Katzfahrt 3.png
Halprofiel
  • Eindschakelaar loopwerk loopkat (‑B51): hier wordt de schakelaarstand van de eindschakelaar loopwerk loopkat weergegeven.

Groene achtergrond: eindschakelaar loopwerk is niet geactiveerd
Blauwe achtergrond: eindschakelaar loopwerk is geactiveerd.

  • Frequentieomvormer verplaatsing loopkat (‑TA41): hier wordt de status van de frequentieomvormer verplaatsing loopkat weergegeven:

„Gereed”: de frequentieomvormer is bedrijfsklaar.

„Loopt”: de frequentieomvormer is actief, waardoor de aandrijving draait.

„Gewenste snelheid”: snelheid waarmee de aandrijving moet draaien.

„Werkelijke snelheid”: snelheid waarmee de aandrijving draait.

Kruisschakelaar voor halprofielbesturing (‑B56 / ‑B57): hier wordt de actuele schakelaarstand van de kruisschakelaars weergegeven die voor de halprofielbesturing worden gebruikt. Door de combinatie van beide kruisschakelaars met elk zes schakelstanden kunnen tot 36 posities worden geregistreerd.

Hijswerk:

Frequentieomvormer hijswerk ‑1TA21 en ‑2TA21Eindschakelaar hijsen ‑B31 en ‑B32

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Status Hubwerk 3.png
KnoppenLastindicatie
  • Eindschakelaar hijsen (‑B31): hier wordt de schakelaarstand van de eindschakelaar hijsen weergegeven.

Groene achtergrond: eindschakelaar hijsen is niet geactiveerd
Blauwe achtergrond: eindschakelaar hijsen is geactiveerd.

Bij een tweeling-hijswerk wordt voor de tweede kabeltrommel een aanvullende eindschakelaar hijsen ‑B32 gebruikt.

Bij hijswerk met relaisbesturing: de actuele schakelaarstand wordt alleen weergegeven terwijl het hijswerk hijst of neerlaat. Als het hijswerk stilstaat worden de schakelpunten blauw weergegeven.

  • Frequentieomvormer hijswerk (‑1TA21): hier wordt de status van de frequentieomvormer hijswerk weergegeven:

„Gereed”: de frequentieomvormer is bedrijfsklaar.

„Loopt”: de frequentieomvormer is actief, waardoor de aandrijving draait.

„Gewenste snelheid”: snelheid waarmee de aandrijving moet draaien.

„Werkelijke snelheid”: snelheid waarmee de aandrijving draait.

Bij een tweeling-hijswerk wordt voor de tweede kabeltrommel een aanvullende frequentieomvormer ‑2TA21 weergegeven.

Lastindicatie: hier worden de meetresultaten van het lastmeetsysteem weergegeven:

„Draagvermogen”: maximaal draagvermogen van het hijswerk

„Enkele last”: actueel gemeten last aan het hijswerk.

„Totale belasting”: totale belasting van alle hijswerken of alle kranen.

„Overlastteller”: aantal hijsbewegingen met overlast. Het aantal wordt telkens met 1 verhoogd wanneer het hijswerk een last hijst die boven het maximale draagvermogen van de kraan ligt.

  • Knoppen: hier kunnen de functies voor onderhoudswerkzaamheden worden ingeschakeld.

„Overbrugging beveiliging overbelasting”: zie „Overlastbeveiliging overbruggen”.

„Kabelwissel kabeltrommel”: zie „Kabel vervangen”.

bewegingsprofielen selecteren:

Voor de bewegingen van alle drie kraanassen (verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat, hijsen/neerlaten) kunnen verschillende bewegingsprofielen worden geselecteerd. Daardoor kan het fundamentele bewegingsgedrag worden vastgelegd.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Selectie voor bewegingsprofiel oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.

Bewegingsprofiel selecteren

Vervolgkeuzelijsten voor bewegingsprofielen

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Bewegungsprofile auswählen.png
Knop „PLC schrijven”
  • Het venster „Bewegingsprofiel” verschijnt.
  • De actuele instellingen worden weergegeven.
  1. In de kraanas het gewenste bewegingsprofiel selecteren:
  • Traploos: met een tweetraps knop of masterschakelaar kan de aandrijving in de tweede trap tot een maximale waarde versneld worden zolang de knop wordt vastgehouden. Als de knop of masterschakelaar in de eerste trap wordt teruggeschakeld, houdt de aandrijving de actuele snelheid vast. Als de knop of masterschakelaar wordt losgelaten, wordt de snelheid verminderd.
  • Tweetraps: met een tweetraps knop of masterschakelaar kan de aandrijving in de eerste trap op een vast ingestelde lage snelheid worden versneld en in de tweede trap op een vast ingestelde hoge snelheid.
  • Analoge waarde lineair: met een proportionele masterschakelaar kan de aandrijving traploos worden versneld en geremd. Hoe verder de masterschakelaar bediend wordt, hoe sneller de aandrijving draait. De verhouding tussen masterschakelaar en aandrijving is daarbij lineair.

Analoge waarde S-curve: zoals hierboven. De verhouding tussen masterschakelaar en aandrijving is daarbij in de vorm van een S-curve. Daardoor is in het bereik rond het nulpunt van de masterschakelaar (aandrijving staat stil) relatief veel beweging van de masterschakelaar nodig en aan de bovenste en onderste aanslag van de masterschakelaar relatief weinig. Daardoor kan vooral bij langzame bewegingen van de kraan zeer nauwkeurig worden gestuurd.

  1. Knop „PLC schrijven” aanklikken.
Alleen bij tandembedrijf
  1. Inloggen op partnerkraan en in het venster „Bewegingsprofiel” hetzelfde bewegingsprofiel instellen.

Als op de partnerkraan een ander bewegingsprofiel is ingesteld, verschijnt de foutmelding „F0026: Tandembedrijf: verschillende verplaatsingsprofielen” wanneer tandembedrijf wordt geactiveerd.

Afzonderlijke besturing voor ABURemote-zender instellen

Alleen bij ABURemote „Joystick” met afzonderlijke besturing

Bij een ABURemote-zender „Joystick” met afzonderlijke besturing (zender met drie masterschakelaars) kan de modus van de afzonderlijke besturing in KranOS worden ingesteld. Zie ook producthandboek ABURemote „Joystick”.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau ‚[1]) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Selectie voor bewegingsprofiel oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel“

  1. Met gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.

Afzonderlijke besturing instellen

Vervolgkeuzelijst „Afzonderlijke besturing”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Einzelsteuerung auswählen.png
Knop „PLC schrijven”
  1. Het venster „Bewegingsprofiel” verschijnt.
  2. De actuele instelling wordt weergegeven.
  1. In de vervolgkeuzelijst „Afzonderlijke besturing” de gewenste waarde selecteren:
  • „Gedeactiveerd”: de afzonderlijke besturing is uitgeschakeld. De middelste masterschakelaar op de ABURemote-zender heeft geen functie.
  • „Alleen afzonderlijke besturing”: de loopkatten kunnen onafhankelijk van elkaar worden bediend. De ene masterschakelaar op de zender bestuurt loopkat I, de andere masterschakelaar op de zender bestuurt loopkat II. De tuimelschakelaar voor synchroon bedrijf heeft geen functie.
  • „Met synchroon bedrijf”: de loopkatten kunnen onafhankelijk van elkaar worden bediend zoals eerder beschreven. Daarnaast kan met de tuimelschakelaar op de zender naar synchroon bedrijf worden omgeschakeld. Dan bestuurt de rechter masterschakelaar beide loopkatten in synchroon bedrijf, de middelste masterschakelaar heeft geen functie.
  • „Met synchrone verplaatsing loopkat”: de loopkatten kunnen onafhankelijk van elkaar worden bediend zoals eerder beschreven. Daarnaast kan met de tuimelschakelaar op de zender naar synchrone verplaatsing loopkatten worden omgeschakeld. Dan bestuurt de rechter masterschakelaar de synchrone verplaatsing loopkatten voor beide loopkatten. De hijswerken van beide loopkatten kunnen verder onafhankelijk van elkaar worden bediend met de middelste en rechter masterschakelaar.
  1. Knop „PLC schrijven” aanklikken.

Opmerking:

Door het instellen op afzonderlijke besturing worden de remwegen langer. Zie producthandboek „ABUS draadloze afstandsbediening ABURemote Joystick“.

Eindschakelaar loopwerk en slagbegrenzer tijdelijk overbruggen

Tijdelijk, bijv. bij reparaties, kunnen alle eindschakelaars loopwerk en slagbegrenzers (behalve de backup-begrenzer) worden overbrugd.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Venster voor bewegingsprofiel oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.

Eindschakelaars loopwerk en slagbegrenzer overbruggen

Knop „Alle eindschakelaars loopwerk en slagbegrenzers overbruggen”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Fahrgrenzschalter und Hubbegrenzer überbrücken.png
  • Het venster „Bewegingsprofiel” verschijnt.
  1. De schakelaar „Alle eindschakelaars loopwerk en slagbegrenzers overbruggen” aanklikken.
  • De schakelaar krijgt een rode ondergrond.
  • Alle eindschakelaars loopwerk (eindschakelaar loopwerk loopkat van alle loopkatten en eindschakelaars loopwerk kraan in de vorm van kruisschakelaars, afstandsensoren, reflectielichtsluizen als voor-uitschakeling en eind-uitschakeling) en alle slagbegrenzers (slagbegrenzer boven en onder van alle hijswerken) alsook de halprofielbesturing zijn overbrugd.
  • Kraan, loopkat en hijswerk kunnen met lage snelheid worden bewogen.
  • De melding F0064 „Alle eindschak. loopwerk en slagbegrenzers overbrugd” wordt weergegeven.
  • De overbrugging blijft zo lang ingeschakeld tot deze met de knop „Alle eindschak. loopwerk en slagbegrenzers overbruggen” weer wordt uitgeschakeld.
  • De overbrugging blijft ook ingeschakeld als de kraan wordt uitgeschakeld en weer ingeschakeld.

Verplaatsingsrichting van kraan en loopkat verwisselen

Soms kan het nodig zijn de verplaatsingsrichting van kraan en loopkat te verwisselen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de kraan anders gemonteerd is dan in de planningsdocumenten was aangegeven.

Daarbij worden alle gegevens met betrekking tot de verplaatsingsrichting verwisseld. Dit geldt bijvoorbeeld voor de knoppen op de zender van de draadloze afstandsbediening, alle weergaven in KranOS, de geëvalueerde bewegingsbegrenzing alsook kruisschakelaars en afstandsensoren, alle foutmeldingen met betrekking tot verplaatsingsrichting enz.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Venster voor bewegingsprofiel oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.

Verplaatsingsrichting van kraan en loopkat verwisselen

Schakelaar „Verplaatsingsrichting kraan verwisselen”Schakelaar „Verplaatsingsrichting loopkat verwisselen”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Fahrtrichtung Kran- Katzfahrt tauschen.png
  • Het venster „Bewegingsprofiel” verschijnt.
  1. De schakelaar „Verplaatsingsrichting kraan verwisselen” of „Verplaatsingsrichting loopkat verwisselen” aanklikken.
  • De schakelaar krijgt een blauwe ondergrond.
  • Alle gegevens met betrekking tot de verplaatsingsrichting voor verplaatsing kraan of verplaatsing loopkat worden verwisseld.
  • Het wisselen van de verplaatsingsrichting is permanent en blijft ook bestaan wanneer de kraan wordt uitgeschakeld en weer ingeschakeld.

Synchroonloop instellen

De synchroonloop voor verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat en hijsen/neerlaten is af fabriek ingesteld en op de meeste situaties passend afgestemd.

Indien nodig kunnen de maximale synchroonloopafwijking en de gevoeligheidscurve aan de omstandigheden in de hal worden aangepast.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Instellingen voor synchroonloop oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.

Synchroonloop instellen

„Synchroonloop verplaatsing kraan gevoeligheidscurve” en „Synchroonloop verplaatsing loopkat gevoeligheidscurve”

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Gleichlauf einstellen 3.png
„Maximale synchroonloop-afwijking verplaatsing kraan” en „Maximale synchroonloop-afwijking verplaatsing loopkat” in millimeters„Maximale synchroonloop-afwijking hijswerk” in meter
  • Het venster „Bewegingsprofiel” verschijnt.
  • De actuele instellingen van de synchroonloop worden weergegeven.
  1. De gevoeligheidscurve voor verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat en hijsen/neerlaten gematigd in kleine stappen aan de omstandigheden in de hal aanpassen en steeds weer testen met proefruns.

De gevoeligheidscurve kan tussen „0.01” en „10.0” worden ingesteld. De laagste waarde (factor 0,01) komt overeen met een traag regelgedrag. Naarmate de factor stijgt, neemt de gevoeligheid van het regelgedrag toe.

  1. De maximale synchroonloopafwijking in millimeters gematigd in kleine stappen aan de omstandigheden in de hal aanpassen en steeds weer testen met proefruns.

De maximale synchroonloopafwijking is de maximale afstand van kraan, loopkat of lasthaak in synchroon bedrijf of in tandembedrijf.

  1. Knop „PLC schrijven” aanklikken.

Kraan opnieuw starten

Alleen bij functie Opnieuw starten van de kraan

De functie „Kraan opnieuw opstarten” dient om de kraan opnieuw op te starten door de bedrijfsspanning elektrisch te scheiden.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Diagnosepagina van de PLC oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Diagnose PLC“

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnose PLC” aanklikken.

Kraan opnieuw starten

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Kran neu starten 3.png
Knop „Kraan opnieuw opstarten”
  1. Het venster „Diagnose PLC” verschijnt.
  1. Knop „Kraan opnieuw opstarten” aanklikken.
  1. De bedrijfsspanning wordt kort onderbroken en weer ingeschakeld.
  2. De besturing wordt opnieuw gestart.

Lastafhankelijke schakelpunten instellen

Via lastafhankelijke schakelpunten kunnen aanvullende functies op de kraan worden geschakeld. Hier kunnen uitgangen van de besturing worden gebruikt die schakelen zodra er meer dan een bepaalde last door de kraan wordt gehesen.

Voor de kraan (totale belasting) en voor elk hijswerk staan er steeds maximaal twee lastafhankelijke schakelpunten ter beschikking. De planning en de elektrische aansluiting van de uitgangen wordt per order uitgevoerd. Het instellen van de lasten voor elk schakelpunt wordt uitgevoerd in KranOS.

Twee voorbeeld van toepassingen voor deze functie zijn bijvoorbeeld indicatielampen (bijv. onder 85% van het maximale draagvermogen brandt er een groene indicatielamp) of de besturing van een grijper (vanaf 10% van het maximale draagvermogen mag de grijper niet meer worden geopend).

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Instelling voor lastafhankelijke schakelpunt oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Schakelpunt, lastafhankelijk“

In het venster worden uitsluitend de hijswerken weergegeven die daadwerkelijk voor de kraan beschikbaar zijn.

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Lastafhankelijk schakelpunt” aanklikken.

Schakelpunten instellen

Lastafhankelijke schakelpunten voor kraanLastafhankelijke schakelpunten voor hijswerk 1

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Lastabhängiger Schaltpunkt.png
Lastafhankelijke schakelpunten 1Lastafhankelijke schakelpunten 2
  • Het venster „Lastafhankelijke schakelpunten” verschijnt.
  • De actuele instellingen worden weergegeven.
  1. Invoeren vanaf welke last de desbetreffende uitgang moet worden geschakeld.
  • De last kan apart voor de kraan (totale belasting van beide hijswerken) en voor het hijswerk of voor de afzonderlijke hijswerken worden ingevoerd.
  • Er zijn telkens maximaal twee schakelpunten beschikbaar, die bij verschillende lasten kunnen schakelen.
  • De verdere functie van de lastafhankelijke schakelpunten en de elektrische aansluiting zijn te vinden in het schakelschema.
  1. Knop „PLC schrijven” aanklikken.

De werking van de lastafhankelijke schakelpunten wordt bewaakt door de PLC. Hiervoor heeft elke uitgang van elk afzonderlijke lastafhankelijke schakelpunt een aanvullende ingang. Zodra een uitgang heeft geschakeld, moet op de bijbehorende ingang een signaal actief zijn. Als dit signaal niet actief is, verschijnt er een foutmelding. De elektrische aansluiting wordt per order uitgevoerd en is aangegeven in het schakelschema.

Slappe-kabelbeveiliging instellen

De slappe-kabelbeveiliging voorkomt bij het neerzetten van de last of als het haakblok de grond raakt, dat de kabel nog verder wordt afgewikkeld. Hiervoor wordt het neerlaten onderbroken, wanneer de gemeten last aan de lasthaak onder een ingestelde waarde daalt. Zonder slappe-kabelbeveiliging zou de kabel nog verder van de kabeltrommel kunnen worden gewikkeld, waardoor deze los omlaaghangt en dan kan blijven haken. Als de kabel dan weer op de kabeltrommel wordt gewikkeld, heeft deze mogelijk niet de juiste positie en voorspanning.

Bij de gemeten last aan de lasthaak kan rekening worden gehouden met een lastopnamemiddel (bijv. hijsjuk), zodat het gewicht daarvan van de gemeten last wordt afgetrokken. De minimale last kan worden ingesteld in KranOS. Als de lastindicatie met de functie „Tarra” op nul is gezet, wordt hiermee echter geen rekening gehouden voor de slappe-kabelbeveiliging.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Slappe-kabelbeveiliging instellen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Schakelpunt, lastafhankelijk“

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Lastafhankelijk schakelpunt” aanklikken.

Slappe-kabelbeveiliging instellen

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Schlaffseilsicherung.png
Minimale lastKnop „PLC schrijven”
  • Het venster „Lastafhankelijke schakelpunten” verschijnt.
  • De actuele instellingen worden weergegeven.
  1. Invoeren vanaf welke minimale last het neerlaten moet worden onderbroken.

Hier kan bijvoorbeeld het gewicht van een lastopnamemiddel worden ingevoerd.

  1. Knop „PLC schrijven” aanklikken.

Uitgebreide parameters voor verplaatsingsprofielen (verplaatsingsprofiel kraan, verplaatsingsprofiel loopkat) instellen

De verplaatsingsprofielen (verplaatsingsprofiel kraan, verplaatsingsprofiel loopkat) kunnen qua versnellings- en remtijd alsook qua maximale en minimale snelheid aan de eigen gewoonten worden aangepast.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Parameters voor verplaatsingsprofiel oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Verplaatsen kraan” 🡪 „Parameter verplaatsingsprofiel kraan”

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Verplaatsen loopkat” 🡪 „Parameter verplaatsingsprofiel loopkat”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu de gewenste kraanas selecteren (bijv. verplaatsing kraan).
  • Het venster voor de gewenste kraanas verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter verplaatsingsprofiel kraan” (of „Parameter verplaatsingsprofiel loopkat”) aanklikken.

Parameters voor verplaatsingsprofiel instellen

  • Het venster „Parameter” voor de desbetreffende kraanas verschijnt.
  • De actuele waarden worden weergegeven.
  1. De gewenste waarden instellen.

SnelheidVersnellingstijd en remtijd

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Parameter Kranfahrprofil.png
Halprofiel en matrixdisplay met ledsGedeeltelijke belasting

Sectie „Snelheid”:

Deze sectie heeft betrekking op de maximale en minimale rijsnelheid van kraan (of loopkat) in samenhang met de verschillende bewegingsprofielen.

Bij een lage waarde beweegt de kraan (of de loopkat) langzamer, bij een hoge waarde sneller.

De bewegingsprofielen kunnen worden geselecteerd op de pagina „Bewegingsprofiel”. Zie „bewegingsprofielen selecteren:”.

„Maximum”: maximale rijsnelheid van kraan (of loopkat).

Bij traploos bewegingsprofiel: de kraan (of de loopkat) versnelt tot deze rijsnelheid als de knop in de tweede trap wordt ingedrukt en vastgehouden.

Bij tweetraps bewegingsprofiel: de kraan (of de loopkat) versnelt tot deze rijsnelheid als de knop in de tweede trap wordt ingedrukt en vastgehouden.

  • „Minimum traploos”: dit is de laagste rijsnelheid waarmee de kraan (of de loopkat) bij traploos verplaatsingsprofiel kan bewegen.

De kraan (of de loopkat) versnelt tot deze rijsnelheid als de knop in de eerste trap wordt ingedrukt en vastgehouden.

  • „Minimum tweetraps”: dit is de laagste rijsnelheid waarmee de kraan (of de loopkat) bij tweetraps verplaatsingsprofiel kan bewegen.

De kraan (of de loopkat) versnelt tot deze rijsnelheid als de knop in de eerste trap wordt ingedrukt en vastgehouden.

  • „Voor-uitschakeling”: de kraan (of de loopkat) remt tot deze rijsnelheid af als de eindschakelaar loopwerk voor de voor-uitschakeling wordt bediend.

Sectie „Remmen en versnellen”

Deze sectie heeft betrekking op de remtijd en de versnellingstijd van kraan (of loopkat) in samenhang met de verschillende bewegingsprofielen.

Bij een lage waarde remt of versnelt de loopwerkaandrijving sneller, bij een hoge waarde langzamer.

De bewegingsprofielen kunnen worden ingesteld op de pagina „Bewegingsprofiel”. Zie „bewegingsprofielen selecteren:”.

  • „Remtijd”: tijd waarin de loopwerkaandrijving van de rijsnelheid afremt.

De ingevoerde tijd heeft daarbij altijd betrekking op het volledige afremmen van de maximale rijsnelheid volgens het typeplaatje tot stilstand.

Met deze waarde remt de loopwerkaandrijving als de knop uit de tweede of eerste trap wordt losgelaten.

  • „Remtijd andersom lopen”: tijd waarin de loopwerkaandrijving bij het andersom lopen van de rijsnelheid afremt.

De ingevoerde tijd heeft daarbij altijd betrekking op het volledige afremmen van de maximale rijsnelheid volgens het typeplaatje tot stilstand.

Met deze waarde remt de loopwerkaandrijving als de knop uit de tweede of eerste trap wordt losgelaten en direct de knop voor de tegengestelde richting wordt ingedrukt en vastgehouden.

  • „Versnellingstijd”: tijd waarin de loopwerkaandrijving tot rijsnelheid versnelt.

De ingevoerde tijd heeft daarbij altijd betrekking op het volledige versnellen van stilstand tot de maximale rijsnelheid volgens het typeplaatje.

Met deze waarde versnelt de loopwerkaandrijving wanneer de knop bij stilstand van de loopwerkaandrijving in de eerste trap wordt ingedrukt of wanneer de knop in de tweede trap wordt ingedrukt en wordt vastgehouden.

Overige secties:

  • Alleen bij verplaatsingsprofiel kraan: „Deellast verplaatsing kraan vooruit” en „Deellast verplaatsing kraan achteruit”: last vanaf welke de lastafhankelijke kraanafstandregeling moet worden ingeschakeld. Zie „Status van de kraanassen weergeven”. De last kan voor beide verplaatsingsrichtingen apart worden ingesteld.

Bij een algemene (lastonafhankelijke) kraanafstandregeling maakt het niet uit welke waarde hier wordt ingevoerd.

  • „Halprofiel”: geeft aan of voor de kraan een halprofiel beschikbaar is.
  • „Matrixdisplay met leds: tekstsnelheid”: snelheid waarmee de tekst op het matrixdisplay met leds loopt. Bij een lage waarde loopt de tekst sneller, bij een hoge waarde langzamer.

De ingestelde tekstsnelheid wordt direct in het matrixdisplay met leds opgeslagen en niet in de PLC. Daarom moet de knop „PLC schrijven” naast het invoerveld apart worden aangeklikt. Bovendien wordt de actuele waarde die in het matrixdisplay met leds is opgeslagen hier niet weergegeven.

De taal voor het matrixdisplay met leds kan worden geselecteerd via het dropdownmenu „Taal“.

  • „Draairichting” voor –B76 en –B77 (voor verplaatsing kraan) of –B56 en –B57 (voor verplaatsing loopkat): draairichting van beide kruisschakelaars die voor de halprofielbesturing worden gebruikt. De cijfers 0 t/m 5 geven de schakelstanden van de kruisschakelaars weer. Ze kunnen op de kruisschakelaars van een kleine pijl worden afgelezen.

Als de kruisschakelaar juist gemonteerd is (montage volgens situatietekening, behuizing onder, schakelkruis boven), schakelt hij in dalende volgorde door de schakelstanden (5‑4‑3‑2‑1‑0) als de kraan vooruit resp. de loopkat naar rechts beweegt.

Als de kruisschakelaar ondersteboven gemonteerd is (montage volgens situatietekening, behuizing boven, schakelkruis onder), schakelt hij in stijgende volgorde door de schakelstanden (0‑1‑2‑3‑4‑5) als de kraan vooruit resp. de loopkat naar rechts beweegt.

Uitgebreide parameters voor hijsprofiel instellen

Het hijsprofiel kan qua versnellings- en remtijd alsook qua maximale en minimale snelheid aan de eigen gewoonten worden aangepast.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Parameters voor hijsprofiel oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk” 🡪 „Parameter hijsprofiel”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter hijsprofiel” aanklikken.

Parameters voor hijsprofiel instellen

  • Het venster „Parameter” voor de desbetreffende kraanas verschijnt.
  • De actuele waarden worden weergegeven.
  1. De gewenste waarden instellen.

Sectie „Snelheid”
Sectie „Remmen en versnellen”
Secties „Snelheid super-kruipsnelheid” en „Remmen en versnellen in super-kruipsnelheid”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Parameter Hubprofil.png
Sectie „Lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering”Sectie „Gevoelige lasttoename“
Sectie „Beveiliging tegen schuin trekken“

Sectie „Snelheid”:

Deze sectie heeft betrekking op de maximum- en minimumhijssnelheid van het hijswerk in samenhang met de verschillende bewegingsprofielen.

Bij een lage waarde wordt het hijswerk langzamer gehesen/neergelaten, bij een hoge waarde sneller.

De bewegingsprofielen kunnen worden geselecteerd op de pagina „Bewegingsprofiel”. Zie „bewegingsprofielen selecteren:”.

  • „Maximum traploos”: maximumhijssnelheid bij traploos bewegingsprofiel.

Het hijswerk versnelt tot deze hijssnelheid als de knop in de tweede trap wordt ingedrukt en vastgehouden.

Bij dubbele hijssnelheid (optie): als het hijswerk met dubbele hijssnelheid kan hijsen en neerlaten, geldt de waarde in dit invoerveld ook voor de maximaal mogelijke extra hijssnelheid (meer dan 100% van de hijssnelheid volgens typeplaatje). De hijssnelheid is op het typeplaatje van de hijsmotor en in de technische gegevens aangegeven en kan daarom hier tot het dubbele worden verhoogd. De werkelijk maximaal mogelijke extra hijssnelheid (meer dan 100%) is afhankelijk van de bevestigde last en wordt afhankelijk van de bevestigde last automatisch gereduceerd.

  • „Maximum tweetraps”: maximumhijssnelheid bij tweetraps bewegingsprofiel.

Het hijswerk versnelt tot deze hijssnelheid als de knop in de tweede trap wordt ingedrukt en vastgehouden.

Bij dubbele hijssnelheid (optie): als het hijswerk met dubbele hijssnelheid kan hijsen en neerlaten, geldt de waarde in dit invoerveld ook voor de maximaal mogelijke extra hijssnelheid (meer dan 100% van de hijssnelheid volgens typeplaatje). De hijssnelheid is op het typeplaatje van de hijsmotor en in de technische gegevens aangegeven en kan daarom hier tot het dubbele worden verhoogd. De werkelijk maximaal mogelijke extra hijssnelheid (meer dan 100%) is afhankelijk van de bevestigde last en wordt afhankelijk van de bevestigde last automatisch gereduceerd.

  • „Minimum traploos”: laagste hijssnelheid bij traploos bewegingsprofiel.

Het hijswerk versnelt tot deze hijssnelheid als de knop in de eerste trap wordt ingedrukt en vastgehouden.

„Minimum tweetraps”: laagste hijssnelheid bij tweetraps bewegingsprofiel.

Het hijswerk versnelt tot deze hijssnelheid als de knop in de eerste trap wordt ingedrukt en vastgehouden.

  • „Remfase”: tot deze hijssnelheid remt het hijswerk af, direct voordat de eindschakelaar hijsen wordt geactiveerd.

Sectie „Remmen en versnellen”:

Deze sectie heeft betrekking op de remtijd en de versnellingstijd van het hijswerk in samenhang met de verschillende bewegingsprofielen.

Bij een lage waarde remt of versnelt de hijswerkaandrijving sneller, bij een hoge waarde langzamer.

De bewegingsprofielen kunnen worden geselecteerd op de pagina „Bewegingsprofiel”. Zie „bewegingsprofielen selecteren:”.

  • „Remtijd traploos”: de tijd waarin de hijswerkaandrijving bij een traploos bewegingsprofiel afremt.

De ingevoerde tijd heeft daarbij altijd betrekking op het volledig afremmen van de maximumhijssnelheid volgens typeplaatje tot stilstand.

Met deze waarde remt het hijswerk wanneer de knop uit de tweede of eerste trap wordt losgelaten zo lang totdat de knop weer in de eerste trap wordt ingedrukt.

Bij dubbele hijssnelheid (optie): de aangegeven waarde heeft betrekking op de hijssnelheid volgens typeplaatje. Bij dubbele hijssnelheid verdubbelt bij werkelijk gebruik van de kraan daarom ook de remtijd lastafhankelijk.

  • „Remtijd tweetraps“: de tijd waarin de hijswerkaandrijving afremt bij een tweetraps bewegingsprofiel.

De ingevoerde tijd heeft daarbij altijd betrekking op het volledig afremmen van de maximumhijssnelheid volgens typeplaatje tot stilstand.

Met deze waarde remt het hijswerk wanneer de knop uit de tweede of eerste trap wordt losgelaten.

Bij dubbele hijssnelheid (optie): de aangegeven waarde heeft betrekking op de hijssnelheid volgens typeplaatje. Bij dubbele hijssnelheid verdubbelt bij werkelijk gebruik van de kraan daarom ook de remtijd lastafhankelijk.

Door een zeer lage waarde is een zeer spontaan remgedrag mogelijk, dat ook bij hijswerken met frequentieomvormer lijkt op het remgedrag van een hijswerk met relaisbesturing.

  • „Versnellingstijd traploos”: de tijd waarin de hijswerkaandrijving versnelt bij een traploos bewegingsprofiel.

De ingevoerde tijd heeft daarbij altijd betrekking op het volledig versnellen van stilstand tot maximumhijssnelheid volgens typeplaatje.

Met deze waarde versnelt het hijswerk wanneer de knop bij stilstand van het hijswerk in de eerste trap wordt ingedrukt of wanneer de knop in de tweede trap wordt ingedrukt en vastgehouden.

Bij dubbele hijssnelheid (optie): de aangegeven waarde heeft betrekking op de hijssnelheid volgens typeplaatje. Bij dubbele hijssnelheid verdubbelt bij werkelijk gebruik van de kraan daarom ook de versnellingstijd lastafhankelijk.

  • „Versnellingstijd tweetraps“: de tijd waarin de hijswerkaandrijving versnelt bij een tweetraps bewegingsprofiel.

De ingevoerde tijd heeft daarbij altijd betrekking op het volledig versnellen van stilstand tot maximumhijssnelheid volgens typeplaatje.

Met deze waarde versnelt het hijswerk wanneer de knop bij stilstand van het hijswerk in de eerste trap wordt ingedrukt of wanneer de knop in de tweede trap wordt ingedrukt en vastgehouden.

Bij dubbele hijssnelheid (optie): de aangegeven waarde heeft betrekking op de hijssnelheid volgens typeplaatje. Bij dubbele hijssnelheid verdubbelt bij werkelijk gebruik van de kraan daarom ook de remtijd lastafhankelijk.

Door een zeer lage waarde is een zeer spontaan versnellingsgedrag mogelijk, dat ook bij hijswerken met frequentieomvormer lijkt op het versnellingsgedrag van een hijswerk met relaisbesturing.

Secties „Snelheid super-kruipsnelheid” en „Remmen en versnellen in super-kruipsnelheid”:

Deze secties hebben betrekking op de maximum- en minimumhijssnelheid van het hijswerk alsook op de remtijd en versnellingstijd in samenhang met de functie Super-kruipsnelheid.

Met de optie super-kruipsnelheid kan het hijswerk in een bijzonder lage snelheid worden geschakeld. Daardoor is extreem nauwkeurig positioneren van de last mogelijk.

Bij poolomschakelbare hijswerkaandrijvingen wordt de frequentieomvormer bij geactiveerde super-kruipsnelheid van de wikkeling voor de hoge hijssnelheid omgeschakeld op de wikkeling voor de lage hijssnelheid.

Bij niet-poolomschakelbare hijswerkaandrijvingen met slechts één wikkeling (bijv. GM7000.2) wordt het toerental van de hijsmotor door de frequentieomvormer van een aparte absoluut encoder bewaakt en daardoor is ook bij zeer lage hijssnelheden het volle koppel mogelijk, waardoor de last ook zonder rem tot stilstand kan worden gebracht.

De instellingen in deze sectie hebben betrekking op de technologie die daadwerkelijk op de kraan gebruikt wordt, dus zowel op super-kruipsnelheid bij poolomschakelbare hijswerkaandrijvingen als op niet-poolomschakelbare hijswerkaandrijvingen.

Super-kruipsnelheid kan op de zender of op de handafstandsbediening worden in- en uitgeschakeld.

De waarden die in deze secties worden ingevoerd (remtijd, snelheid maximum, snelheid minimum, versnellingstijd, snelheid remfase) gelden wanneer de super-kruipsnelheid op de zender of op de handafstandsbediening wordt ingeschakeld.

De betekenis van de waarden is identiek aan die van de secties „Snelheid” en „Remmen en versnellen”.

Overige secties:

  • „Gevoeligheid Snelle lasttoename”: gevoeligheid waarmee het plotseling hijsen van een last wordt bepaald. De weergegeven waarde is een drempelwaarde die afhankelijk is van de tijd en de gemeten last. Hoe lager het getal, hoe gevoeliger reageert ABUControl op een snelle lasttoename. De meting van de snelle lasttoename vindt in principe 50 ms na het indrukken van de knop voor hijsen plaats. Als er een snelle lasttoename geregistreerd wordt, remt het hijswerk af tot lage hijssnelheid, behoudt de lage hijssnelheid voor 2 seconden en versnelt dan weer als de knop op niveau 2 wordt gehouden.
  • „Draagvermogen”: maximaal draagvermogen van het hijswerk.
  • „Overlastfactor”: factor (veelvoud) van het maximale draagvermogen waarbij de overlastbeveiliging geactiveerd wordt.
  • „Meting van de hijsmotor”: hier wordt ingesteld of de hijsmotor bij inschakelen van de kraan elektrisch moet worden gemeten of niet. Bij het meten worden bepaalde elektrische waarden van de hijsmotor met een teststroom getest, worden deze vergeleken met de meetresultaten bij de eerste start van de kraan bij inbedrijfstelling en wordt de frequentieomvormer dienovereenkomstig ingesteld. Op die manier kan de frequentieomvormer tijdens de actieve werking rekening houden met de thermische toestand van de hijsmotor. Normaal gesproken is de meting bij inschakelen van de kraan actief. Bij oudere frequentieomvormers (ATV32) kan het nodig zijn de meting te deactiveren en de parameters van de frequentieomvormer opnieuw in te stellen.
  • „Kabellengte actueel aandrijving 1”: lengte van de totale kabel die momenteel van de kabeltrommel tot het ankerblok is afgerold.

Bij tweeling-hijswerk: aanvullend wordt „Kabellengte actueel aandrijving 2” weergegeven. De weergegeven waarde is dan telkens de lengte van de kabel die momenteel van de kabeltrommel tot de compensatieschijf (middelste keerrol boven aan takel of aan haakblok) is afgerold.

  • „Haakstand effectief”: haakstand (afstand van het midden van de kabeltrommel tot het midden van de keerrol van het haakblok) gebaseerd op de kabellengte. Hierbij wordt rekening gehouden met de inschering en bij tweeling-hijswerken ook met de twee kabeltrommels.
Alleen bij hijswerk met relaisbesturing

De secties „Snelheid”, „Remmen en versnellen”, „Snelheid super-kruipsnelheid”, „Remmen en versnellen in super-kruipsnelheid” alsook de vervolgkeuzelijst „Meting van de hijsmotor” worden weergegeven in KranOS, de ingevoerde waarden worden echter niet benut.

Bij een hijswerk met relaisbesturing worden de langzame en snelle wikkeling van de hijsmotor geschakeld door relais. Snelheid, remtijd en versnellingstijd worden daarbij bepaald door de fysische eigenschappen van de hijsmotor en niet geregeld door een frequentieomvormer.

Sectie „Lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering”:

  • „Max. rijsnelheid“: Hier wordt ingesteld wat de maximale rijsnelheid is voor de verplaatsing van de kraan en de loopkat wanneer de lasthaakgeleiding en lasthaakcentreringactief zijn.

Sectie „Beveiliging tegen schuin trekken“:

  • „Max. doorbuiging“: Hier wordt ingesteld hoe groot de maximale doorbuiging (in graden) van de kabel mag zijn bij het verplaatsen van de kraan en de loopkat. Als deze waarde wordt overschreden, stopt ofwel de hele kraan, ofwel alleen de hefbeweging.

De beveiliging tegen schuin trekken is alleen beschikbaar als de kraan is uitgerust met een inclinometer en als de kalibratie is voltooid (zie „Inclinometer kalibreren“).

Slingerdemping activeren en deactiveren

Opdat de slingerdemping correct functioneert, moet de lengte van het bevestigingsmiddel correct ingesteld zijn.

Zowel het in- en uitschakelen als het instellen van de slingerdemping kan comfortabel en snel via de ABURemote-zender worden uitgevoerd. Zie producthandboek „ABURemote”.

Als alternatief kan de slingerdemping ook in KranOS worden in- en uitgeschakeld en worden ingesteld. Als de slingerdemping in KranOS is ingeschakeld, moet deze ook daar weer worden uitgeschakeld. De instelling in KranOS is onafhankelijk van de ABURemote-zender en wordt daar niet weergegeven.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Slingerdemping oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk” 🡪 „Parameter hijsprofiel” 🡪 „Parameter slingerdemping”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter hijsprofiel” aanklikken.
  • Het venster „Parameter hijsprofiel” verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter slingerdemping” aanklikken.

Slingerdemping instellen en activeren

Invoerveld „Bevestigingsmiddel”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Pendeldämpfung aktivieren.png
Schakelaar „Slingerdemping activeren/deactiveren”Knop „PLC schrijven”
  • Het venster „Parameter slingerdemping” verschijnt.

Lengte van het bevestigingsmiddel invoeren:

  1. In het invoerveld „Bevestigingsmiddel” de afstand tussen de lasthaak en het zwaartepunt van de last invoeren. Daardoor wordt rekening gehouden de lengte van het bevestigingsmiddel.

Zie ook producthandboek ABURemote.

  1. Knop „PLC schrijven” aanklikken.

Slingerdemping inschakelen:

  1. Schakelaar „Slingerdemping” aanklikken.
  • De schakelaar krijgt een groene ondergrond.
  • De slingerdemping is nu geactiveerd.

Slingerdemping uitschakelen:

  1. Schakelaar „Slingerdemping” aanklikken.
  • De schakelaar heeft geen groene ondergrond meer.
  • De slingerdemping is nu gedeactiveerd.

Slingerdemping voor meerdere loopkatten vrijgeven

De slingerdemping functioneert in eerste instantie alleen bij een afzonderlijk hijswerk of bij een kraan met meerdere loopkatten in afzonderlijke besturing, wanneer de niet gebruikte loopkat in parkeerstand staat (lasthaak heeft slagbegrenzer boven bereikt).

Bij synchroon bedrijf van meerdere loopkatten of in tandembedrijf moet de slingerdemping apart worden vrijgegeven.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Slingerdemping oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk” 🡪 „Parameter hijsprofiel” 🡪 „Parameter slingerdemping”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter hijsprofiel” aanklikken.
  • Het venster „Parameter hijsprofiel” verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Parameter slingerdemping” aanklikken.

Slingerdemping voor afzonderlijke loopkat of voor meerdere loopkatten vrijgeven

Dropdownmenu „Slingerdemping beschikbaar”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Pendeldämpfung mehrere Katzen.png
  • Het venster „Parameter slingerdemping” verschijnt.
  1. Slingerdemping vrijgeven:
  • „Alleen voor afzonderlijke loopkat”: de slingerdemping kan alleen worden geactiveerd bij een afzonderlijk hijswerk of bij een kraan met meerdere loopkatten in afzonderlijke besturing, wanneer de niet gebruikte loopkat in parkeerstand staat (slagbegrenzer boven is bereikt door lasthaak).
  • „Aparte en meerdere loopkatten (synchroon bedrijf)”: de slingerdemping kan worden geactiveerd bij een apart hijswerk, bij een kraan met meerdere loopkatten in afzonderlijke besturing of in synchroon bedrijf en bij twee kranen in tandembedrijf.

Aanwijzingen bij slingerdemping voor meerdere loopkatten:

De berekening van de slingerdemping werkt bij synchroon bedrijf van meerdere loopkatten of in tandembedrijf alleen correct als de kraanbestuurder zich aan deze voorwaarden houdt:

  • Kraan en loopkat moeten hetzelfde type en dezelfde maat hebben.
  • De last moet correct worden bevestigd:

Haakstand

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Anschlagen Last Pendeldämpfung gleich 3.png
Lengte van het bevestigingsmiddelGelijkvormige last

Haakstand

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Anschlagen Last Pendeldämpfung ungleich 3.png
Lengte van het bevestigingsmiddelAfstand tot het zwaartepunt
  • De lengte van het bevestigingsmiddel moet worden ingevoerd:

Bij synchroon bedrijf van meerdere loopkatten moet de lengte van het bevestigingsmiddel van loopkat 1 worden ingevoerd.

In tandembedrijf moet de lengte van het bevestigingsmiddel van de eerste kraan worden ingevoerd. De eerste kraan heeft het IP-adres 192.168.1.1

Haakassistent (lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering) instellen

Met de lasthaakgeleiding kan de lasthaak handmatig worden verplaatst. In de richting waarin de lasthaak wordt gezwenkt of getrokken beweegt zowel de kraan als de kat.
Met de lasthaakcentrering wordt de lasthaak bij bevestigde last tijdens „heffen” automatisch boven de last uitgelijnd. Hierdoor wordt schuin trekken van de last voorkomen.
Een inclinometer aan de ankerbloktraverse of op het loopkatframe meet de doorbuiging van de kabel.

Opmerking:

De lasthaakcentrering is een assistentiefunctie. De verantwoordelijkheid blijft bij de kraanbestuurder liggen. De kraanbestuurder moet er in principe op letten dat de last niet onder een schuine hoek wordt opgetild.

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.
  • Het venster „Bewegingsprofiel” verschijnt.

Lasthaakgeleiding/lasthaakcentrering activeren/deactiveren

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Hakenführung aktivieren deaktivieren.png
Schakelaar „Lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering activeren/deactiveren“
  1. Met de schakelaar „Lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering“ de functie activeren of deactiveren.
  • De schakelaar krijgt een rode ondergrond.

Schakelaar „Lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering“ activeren/deactiverenGevoeligheid van de lasthaakgeleiding
en lasthaakcentrering

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Hakenführung - Werte einstellen.png
Factor bij de hijssnelheid bij lasthaakcentreringKnop „PLC schrijven”

Gevoeligheid instellen

  1. Via het betreffende dropdownmenu de gevoeligheid van de haakassistenten voor het verplaatsen van de kraan en de loopkat instellen.
  2. Klik op de knop „PLC schrijven“ en controleer of de parameters in KranOS zijn overgenomen.

Factor van de hijssnelheid instellen

Via de parameter Hefsnelheid kunt worden ingesteld hoe snel het hijswerk omhoog gaat wanneer de lasthaakcentrering actief is. De ingevoerde waarde moet tussen 0,5 en 3,0 liggen.

  1. Klik in het invoerveld voor de „factor van de hijssnelheid bij lasthaakcentrering“ van het betreffende hijswerk.
  2. Gewenste waarde invoeren.

De waarde 1 komt precies overeen met de hijssnelheid van de remfase. Bij waarden kleiner dan 1 is de hijssnelheid lager dan de ingestelde remfase. Bij waarden groter dan 1 is de hijssnelheid sneller dan de remfase. Zie ook „Uitgebreide parameters voor hijsprofiel instellen“.

  1. Knop „PLC schrijven” aanklikken.
  • De waarde is opgeslagen.

Opmerking:

Als de factor te hoog is ingesteld, bestaat de kans dat de last wordt opgetild voordat de loopkat boven de last is gecentreerd. Dit zou ertoe leiden dat de last gaat slingeren.

Punten van de positiebesturing aanpassen

In KranOS kunnen afzonderlijke punten van de positiebesturing die eerder in de teach-in-modus met ABURemote zijn ingeleerd achteraf worden aangepast. Zie het producthandboek ABURemote „Positiebesturing bij ABUControl: afzonderlijke punten inleren“. Achteraf aanpassen is mogelijk voor de lineaire positiebesturing LIN en de handmatige positiebesturing. Voor de punt-tot-punt positiebesturing PTP is dit niet mogelijk, omdat de punten binnen de route niet kunnen worden aangepast.

In totaal kunnen 127 posities worden aangemaakt voor de lineaire positiebesturing LIN en de handmatige positiebesturing.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Lengte kraanbaan berekenen:

Om posities voor de positiebesturing aan te kunnen maken, moet de lengte van de kraanbaan bekend zijn. Als dit niet bekend is, kan de lengte van de kraanbaan in KranOS worden berekend.

De lengte van de kraanbaan moet ook worden berekend als de kraanbaan langer is dan 262 m.

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Positiebesturing“

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Positiebesturing” aanklikken.
  • Het venster „Positiebesturing” verschijnt.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Länge der Kranbahn berechnen.png
Knop „Lengte van de kraanbaan berekenen”
  1. Verplaats de kraan zo mogelijk in het midden van de hal.
  2. Knop „Lengte van de kraanbaan berekenen” aanklikken.
  • De lengte van de kraanbaan wordt berekend en opgeslagen.

Bij afstandssensoren: de gemeten waarden van de afstandsensoren in beide richtingen langs de kraanbaan worden bij elkaar opgeteld.

Bij een absoluut meetsysteem: de absolute waarde van de kraan langs het meetsysteem wordt opgeslagen.

Bij meerdere overlappende absolute meetsystemen: de absolute waarde van de kraan wordt opgeslagen en het overlappende gebied van de beide absolute-meetsystemen wordt erop in mindering gebracht.

Tolerantie instellen

De tolerantie van de positiebesturing ten opzichte van de afzonderlijke posities kan in KranOS worden ingesteld. Hiermee wordt bepaald hoe ver de lasthaak bij het activeren mag afwijken van de ingeleerde posities. Wanneer een nieuwe positie wordt aangemaakt, wordt in KranOS automatisch de eerder algemeen geldende waarde overgenomen.

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Positiebesturing

Veld „Standaardinstelling tolerantie“Knop „PLC schrijven”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Toleranz einstellen.png
  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Positiebesturing” aanklikken.
  3. Voer in het veld „Standaardinstelling tolerantie“ de gewenste waarde in.

De ingevoerde tolerantie moet minimaal 10 mm bedragen. Bij kleinere waarden zou de kraan de positie anders te nauwkeurig benaderen en daarbij het ingestelde punt direct weer passeren, wat kan leiden tot schokken van de kraan op die positie.

Positie aanmaken/bewerken

Invoerveld „Opgeslagen posities van de posititiebesturing“Knop „Positie programmeren”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Positionen anlegen bearbeiten.png
Schakelaar „Kraanassen uitlijnen“Knop „PLC schrijven”
  1. Hijswerk en positie selecteren.
  • De invoervelden van het geselecteerde aandrijving zijn wit gemarkeerd. Alleen in deze velden kunnen waarden worden aangepast.
  1. Waarden van de positie aanmaken of aanpassen.

of

Knop „Positie programmeren” aanklikken.

  • De actuele waarden van de positie van de kraan, de loopkat en het hijswerk worden in de weergave overgenomen.

Gewijzigde waarden worden aangegeven met een oranje kader.

  1. Knop „PLC schrijven” aanklikken.
  • De waarden zijn opgeslagen.

Opmerking:

Door de waarde voor „Snelheid” in te voeren, worden alle snelheden aangepast, zowel de rij- en remsnelheden voor de verplaatsingen van de kraan en loopkat als de hijs- en daalsnelheid van het hijswerk bij het positioneren!

Punten van de halprofielbesturing aanmaken

Bei der Hallenprofilsteuerung über Kranposition können einzelne Punkte der Hindernisse in KranOS angelegt oder angepasst werden. Für die Hallenprofilsteuerung mit Kreuzhebelschaltern ist dies nicht möglich. Dort können die Hindernisse nur durch ABUS angepasst werden. Siehe „ABUS-service“.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel” 🡪 „Halprofiel (via kraanpositie)”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.
  3. In het bewegingsprofiel: In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Halprofiel (via kraanpositie)” aanklikken.

Obstakel opnieuw aanmaken

Een hindernis wordt weergegeven als een rechthoek met twee hoekpunten. Het ene hoekpunt bevindt zich onder/vooraan/links, het andere boven/achter/rechts.

Als een hindernis complexer is, kan het uit meerdere blokken worden samengesteld en telkens via de twee genoemde hoekpunten worden geplaatst. Daarbij moeten de blokken elkaar overlappen om de tolerantie van de meetsystemen te compenseren.

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Hindernis neu anlegen.png
Knop „Hindernis opnieuw opstarten”
  1. Op de knop „Hindernis opnieuw aanmaken” klikken.
  • Aan de rechterkant verschijnt het overzicht van de actuele positie en de invoervelden voor de hindernis.

Hoek onder/voor/links opslaan:

Actuele positieKnop „Actuele positie overnemen”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Neues Hindernis Eingaben.png
Invoervelden „Hoek onder/voor/links“Knop „PLC schrijven”
  1. Klik op de knop „Actuele positie overnemen”.

Of

Voer in de invoervelden de waarden voor de hoek onder/voor/links in.

Knop „PLC schrijven” aanklikken.

  • De hoek onder/voor/links is opgeslagen en de invoervelden voor de hoek boven/achter/rechts verschijnen.

Hoek boven/achter/rechts opslaan:

Hindernis aanmaken annuleren

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Neues Hindernis Eingaben Ecke oben .png
Invoervelden „Hoek boven/achter/rechts“Knop „PLC schrijven”
  1. Klik op de knop „Actuele positie overnemen”.

Of

Voer in de invoervelden de waarden voor de hoek boven/achter/rechts in.

Knop „PLC schrijven” aanklikken.

  • De hindernis is opgeslagen en verschijnt links in de kolom.

Opmerking:

De hindernis wordt pas opgeslagen en aangemaakt nadat de kraan opnieuw is opgestart.

Hindernis kopiëren, aanpassen of wissen

Om een hindernis te kunnen kopiëren, aanpassen of wissen, moet er eerst een hindernis zijn aangemaakt. Zie „Punten van de halprofielbesturing aanmaken“.

  1. Hijswerk selecteren.
  2. Hindernis selecteren.
  • De waarden van de hindernis worden weergegeven.

Knop „Hindernis kopiëren“Knop „Hindernis verwijderen“

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Hindernis angelegt.png
Dropdownmenu Selectie verplaatsingsprofielInvoerveld Gedeeltelijke belasting

Hindernis kopiëren:

  1. Knop „Hindernis kopiëren” aanklikken.
  2. Hindernis evt. aanpassen.

Hindernis wissen:

  1. Knop „Hindernis wissen” aanklikken.
  • De hindernis is gewist.
  • De hindernis wordt direct gewist zodra de knop wordt aangeklikt!

Hindernis aanpassen:

  1. Waarden van de geprogrammeerde hoek aanpassen.
  2. Selecteer eventueel het verplaatsingsprofiel in het dropdownmenu.
  3. Voer eventueel de gedeeltelijke belasting in.

Selectie hindernis overbruggen

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Hindernis überbrücken.png
Knop „PLC schrijven”
  1. Als er een hindernis moet worden overbrugd:
    Klik op het betreffende selectievakje en selecteer de te overbruggen deelnemer.
  2. Knop „PLC schrijven” aanklikken.
  • De hindernis is aangepast.

Tolerantie voor de halprofielbesturing instellen

De tolerantie van de halprofielbesturing ten opzichte van de hoekpunten van de hindernissen kan voor elke hindernis afzonderlijk worden ingevoerd. Wanneer een nieuwe hindernis wordt aangemaakt, wordt in KranOS automatisch de eerder algemeen geldende waarde overgenomen.

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel” 🡪 „Halprofiel (via kraanpositie)”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.
  3. In het bewegingsprofiel: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Halprofiel (via kraanpositie” aanklikken.

Lastafhankelijke kraanafstandregeling instellen

Bij de lastafhankelijke kraanafstandregeling remt en stopt de kraan zodra een ingestelde afstand tot een tegenkraan onderschreden wordt en er tegelijkertijd een last boven een ingestelde waarde wordt verplaatst.

Diagnose van de hulp-PLC weergeven

Via de hulp-PLC in ABUControl kunnen klantspecifieke speciale functies of speciale functies die geen onderdeel uitmaken van ABUControl worden geïmplementeerd. Deze worden per opdracht door ABUS ontwikkeld, geprogrammeerd en ter beschikking gesteld. De software voor deze speciale functies draait zelfstandig in de hulp-PLC van ABUControl en is via een gestandaardiseerde interface met ABUControl verbonden.

Door speciale functies kunnen bijvoorbeeld complexe lastopnamemiddelen, hindernisdetectie of vrijgaven door systemen van derden worden aangestuurd.

Op deze pagina in KranOS wordt weergegeven welke kraanas (verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat, hijsen/neerlaten) met welke snelheid door de speciale functie van de hulp-PLC in de huidige toestand is vrijgegeven. Zo kan worden gecontroleerd welke invloed de hulp-PLC op het moment heeft op de reguliere functies van de kraan, of dat deze functies momenteel eventueel worden geblokkeerd of beperkt.

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Diagnose PLC” 🡪 „Diagnose hulp-PLC”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnose PLC” aanklikken.
  3. In het bewegingsprofiel: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnos hulp-PLC” aanklikken.

Vrijgaven van de hulp-PLC uitlezen

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Diagnose Zusatz-SPS.png

Betekenis van de kleuren:

  • Blauw: De vrijgave door de hulp-PLC is niet verleend. De betreffende functie is daarom geblokkeerd in ABUControl.
  • Groen: De vrijgave door de hulp-PLC is verleend. De betreffende functie is daarmee vrijgegeven in ABUControl en kan worden gebruikt.

Functiebereiken:

  • „Verplaatsing kraan vooruit/achteruit bij minimale, langzame en snelle rijsnelheid“: De hulp-PLC kan, afhankelijk van het programma, de kraanverplaatsing bij de betreffende snelheid blokkeren of vrijgeven. Als de vrijgave is verleend, kan de kraan in de betreffende richting worden verplaatst.
  • „Verplaatsing kraan naar links/rechts bij minimale, langzame en hoge rijsnelheid“: De hulp-PLC kan, afhankelijk van het programma, de kraanverplaatsing bij de betreffende snelheid blokkeren of vrijgeven. Als de vrijgave is verleend, kan de kraan in de betreffende richting worden verplaatst. Dit geldt telkens voor de momenteel geselecteerde kraan.
  • „Hijsen/neerlaten met minimale, langzame en snelle hefsnelheid“: de hulp-PLC kan, afhankelijk van het programma, de hijsbeweging bij de betreffende snelheid blokkeren of vrijgeven. Als de vrijgave is verleend, kan het hijswerk hijsen of neerlaten. Dit geldt telkens voor de momenteel geselecteerde loopkat.

„Verplaasting loopkat Loopkat 1, 2 of 3“: De hulp-PLC kan, afhankelijk van het programma, de verplaatsing loopkat voor de opgegeven loopkat blokkeren of vrijgeven. Als de vrijgave is verleend, kan de opgegeven loopkat worden verplaatst. Dit heeft betrekking op de opgegeven loopkat, ongeacht de momenteel geselecteerde loopkat.

  • „Hijsen/neerlaten Hijswerk 1, 2 of 3“: De hulp-PLC kan, afhankelijk van het programma, het opgegeven hijswerk blokkeren of vrijgeven. Als de vrijgave is verleend, kan het opgegeven hijswerk hijsen/neerlaten. Dit heeft betrekking op het opgegeven hijswerk, ongeacht de momenteel geselecteerde loopkat.
  • „Noodstop“: De hulp-PLC kan, afhankelijk van het programma, de noodstop blokkeren of vrijgeven. Als de vrijgave is verleend, kan de kraan worden bediend. Als de noodstop door de hulp-PLC is geblokkeerd, geldt de noodstop voor de gehele kraan.
  • „Tandembedrijf“: De hulp-PLC kan, afhankelijk van het programma, het tandembedrijf blokkeren of vrijgeven. Als het tandembedrijf is vrijgegeven, kan dit indien nodig op de kraan worden gebruikt. Als het tandembedrijf door de hulp-PLC is geblokkeerd, kan het niet worden geactiveerd.

Fouten en bedrijfsmodi van de hulp-PLC gebruiken

  • „Algemene fout“: hier wordt een foutcode van de hulp-PLC weergegeven. Wat de betreffende foutcode betekent, hangt af van het programma van de hulp-PLC. De foutcodes worden beschreven in de documentatie van de klantspecifieke speciale functie.
  • „Bedrijfsmodus“: Met het hier opgegeven nummer kan een bedrijfsmodus worden ingesteld en doorgegeven aan de hulp-PLC. Wat de betreffende bedrijfsmodus inhoudt, hangt af van het programmaverloop van de hulp-PLC. De bedrijfsmodi worden beschreven in de documentatie van de klantspecifieke speciale functie.

Startwaarde voor het collectieve lastgeheugen invoeren

Onder andere bij het vervangen van een defecte PLC moeten de verbruikte vollasturen uit het collectieve lastgeheugen worden gelezen en na de montage van de nieuwe PLC als nieuwe startwaarde van het collectieve lastgeheugen worden ingevoerd.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Collectief lastgeheugen oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk” 🡪 „Kalibratie hijswerk”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (tandwiel op gele ondergrond) het menupunt „Kalibratie hijswerk” aanklikken.

Collectieve lastgeheugen uitlezen

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Lastkollektivspeicher auslesen 3.png
Tekstveld „Verbruikte waarde”
  • Het venster „Kalibratie hijswerk” verschijnt.
  1. In de regel „Collectieve lastgeheugen” de waarde in het tekstveld „Verbruikte waarde” noteren.

Collectieve lastgeheugen overdragen

In de nieuwe PLC:

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Lastkollektivspeicher Startwert eingeben 3.png
Invoerveld „Startwaarde”
  1. In de regel „Collectieve lastgeheugen” de eerder genoteerde waarde in het invoerveld „Startwaarde” noteren.
  2. Knop „PLC schrijven” aanklikken.

Diagnose van de PLC met versie-informatie weergeven

Om fouten te analyseren of in gesprek met de ABUS-service kan versie-informatie uit het venster „Diagnose PLC” van KranOS handig zijn.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Programmaversie van ABUControl weergeven

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Diagnose PLC” 🡪 „SD-kaart van de PLC”

  1. Met gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnose PLC” aanklikken.
  • Het venster „Diagnose PLC” verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „SD-kaart van PLC” aanklikken.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\SD-Karte der SPS.png
Veld „Programmaversie”
  • Het venster „SD-kaart van PLC” verschijnt.
  1. In het tekstveld „Programmaversie” de programmaversie van ABUControl aflezen.

Opmerking:

Bij het gebruik van dit producthandboek of in gesprek met de ABUS-service is vooral de hier genoemde programmaversie relevant. De verschillende versienummers in het venster „Diagnose PLC” zijn alleen van belang in bepaalde specifieke gevallen.

Diagnosepagina van de PLC oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Diagnose PLC”

  1. Met gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnose PLC” aanklikken.

Diagnose aflezen

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Diagnose SPS 3.png
  • Het venster „Diagnose PLC” verschijnt.
  1. Benodigde informatie aflezen:

Tekstveld

Betekenis

„Fabrikantnaam”

Naam van de fabrikant van de besturingscomponenten

„Besturingstype”

Referentie van de besturing

„Fabrikant-ID besturing”

ID van de fabrikant van de besturingscomponenten

„Besturingsreferentie-ID”

ID van het besturingstype

„Serienummer”

Serienummer van de besturing

„Firmwareversie”

Firmwareversie van de besturing

„Hardwareversie besturing”

Versie van de besturingshardware

„Versie coprocessor”

Versie van de coprocessor van de besturing

„Status boot-project”

Geeft informatie over de boot-toepassing terug die in het flashgeheugen van de PLC is opgeslagen

„Status SD-kaart”

Status van de SD-kaart van de PLC.

„Accustatus”

Laadtoestand van de accu van de PLC in procenten.

„Knooppunt SoMachine”

Naam van het knooppunt in het SoMachine-netwerk

„Toepassings-
signatuur”

Signatuur van de toepassing

Opmerking:

De verschillende versienummers in dit venster zijn slechts in bepaalde gevallen van belang.

Diagnose bus weergeven

Om fouten te analyseren of in gesprek met de ABUS-service kan het handig zijn te zien welke bus-apparaten in het bus-netwerk herkend zijn. Op de kraan is in elk geval een CAN-bus-netwerk aanwezig. Daarnaast kan er ook een Modbus-netwerk aanwezig zijn.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Diagnose bus oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Diagnose PLC” 🡪 „Diagnose bus”

  1. Met gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnose PLC” aanklikken.
  • Het venster „Diagnose PLC” verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnose bus” aanklikken.

Diagnose bus aflezen

Niet gevonden bus-apparaat (zwarte ondergrond)Gevonden bus-apparaat (groene ondergrond)

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Diagnose Can-Bus 3.png
Bovenste gedeelte voor CAN-bus-apparaten en onderste gedeelte voor Modbus-apparatenVolgens configuratie niet aanwezig bus-apparaat (grijze ondergrond)
  • Het venster „Diagnose bus” verschijnt.
  • In het bovenste gedeelte worden CAN-bus-apparaten weergegeven, in het onderste gedeelte worden Modbus-apparaten weergegeven.
  • Alle bus-apparaten die in het bus-netwerk zijn gevonden, krijgen een groene ondergrond.
  • Alle bus-apparaten die in het bus-netwerk niet zijn gevonden, krijgen een zwarte ondergrond.
  • Alle bus-apparaten die volgens de klantspecifieke configuratie van de actuele kraan niet aanwezig zijn, krijgen een grijze ondergrond.

In principe worden alle bus-apparaten weergegeven die op een kraan met ABUControl technisch mogelijk zijn.

Logbestand weergeven

Om fouten te analyseren of in gesprek met de ABUS-service kan het handig zijn het logbestand weer te geven.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Logbestand van de PLC oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „CUSTOMER” of „SERVICE” 🡪 „Diagnose PLC” 🡪 „Logbestand”

  1. Met gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnose PLC” aanklikken.
  • Het venster „Diagnose PLC” verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Logbestand” aanklikken.
  • Het venster „Logbestand” verschijnt.
  1. Knop „Logbestand downloaden” aanklikken.

Logbestand aflezen

De laatste vermeldingen aflezen:

Knop „Logbestand openen”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Log-Datei herunterladen.png
Datum en tijdMelding
  • De laatste 15 meldingen van het logbestand worden weergegeven.
  • Elke melding wordt in een eigen regel weergegeven.
  • De meldingen en foutcodes worden met datum en tijd in het logbestand opgeslagen.

Voor meer details over foutcodes, meldingen, bevestigen en toewijzen van meldingen, zie „Fouten aan de kraan met ABUControl verhelpen”,

Het volledige logbestand bekijken:

Nieuw tabblad

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Komplette Logdatei anzeigen 3.png
  1. Knop „Logbestand downloaden” aanklikken.
  • Er wordt een nieuw tabblad in de browser geopend en het volledige logbestand wordt weergegeven.

Het logbestand omvat maximaal 500 vermeldingen. Als het maximale aantal van 500 vermeldingen is bereikt, worden de oudste vermeldingen aan het begin van het logbestand overschreven. Dat betekent dat de vermeldingen aan het begin van het logbestand nieuwer kunnen zijn dan die aan het einde van het logbestand.

Diagnose PLC-processen weergeven

Om fouten te analyseren of in gesprek met de ABUS-service kan het handig zijn te zien of de PLC foutloos is opgestart of op welk punt een fout is opgetreden.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Diagnose van de PLC-processen oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” of „SERVICE” 🡪 „Diagnose PLC” 🡪 „Diagnose PLC-processen”

  1. Met gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnose PLC” aanklikken.
  • Het venster „Diagnose PLC” verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnose PLC-processen” aanklikken.

„Diagnose PLC-processen” aflezen

Onderbroken proces

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Diagnose SPS-Schrittketten 3.png
Volledig uitgevoerd proces
  • Het venster „Diagnose PLC-processen” verschijnt.
  • De drie processen „Hoofdproces”, „Parameterproces” en „Visualisatieproces” worden weergegeven.

Een proces is een programmaverloop in de PLC. Alle afzonderlijke stappen binnen een proces worden bij het starten van de PLC achtereenvolgens afgewerkt.

Pas als alle processen volledig tot en met de laatste stap zijn afgewerkt, is de PLC gereed voor gebruik.

  • De laatste stap binnen een proces krijgt een groene ondergrond: het proces is succesvol tot en met de laatste stap uitgevoerd.
  • Een andere stap binnen een proces krijgt een groene ondergrond: het proces is slechts tot de stap met groene ondergrond uitgevoerd. Bij deze stap is mogelijk een fout opgetreden.

Het hoofdproces en het parameterproces zijn aan elkaar gekoppeld. Het hoofdproces start in de eerste stap het parameterproces. Als het parameterproces is afgewerkt, wordt het hoofdproces vanaf de tweede stap voortgezet.

Datum en tijd instellen

In het logbestand worden onder meer de datum en het tijdstip opgeslagen waarop de fout is opgetreden. Dit kan handig zijn om fouten te analyseren of in gesprek met de ABUS-service.

De tijd wordt opgeslagen in de PLC en loopt door de interne accu van de PLC ook verder als de kraan is uitgeschakeld.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Tijdinstelling oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Diagnose PLC” 🡪 „PLC-tijd instellen”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Diagnose PLC” aanklikken.
  • Het venster „Diagnose PLC” verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „PLC-tijd instellen” aanklikken.

Datum en tijd instellen

Invoervelden voor datumKnop „Browsertijd overnemen”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Datum und Uhrzeit einstellen.png
Invoervelden voor tijdKnop „PLC schrijven”
  • Het venster „PLC-tijd instellen” verschijnt.

Datum en tijd uit de browser overnemen:

  1. Knop „Browser-tijd overnemen” aanklikken.
  • De datum en tijd worden overgenomen uit de browser.

Datum en tijd handmatig invoeren:

  1. In de invoervelden de datum en tijd invoeren.
  2. Knop „PLC schrijven” aanklikken.
  • De PLC slaat de datum en tijd op.

Accu van de PLC vervangen

De accu in de PLC heeft een levensduur van ca. 4 tot 5 jaar en moet daarom na ongeveer 4 jaar worden vervangen.

Accutype: CR2032.

Accuhouder

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Batterie tauschen 3.jpg
PLCAfdekking
  1. Schakel de kraan uit. Zie „Kraan uitschakelen”.
  2. Loopkatrelaiskast openen.
  3. Afdekking van de PLC openklappen.
  4. Accuhouder eruit trekken.
  5. Lege accu verwijderen.

Lege accu milieuvriendelijk afvoeren.

  1. Polariteit in acht nemen en nieuwe accu type CR2032 plaatsen.
  2. Accuhouder in PLC schuiven.

SD-kaart in PLC steken of eruit nemen

SD-kaart

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\SD-Karte stecken 3.jpg
PLCAfdekking
  1. Schakel de kraan uit. Zie „Kraan uitschakelen”.
  2. Loopkatrelaiskast openen.
  3. Afdekking van de PLC openklappen.
  4. SD-kaart uit de PLC trekken of erin steken.
  5. Kraan inschakelen.

Als tijdens het werken met ABUControl een SD-kaart in de PLC wordt gestoken of eruit wordt genomen:

  • De besturing start automatisch opnieuw op en doorloopt het proces bij het starten van ABUControl.

Besturing zonder SD-kaart

De kraan moet principieel met een ingestoken SD-kaart worden gebruikt. Als de kraan zonder SD-kaart is ingeschakeld, verschijnt de melding „NoSdCard”.

Overzicht: apparaatadressen

Het apparaatadres is een digitaal, eenduidig adres van elk CAN-bus-apparaat in het CAN-bus-netwerk. Via dit adres wisselen de PLC en het desbetreffende CAN-bus-apparaat gegevens uit. Elk CAN-bus-apparaat moet een eigen uniek adres hebben. Als twee CAN-bus-apparaten per ongeluk hetzelfde apparaatadres hebben, ontstaat er een conflict en wordt er een fout weergegeven.

Bij veel CAN-bus-apparaten kan het apparaatadres automatisch worden ingesteld. Daarvoor zijn de CAN-bus-apparaten standaard ingesteld op een basisadres (basisadres eindigt meestal op „0”). Dit basisadres wordt verder niet in het CAN-bus-netwerk gebruikt.

Als de PLC een CAN-bus-apparaat bij het inschakelen niet in het CAN-bus-netwerk vindt en in plaats daarvan een CAN-bus-apparaat met een basisadres vindt, gaat hij ervan uit dat dit CAN-bus-apparaat net vervangen is. Daarom wordt het basisadres dan veranderd in het apparaatadres van het ontbrekende CAN-bus-apparaat.

CAN-bus-apparaat

Basisadres

Frequentieomvormer verplaatsing kraan

10

Frequentieomvormer verplaatsing loopkat

20

Frequentieomvormer hijswerk, fabricaat „Schneider”

30

Inclinometer loopkat

40

Frequentieomvormer hijswerk, fabricaat „Siemens”

50

Absoluut encoder

70

Matrixdisplay met leds

100

Frequentieomvormer configureren

Bij het starten van de kraan worden de parameters van de frequentieomvormer uitgelezen en vergeleken met de ingestelde configuratie van de PLC. Als de parameters niet overeenkomen, worden de parameters automatisch opnieuw overgedragen op de desbetreffende frequentieomvormer.

Bovendien kunnen de parameters handmatig opnieuw worden overgedragen.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Selectie voor bewegingsprofiel oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.

Parameterinstelling starten

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Frequenzumrichter neu parametrieren.png
Knop „Parameters van frequentieomvormer opnieuw instellen”
  • Het venster „Bewegingsprofiel” verschijnt.
  1. Knop „Parameters van frequentieomvormer opnieuw instellen” aanklikken.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Frequenzumrichter neu parametrieren Sicherheitsabfrage.png
Knop „Parameters opnieuw instellen”
  • De vraag „Parameters frequentieomvormer echt opnieuw instellen?“ verschijnt.
  1. Knop „Parameters opnieuw instellen” aanklikken.
  2. Kraan met netscheidingsschakelaar of netstroomschakelaar uitschakelen.
  3. 60 s wachten.
  4. Kraan weer inschakelen.
  • ABUControl wordt opnieuw gestart.
  • Daarnaast wordt tijdens het opnieuw opstarten de frequentieomvormer geconfigureerd.

Frequentieomvormer resetten en hijsmotor opnieuw meten

Bij het starten van de kraan wordt de hijsmotor elektrisch gemeten. Bij het meten worden bepaalde elektrische waarden van de hijsmotor met een teststroom getest. Deze meetresultaten worden door de frequentieomvormer vergeleken met de meetresultaten bij de eerste start van de kraan bij inbedrijfstelling en de frequentieomvormer wordt dienovereenkomstig ingesteld. Op die manier kan de frequentieomvormer tijdens de actieve werking rekening houden met de thermische toestand van de hijsmotor.

De meting bij het starten van de kraan kan worden gedeactiveerd. Zie „Uitgebreide parameters voor hijsprofiel instellen”. Dan wordt er geen rekening meer gehouden met de thermische toestand van de hijsmotor.

Met deze functie wordt de meting bij de eerste start van de kraan bij inbedrijfstelling gewist en de parameters wordt opnieuw overgedragen. Het overdragen van de parameters gebeurt in dezelfde omvang als beschreven in paragraaf „Frequentieomvormer configureren”.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Selectie voor bewegingsprofiel oproepen

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Bewegingsprofiel”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. Op de startpagina: in het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Bewegingsprofiel” aanklikken.

Parameterinstelling starten en hijsmotor opnieuw meten

Knop „Frequentieomvormer terugzetten op fabrieksinstellingen”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Frequenzumrichter auf Werkseinstellung.png
  • Het venster „Bewegingsprofiel” verschijnt.
  1. Knop „Frequentieomvormer terugzetten op fabrieksinstellingen” aanklikken.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Frequenzumrichter auf Werkseinstellung Sicherheitsabfrage.png
Knop „Resetten”
  • De vraag „frequentieomvormer werkelijk resetten naar de fabrieksinstelling?” verschijnt.
  1. Knop „Resetten” aanklikken.
  • De melding „F0007: frequentieomvormer gereset. Kraan uit- en inschakelen” verschijnt.
  1. Kraan met netscheidingsschakelaar of netstroomschakelaar uitschakelen.
  2. 60 s wachten.
  3. Ervoor zorgen dat de hijsmotor(en) zijn afgekoeld tot omgevingstemperatuur.

Anders wordt de meting mogelijk vervalst en kan er niet correct rekening worden gehouden met de thermische toestand van de hijsmotor.

  1. Kraan weer inschakelen.
  • ABUControl wordt opnieuw gestart.
  • Voor de hijsmotor(en): de motormeting bij de inbedrijfstelling wordt uitgevoerd en de meetresultaten worden opgeslagen.
  • Voor alle frequentieomvormers: aanvullend worden tijdens het opnieuw opstarten alle frequentieomvormers opnieuw geconfigureerd.

Absoluut encoder vervangen en referentiepunt instellen

De absoluut encoder is aan de eindschakelaar aandrijving gemonteerd en bepaalt de exacte positie van de kabeltrommel en meldt deze aan de PLC.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Alleen bij eindschakelaar aandrijving „GGS” met absoluut encoder „AWG”

De absoluut encoder is als vaste eenheid met de eindschakelaar aandrijving verbonden en moet altijd samen met de eindschakelaar aandrijving worden vervangen.

De platine van de absoluut encoder mag niet van de eindschakelaar aandrijving worden gedemonteerd en apart worden vervangen.

Na het vervangen van de volledige eenheid moet de nieuwe absoluut encoder automatisch of handmatig worden geadresseerd en de referentiepunten opnieuw worden ingesteld.

Absoluut encoder vervangen

De ABUS-eindschakelaar aandrijving „GGS” met absoluut encoder „AWG” is volledig compatibel met de eindschakelaars hijsen „GPK” met absoluut encoders „Kübler”. Indien nodig kan echter ook een eindschakelaar hijsen „GPK” met absoluut encoder „Kübler” worden gemonteerd.

  1. Defecte eindschakelaar aandrijving demonteren.
  2. Nieuwe eindschakelaar aandrijving monteren.

Zie producthandboek „ABUS-eindschakelaar aandrijving met absoluut encoder”, paragraaf „Eindschakelaar aandrijving monteren en aansluiten”.

  1. Stel de schakelpunten voor de slagbegrenzer onder, de slagbegrenzer boven en de backup-begrenzer opnieuw in.

Zie „Schakelpunten voor de backup-begrenzer en de slagbegrenzer boven instellen.”.

Zie „Schakelpunt voor de slagbegrenzer onder instellen”.

Referentiepunt absoluut encoder instellen

Nadat de absoluut encoder vervangen is, moet het referentiepunt worden ingesteld. Deze instelling van het referentiepunt is geen bestanddeel van het instellen van de schakelpunten van de eindschakelaar aandrijving en ook geen bestanddeel van het kalibreren van het lastmeetsysteem, maar is belangrijk voor interne berekeningen (bijv. slingerdemping en afdanklimiet). Als het referentiepunt van de absoluut encoder niet correct is ingesteld, kunnen er storingen bij de slingerdemping en foutieve berekeningen bij de afdanklimiet optreden.

De drie schakelpunten van de eindschakelaar aandrijving moeten al correct ingesteld zijn, voordat het referentiepunt van de absoluut encoder ingesteld wordt.

Referentiepunt uitmeten:

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Referenzierung AWG 3.png
Referentiepunt
  1. Lasthaak in een haakstand bewegen waarin het referentiepunt gemakkelijk kan worden gemeten (bijv. 1,5 m onder de bovenste haakstand).
  2. Verticale afstand van het midden van de kabeltrommel tot het midden van de keerrol van het haakblok meten.

Referentiepunt instellen:

Overzicht: navigatie in KranOS

Gebruiker „SERVICE” 🡪 „Hijswerk” 🡪 „Absoluut encoder”

  1. Met gebruiker „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) in KranOS inloggen. Zie „In KranOS inloggen en aanmelden”.
  2. In het hoofdmenu het gewenste hijswerk selecteren (bijv. hijswerk 1).
  • Het venster voor het gewenste hijswerk verschijnt.
  1. In het menu „Instellingen” (drie horizontale streepjes) het menupunt „Absoluut encoder” aanklikken.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Drehgeber.png
Invoerveld „Referentiepunt”Knop „Verwijzing aandrijving 1”
  • Het venster „Absoluut encoder” verschijnt.
  • In het invoerveld „Referentiepunt” de eerder gemeten waarde invoeren.
  1. Knop voor de gewenste aandrijving (bijv. „Verwijzing aandrijving 1”) aanklikken.
U:\Allgemein\Produkthandbücher\User Interfaces\Screenshots - KranOS\DE\Drehgeber referenzieren.png
Knop „Verwijzing uitvoeren”
  • Er verschijnt een beveiligingsvraag.
  1. Knop „Verwijzing uitvoeren” aanklikken.
  • De ingevoerde waarde wordt opgeslagen.

Overzicht: afsluitweerstand in CAN-bus-netwerk

In een CAN-bus-netwerk als bij ABUControl loopt een centrale CAN-bus-kabel als hoofdkabel. Aan beide uiteinden van de hoofdkabel van de CAN-bus-kabel moeten afsluitweerstanden worden geplaatst. Daardoor worden storingen in de CAN-bus-kabel vermeden. Aan deze hoofdkabel kunnen meerdere CAN-bus-apparaten van het CAN-bus-netwerk stervormig zonder afsluitweerstand op een CAN-verdeler worden aangesloten.

Afhankelijk van de kraan kan het CAN-bus-netwerk verschillend opgebouwd zijn. Hier moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de positie van het matrixdisplay met leds alsook met het aantal loopkatten en het type (tweeling-hijswerk met twee aandrijvingen hijswerk per loopkat) en nog andere factoren.

In deze paragraaf worden de twee principiële CAN-bus-netwerken voor kranen met één en met twee loopkatten beschreven. Voor alle overige CAN-bus-netwerken contact opnemen met de ABUS-service.

Bij het vervangen van CAN-bus-apparaten:

Als defecte CAN-bus-apparaten worden vervangen (bijv. PLC, CAN-verdeler, matrixdisplay met leds enz.) moet de afsluitweerstand op de nieuwe CAN-bus zo worden geschakeld als er ook op de defecte CAN-bus geschakeld was.

Alleen bij kraan met een loopkat

CAN-verdeler in kraanrelaiskast met uitgeschakelde afsluitweerstand, „off”CAN-verdeler in
loopkat, „off”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Abschlusswiderstand Matrixanzeige und AWG 3.png
Matrixdisplay met leds aan hoofdkabel met afsluitweerstand „on”Absoluut encoder (AWG) met afsluitweerstand „on”

In het CAN-bus-netwerk van ABUControl bij een kraan met een loopkat loopt de hoofdkabel van de loopkat op de absoluut encoder (AWG) door de kraanrelaiskast (+KR) naar het matrixdisplay met leds.

De afsluitweerstanden zijn op de absoluut encoder en in het matrixdisplay met leds ingeschakeld. De afsluitweerstand in de CAN-verdeler in de kraanrelaiskast (+KR) en in de kraanrelaiskast (+KA) is uitgeschakeld.

Alleen bij kraan met twee loopkatten

CAN-verdeler afsluitweerstand „off”CAN-verdeler in loopkat 1, „off”

U:\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\Abschlusswiderstand zwei Katzen AWG 3.png
Absoluut encoder (AWG)loopkat 2 afsluitweerstand „on”Absoluut encoder (AWG) loopkat 1 afsluitweerstand „on”

In het CAN-bus-netwerk van ABUControl bij een kraan met twee loopkatten loopt de hoofdkabel van de absoluut encoder 1 (AWG 1) door de kraanrelaiskast (+KR) naar de absoluut encoder 2 (AWG 2).

De afsluitweerstanden zijn telkens op de absoluut encoders 1 en 2 (AWG 1 en AWG 2) ingeschakeld. De afsluitweerstand in de CAN-verdeler in de kraanrelaiskast (+KR) en in de kraanrelaiskast (+KA) is uitgeschakeld.

ABUControl met een ander WLAN-netwerk verbinden

Normaal gesproken bouwt de WLAN-module een eigen WLAN-netwerk op. Met een computer met WLAN-functionaliteit kan vervolgens een WLAN-verbinding met het WLAN-netwerk van de kraan tot stand worden gebracht.

Als er al een WLAN-netwerk van de klant aanwezig is, kan ABUControl echter ook als WLAN-deelnemer in het bestaande WLAN-netwerk worden ingelogd.

Hiervoor kunnen de instellingen van de WLAN-module (bijv. IP-adres, SSID enz.) overeenkomstig worden aangepast.

  1. Contact opnemen met de ABUS-service. Zie „ABUS-service”.

Fouten aan de kraan met ABUControl verhelpen

Als de kraan met ABUControl niet of niet zoals verwacht werkt, kan een storing aan ABUControl de oorzaak zijn.

Foutcodes

Als er een melding op het matrixdisplay met leds verschijnt:

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\LED-Display\LED-Matrixanzeige 48x6\Fehler ablesen ABUControl 3.jpg
FoutcodeMelding
  • Op het matrixdisplay met leds worden de foutcode en de melding van ABUControl als lichtkrant weergegeven.

De tekstsnelheid kan in KranOS worden ingesteld onder de parameter ‘Verplaatsing kraan of de parameter ‘Verplaatsing loopkat. Zie „Uitgebreide parameters voor verplaatsingsprofielen (verplaatsingsprofiel kraan, verplaatsingsprofiel loopkat) instellen”.

Meldingen bevestigen

De weergegeven meldingen zijn verdeeld in drie categorieën, afhankelijk van hun ernst.

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\LED-Display\LED-Matrixanzeige 48x6\Fehlerkategorie ABUControl 3.jpg
Categorie van de melding
  • De categorie wordt aan het einde van de melding weergegeven als „1”, „2” of „3”.
  • „3”: melding ter informatie. De kraan kan verder normaal worden gebruikt.

Om de weergave van de melding te bevestigen, noodstopknop of claxon indrukken.

  • „2”: niet-ernstige fout. De noodstopfunctie wordt geactiveerd, de kraan blijft stilstaan.

Om de weergave van de melding te bevestigen, noodstopknop of claxon indrukken.

Als de fout daarna niet opnieuw optreedt, kan de kraan normaal verder worden gebruikt.

Als de fout daarna opnieuw optreedt, wordt de melding niet nogmaals weergegeven. De kraan kan dan verder worden gebruikt; de kraanas waarop de fout is opgetreden kan echter alleen nog met lage snelheid worden gebruikt.

  • „1”: ernstige fout. De noodstopfunctie wordt geactiveerd, de kraan blijft stilstaan.

Om de weergave van de melding te bevestigen, noodstopknop of claxon indrukken. Als de fout door een frequentieomvormer wordt veroorzaakt, moet de kraan bovendien volledig worden uit- en weer ingeschakeld.

Als de fout daarna niet opnieuw optreedt, kan de kraan normaal verder worden gebruikt.

Als de fout daarna opnieuw optreedt, wordt de melding nogmaals weergegeven. De noodstopfunctie wordt opnieuw geactiveerd.

Meldingen indelen

De cijfers van de melding geven aan waar (bijv. op welke kraanas) de fout is opgetreden en welke loopkat of welk hijswerk (bij meerdere loopkatten aan de kraan) het betreft.

Derde en vierde cijfer voor het foutnummer

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\LED-Display\LED-Matrixanzeige 48x6\Fehler zuordnen 3.jpg
Kraanas of functiebereik
  • Eerste en tweede cijfer: nummer van het hijswerk, de loopkat of de kraanaandrijving in combinatie met de kraanas of het functiebereik.
  • Derde en vierde cijfer: foutnummer

Hieruit ontstaan de volgende combinaties voor de eerste twee cijfers:

Cijfers

Locatie

F00_ _

Algemene fout

F11_ _

Hijswerk 1, hijswerkaandrijving 1

F12_ _

Hijswerk 1, hijswerkaandrijving 2
(alleen bij tweeling-hijswerk)

F21_ _

Hijswerk 2, hijswerkaandrijving 1

F22_ _

Hijswerk 2, hijswerkaandrijving 2
(alleen bij tweeling-hijswerk)

F31_ _

Hijswerk 3, hijswerkaandrijving 1

F32_ _

Hijswerk 3, hijswerkaandrijving 2
(alleen bij tweeling-hijswerk)

F13_ _

Loopkat 1

F23_ _

Loopkat 2

F33_ _

Loopkat 3

F14_ _

Loopwerkaandrijving kraan frequentieomvormer 1

F24_ _

Loopwerkaandrijving kraan frequentieomvormer 2 (alleen bij elektronische spoorgeleiding en Quadro-loopwerkaandrijving kraan)

„Hijswerkaandrijving 2” (F_2_ _) wordt alleen gebruikt bij tweeling-hijswerken. Alle andere hijswerk hebben slechts één hijswerkaandrijving (F_1_ _)

„Hijswerk 2” en „Hijswerk 3” alsook „Loopkat 2” en „Loopkat 3” gelden voor kranen met twee of drie loopkatten.

Een kraan heeft normaal gesproken een frequentieomvormer voor beide loopwerkaandrijvingen kraan (F14_ _). Bij kranen met elektronische spoorgeleiding heeft elk van de twee loopwerkaandrijvingen kraan een eigen frequentieomvormer (F14_ _ en F24_ _). Bij Quadro-loopwerkaandrijvingen kraan kunnen, bij groter opgenomen vermogen van de motoren, die vier loopwerkaandrijvingen ook over twee frequentieomvormers zijn verdeeld.

Cijfers

Locatie

F40_ _

Kraanafstandregeling

F41_ _

Omleidingbesturing

F51_ _

Loopkatafstandregeling loopkat 1

F52_ _

Loopkatafstandregeling loopkat 2

F53_ _

Loopkatafstandregeling loopkat 3

F60_ _

Overrijdbeveiliging

Overzicht meldingen

Algemeen

„F0001: Stand-by.3”

De kraan is ingeschakeld en staat in stand-by. Noodstopknop ontgrendelen of zender inloggen om de kraan te gebruiken.

„F0003 PLC: Schrijven op SD-kaart mislukt.3”

Bij het opslaan van gegevens op de SD-kaart in de PLC is een fout opgetreden. SD-kaart controleren en eventueel nieuwe SD-kaart plaatsen.

„F0004 Hoofdrelais: functiestoring.1”

Het hoofdrelais is ingeschakeld, maar zou uitgeschakeld moeten zijn omdat de noodstopknop is ingedrukt.

„F0032: positie teachen.3“

De functie Teach-In is bij de positiebesturing actief.

„F0048: haakassistent beperkt.3“

De haakassistent kan slechts in beperkte mate worden gebruikt; zo is het bijv. niet mogelijk om te hijsen of de kraan in een bepaalde richting te verplaatsen.

Hijswerk

„F_ _05 Hijswerk: motormeting mislukt.1”

De elektrische meting van de hijsmotor bij het inschakelen was niet succesvol.

„F_ _17 Hijswerk: backup-begrenzer bereikt.1”

De lasthaak is voorbij het schakelpunt van de slagbegrenzer boven bewogen en heeft de backup-begrenzer geactiveerd. Schakelpunt en eindschakelaar aandrijving controleren.

„F_ _20 hijswerk: max. haakhoogte overschreden.1“

De lasthaak heeft de ingestelde maximale haakhoogte overschreden.

„F_ _26: Hijswerk: kabelslijtage meer dan 80 procent.3”

De kabel heeft 80% van het vervangingspunt bereikt. Laat een regelmatige keuring uitvoeren.

„F_ _27: Hijswerk: Pas op! Kabelslijtage meer dan 100 procent.3”

De kabel heeft 100% van het vervangingspunt bereikt. Niet verder met de kraan werken. Laat een regelmatige keuring uitvoeren.

„F_ _31 Hijswerk: toerental te hoog/laag.1”

Het werkelijke toerental van het hijswerk (gemeten door absoluut encoder) overschrijdt de tolerantiegrens (te hoog/te laag) in vergelijking met het gewenste toerental van het hijswerk.

„F_ _32 of F_ _33 Hijswerk synchroonloop: afwijking te groot.1”

Bij de synchroonloop van twee hijswerken bij een kraan met twee hijswerken of bij twee kranen in tandembedrijf is bij het hijsen of neerlaten een te groot hoogteverschil tussen beide lasthaken ontstaan.

„F_ _35 Frequentieomv hijswerk: toerental: afwijking te groot.1“

Er is een verschil tussen de gemeten waarde en de ingestelde waarde van het toerental op de frequentieomvormer van het hijswerk.

„F_ _36 Super-kruipsnelheid: omschakeling mislukt.1”

De relais voor het omschakelen tussen de wikkelingen hebben niet gereageerd.

„F_ _37 Hijswerk: fout slappe-kabelbeveiliging.3”

Bij de initialisatie van de slappe-kabelbeveiliging is een fout opgetreden. Fout bevestigen en procedure herhalen.

Loopkat

„F_ _25 Verpl. loopkat synchroonloop: afwijking te groot.1”

Bij de synchroonloop van twee loopkatten bij een kraan met meer dan één loopkat is bij de verplaatsing van de loopkatten een te groot afstandsverschil tussen beide loopkatten ontstaan.

„F_ _26 Verpl. loopkat synchr. in tandembedrijf: afw. te groot.1”

Bij de synchroonloop van twee loopkatten bij twee kranen in tandembedrijf is bij de verplaatsing van de loopkatten een te groot afstandsverschil tussen beide loopkatten ontstaan.

„F_ _27 Verpl. loopkat afstandsensor: buiten verplaat.bereik R.1”

Bij de afstandsensor verplaatsing loopkat rechts is de bovengrens van de meetwaarde overschreden of de ondergrens van de meetwaarde onderschreden.

„F_ _28 Verpl. loopkat afstandsensor: buiten verplaat.bereik L.1”

Bij de afstandsensor verplaatsing loopkat links is de bovengrens van de meetwaarde overschreden of de ondergrens van de meetwaarde onderschreden.

„F_ _29 Verpl. loopkat afstandsensor rechts: diagnosefout.1”

Diagnosefout bij de afstandsensor verplaatsing loopkat rechts. In stilstand wordt de afstandsensor regelmatig intern getest. Voor het testen worden de uitgangen van de afstandsensor kort omgeschakeld.

„F_ _30 Verpl. loopkat afstandsensor links: diagnosefout.1”

Diagnosefout bij de afstandsensor verplaatsing loopkat links. In stilstand wordt de afstandsensor regelmatig intern getest. Voor het testen worden de uitgangen van de afstandsensor kort omgeschakeld.

„F_ _40 Frequentieomv Verpl. loopkat: toerental: afwijking te groot.1”

Er is een verschil tussen de gemeten waarde en de ingestelde waarde van het toerental op de frequentieomvormer van het hijswerk.

„F_ _41 Verpl. loopkat: afst.sensor R: verpl.richting verwisseld.1”

De loopkat beweegt in een andere verplaatsingsrichting (draairichting frequentieomvormer verplaatsing loopkat) dan de afstandsensor verplaatsing loopkat rechts vaststelt.

„F_ _42 Verpl. loopkat: afst.sensor L: verpl.richting verwisseld.1”

De loopkat beweegt in een andere verplaatsingsrichting (draairichting frequentieomvormer verplaatsing loopkat) dan de afstandsensor verplaatsing loopkat links vaststelt.

Loopkat

„F_ _49 Verpl. loopkat rechts: veiligheidsschakelaar schakelt niet in.1“

Bij het indrukken van de knop voor „Verpl. loopkat rechts“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet in.

„F_ _50 Verpl. loopkat rechts: veiligheidsschakelaar schakelt niet uit.1“

Bij het loslaten van de knop voor „Verpl. loopkat rechts“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet uit.

„F_ _51 Verpl. loopkat links: veiligheidsschakelaar schakelt niet in.1“

Bij het indrukken van de knop „Verpl. loopkat links“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet in.

„F_ _52 Verpl. loopkat links: veiligheidsschakelaar schakelt niet uit.1“

Bij het loslaten van de knop „Verpl. loopkat links“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet uit.

„F_ _53 Verpl. loopkat snel: veiligheidsschakelaar schakelt niet in.1“

Bij het indrukken van de knop „Verpl. loopkat snel“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet in.

„F_ _54 Verpl. loopkat snel: veiligheidsschakelaar schakelt niet uit.1“

Bij het loslaten van de knop „Verpl. loopkat snel“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet uit.

Verplaatsing kraan

„F_ _20 Verpl. kraan synchroon in tandembedr.: afw. te groot.1”

Bij de synchroonloop van de loopwerkaandrijvingen kraan bij twee kranen in tandembedrijf is bij de verplaatsing van de kranen een te groot verschil tussen beide kranen ontstaan.

„F_ _28 Verpl. kraan afstandsensor: buiten verplaat.bereik voor.1”

Bij de afstandsensor verplaatsing kraan vooruit is de bovengrens van de meetwaarde overschreden of de ondergrens van de meetwaarde onderschreden.

„F_ _29 Verpl. kraan afstandsensor: buiten verplaat. ter.1”

Bij de afstandsensor verplaatsing kraan achteruit is de bovengrens van de meetwaarde overschreden of de ondergrens van de meetwaarde onderschreden.

„F_ _30 Verpl. kraan afstandsensor voor: diagnosefout.1”

Diagnosefout bij de afstandsensor verplaatsing kraan vooruit. In stilstand wordt de afstandsensor regelmatig intern getest. Voor het testen worden de uitgangen van de afstandsensor kort omgeschakeld.

„F_ _35 Frequentieomv. Verpl. kraan: toerental: afwijking te groot.1“

Er is een verschil tussen de gemeten waarde en de ingestelde waarde van het toerental op de frequentieomvormer van het hijswerk.

„F_ _31 Verpl. kraan afstandsensor achter: diagnosefout.1”

Diagnosefout bij de afstandsensor verplaatsing kraan achteruit. In stilstand wordt de afstandsensor regelmatig intern getest. Voor het testen worden de uitgangen van de afstandsensor kort omgeschakeld.

„F_ _37 Kraan: afstandsensor voor: verpl.richting verwisseld.1”

De kraan rijdt in een andere verplaatsingsrichting (draairichting frequentieomvormer verplaatsing kraan) dan de afstandsensor verplaatsing kraan vooruit vaststelt.

„F_ _38 Kraan: afstandsensor achter: verpl.richting verwisseld.1”

De kraan rijdt in een andere verplaatsingsrichting (draairichting frequentieomvormer verplaatsing kraan) dan de afstandsensor verplaatsing kraan achteruit vaststelt.

Verplaatsing kraan

„F_ _44 Safety: veilige stop (STO) im Endschalterbereich.3“

Via de veiligheids-PLC heeft de kraan een veilige stop (STO) geactiveerd in het eindschakelaargebied bij het passeren van het schakelpunt.

„F_ _45 Verplaatsing kraan vooruit: veiligheidsschakelaar schakelt niet in.1“

Bij het indrukken van de knop „Verplaatsing kraan vooruit“, schakelt de veiligheidsschakelaar niet in.

„F_ _46 Verplaatsing kraan vooruit: veiligheidsschakelaar schakelt niet uit.1“

Bij het loslaten van de knop „Verplaatsing kraan vooruit“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet uit.

„F_ _47 Verplaatsing kraan terug: veiligheidsschakelaar schakelt niet in.1“

Bij het indrukken van de knop „Verplaatsing kraan terug“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet in.

„F_ _48 Verplaatsing kraan terug: veiligheidsschakelaar schakelt niet uit.1“

Bij het loslaten van de knop „Verplaatsing kraan terug“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet uit.

„F_ _61 Verplaatsing kraan snel: veiligheidsschakelaar schakelt niet in.1“

Bij het indrukken van de knop „Verplaatsing kraan snel“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet in.

„F_ _62 Verplaatsing kraan snel: veiligheidsschakelaar schakelt niet uit.1“

Bij het loslaten van de knop „Verplaatsing kraan snel“ schakelt de veiligheidsschakelaar niet uit.

Overzicht meldingen voor redundante eindschakelaars loopwerk en afstandhouders

Bij een redundante eindschakelaar loopwerk, een kraanafstandregeling of loopkatafstandregeling worden op één schakelpunt twee kruisschakelaars of foto-elektrische beveiligingen gebruikt om de veiligheid extra te verhogen. Wanneer bij het passeren van het schakelpunt niet beide kruisschakelaars of foto-elektrische beveiligingen tegelijkertijd reageren, wordt de desbetreffende melding weergegeven. De kraan of de loopkat remt in overeenstemming met de functie desalniettemin af.

Verplaatsing kraan

„F_ _26 Verpl. kraan: red. e-uitsch.: sch.st. versch.3”

„F_ _27 Verpl. kraan: red. v-uitsch.: sch.st. versch.3“

Kraanafstandregeling

„F_ _16 Kr.af.reg.: red. eind-uitsch. 1/2 voor: sch.st. versch.3”

„F_ _17 Kr.af.reg.: red. e.-uitsch. 1/2 achter: sch.st. versch.3”

„F_ _18 Kr.af.reg.: red. eind-uitsch. 1/2 V/A: sch.st. versch.3”

„F_ _19 Kr.af.reg.: red. voor-uitsch. 1/2 voor: sch.st. versch.3”

„F_ _20 Kr.af.reg.: red. v.-uitsch. 1/2 achter: sch.st. versch.3”

„F_ _21 Kr.af.reg.: red. voor-uitsch. 1/2 V/A: sch.st. versch.3”

Loopkatafstandregeling

„F_ _16 Af.reg. loopkat: red. e.-uitsch. 1/2 R: sch.st. versch.3”

„F_ _17 Af.reg. loopkat: red. e.-uitsch. 1/2 L: sch.st. versch.3”

„F_ _18 Af.reg. loopkat: red. e.-uitsch. 1/2 R/L: sch.st. versch.3”

„F_ _19 Af.reg. loopkat: red. v.-uitsch. 1/2 R: sch.st. versch.3”

„F_ _20 Af.reg. loopkat: red. v.-uitsch. 1/2 L: sch.st. versch.3”

„F_ _21 Af.reg. loopkat: red. v.-uitsch. 1/2 R/L: sch.st. versch.3”

Op het matrixdisplay met leds wordt „WAITING” weergegeven.

Enkele minuten nadat de kraan op spanning is gezet, verschijnt ook „WAITING“ op het matrixdisplay met leds.

  • Het matrixdisplay met leds ontvangt geen signalen van de kraanbesturing. Mogelijke oorzaak: De PLC ondervindt storing of is defect.
  • Als de kraan na een korte wachttijd start en het matrixdisplay met leds nog steeds „WAITING“ aangeeft, is het matrixdisplay met leds defect of is de kabel naar het matrixdisplay met leds beschadigd.

Op het matrixdisplay met leds wordt „NO SIGNAL” weergegeven.

  • Het matrixdisplay met leds heeft al geldige signalen van de kraanbesturing ontavngen. Deze werden echter onderbroken of gestoord.

Meldingen in KranOS weergeven

De actuele foutcodes en meldingen van ABUControl, foutcodes van frequentieomvormers alsook een logbestand met alle meldingen tot nu toe kunnen in KranOS worden weergegeven.

Voor deze stap is toegang van een laptop of tablet tot KranOS vereist. De gebruiker „CUSTOMER” (gebruikersniveau [1]‚) of „SERVICE” (gebruikersniveau [2]) moet ingelogd zijn.

Foutcode van de frequentieomvormer

\\abus.intern\Daten\Allgemein\Produkthandbücher\Produkthandbücher Fotos\ABUControl\KranOS (003)\Export\WebVisuBezeichner_DE (2 überarbeitet)\Fehleranzeigen 3.png
Foutcodes met meldingen van ABUControl

Weergave van de actuele meldingen van ABUControl:

  • In de vensters van de kraanassen worden in het onderste gedeelte de actuele foutmeldingen van ABUControl voor de desbetreffende kraanas weergegeven.

Weergave van de foutcodes van de frequentieomvormer:

  • In het venster voor de desbetreffende kraanas wordt in het gedeelte „Frequentieomvormer” de foutcode van de frequentieomvormer weergegeven.
  • Daarnaast wordt de foutcode van de frequentieomvormer samen met de melding „F_ _ 01: Hijswerk: frequentieomvormer foutcode: _ _ _”, „F_ _ 01: Loopkat: frequentieomvormer foutcode: _ _ _” of „F_ _ 01: Kraan: frequentieomvormer foutcode: _ _ _” als verzamelmelding van ABUControl in het onderste gedeelte weergegeven.

Weergave van het logbestand:

Zie „Logbestand weergeven”.

ABUS-service

Alleen in Duitsland
  1. Indien bekend, het productnummer, het serienummer en het klantnummer bij de hand houden.
  2. Bel de ABUS-servicecentrale op:
  • Telefoon: +49 2261 37 237
  1. Laat buiten de normale werktijden een bericht achter op het antwoordapparaat.
  1. De ABUS-service belt u zo snel mogelijk terug.
  1. Stuur desgewenst de probleembeschrijving per fax of e-mail op:
  • Fax: +49 2261 37 265
  • E-mail: service@abus-kransysteme.de
Alleen buiten Duitsland
  1. Bel de ABUS-vestiging of de kraanservicepartner ter plaatse op.

De ABUS-vestiging of de kraanservicepartner informeert u over contactgegevens, contactpersonen en bereikbaarheid.