IN EEN OOGOPSLAG:
Algemeen
Dit geldt voor iedereen die met de kraan, aan de kraan of in de buurt ervan werkt.
Om te beginnen
Dit producthandboek gebruiken
De volgende pictogrammen worden in dit producthandboek gebruikt:
- Dit is een handelingsinstructie die u sommeert een bepaalde actie uit te voeren.
- Dit is het resultaat van een handeling en beschrijft wat er met het apparaat gebeurt.
- Dit is een opsomming.
Alleen bij...
Informatie in stippellijnkaders geldt alleen voor bepaalde typen, varianten of opties. De voorwaarde waaronder deze paragraaf geldt, staat aan het begin aangegeven in de titel „Alleen bij...”
Richtlijnen bij het producthandboek
Lees alvorens te beginnen met werken het producthandboek zorgvuldig door. Neem in ieder geval ook andere producthandboeken voor accessoires en componenten in acht.
Bewaar het producthandboek daarna in de buurt van de kraan. Het moet toegankelijk zijn voor iedereen die met of aan de kraan werkt.
Geef het producthandboek bij verkoop, verhuur of dergelijke altijd samen met de kraan mee.
Gebruik overeenkomstig de bestemming
De draadloze afstandsbediening ABURemote dient voor de draadloze besturing van ABUS-kranen.
- Gebruik ABURemote niet aan kranen van andere fabrikanten.
- Gebruik ABURemote niet voor het besturen van andere apparaten of machines.
- ABURemote AC dient voor de draadloze besturing van ABUS-kettingtakels ABUCompact. De ontvanger wordt daarbij direct op de kettingtakel gemonteerd.
Voorschriften
De installatie is op het moment van fabricage conform Europese normen, regels en voorschriften gebouwd en getest. Welke beginselen aan de constructie en de bouw ten grondslag liggen, is aangegeven in de verklaring van overeenstemming of de inbouwverklaring. De beginselen moeten ook bij de montage, het gebruik, bij controles en bij onderhoud worden nageleefd, evenals de geldende bepalingen met betrekking tot veilig werken.
Welke voorschriften in het betreffende individuele geval gelden, hangt sterk af van het gebruik van de kraan en van de specifieke voorschriften per land. Controleer de geldende en actuele voorschriften en bepalingen inzake veilig werken en leef deze na! Zie ook de verklaring van overeenstemming of inbouwverklaring.
Garantie
- ABUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die is veroorzaakt door onjuist gebruik, door onvoldoende geschoold personeel, door ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden, door wijzigingen, verbouwingen of andere veranderingen aan de kraan of aan de componenten van de kraan, die niet expliciet door ABUS zijn toegestaan.
- De aanspraak op garantie vervalt indien onderdelen eigenmachtig worden veranderd, de kraan of componenten van de kraan anders worden gemonteerd, onderhouden of gebruikt dan in dit producthandboek is beschreven en indien er geen originele ABUS-onderdelen worden gebruikt.
- De veilige werking van de kraan of componenten van de kraan is alleen gewaarborgd indien er originele ABUS-onderdelen worden gebruikt.
Richtlijnen voor de veiligheid
Neem deze richtlijnen voor het veilig omgaan met de kraan in acht. Verwijzingen naar specifieke risico's staan vermeld in het betreffende gedeelte waarin het risico zich voordoet.
- Als de zender beschadigd is, kan het gebeuren dat hij verkeerde signalen aan de kraan zendt. Dan kan de kraan ongecontroleerd rijden of hijsen. Daardoor kunnen personen (dodelijk) letsel oplopen. Gebruik de zender alleen als er geen zichtbare schade is. De zender niet gooien, laten vallen of blootstellen aan stoten.
- Als de kraanbestuurder struikelt of valt, kan het gebeuren dat hij per ongeluk de zender bedient. Door deze ongewenste kraanbeweging kunnen personen (dodelijk) letsel oplopen. Bedien de kraan uitsluitend vanaf een veilige plaats.
- Als de kraanbestuurder geen perfect zicht op de last heeft, kunnen personen door de last worden geraakt en (dodelijk) letsel oplopen. Bedien de kraan uitsluitend als de last, de kraan en de werkruimte volledig te zien zijn. Werk anders met een loods.
- Als de positie met de zender wordt veranderd (vooral bij omdraaien), verandert het gevoel voor de rijrichting van kraan en loopkat. Daardoor kunnen onbedoeld opdrachten in de verkeerde richting worden gegeven. Door deze ongewenste kraanbeweging kunnen personen (dodelijk) letsel oplopen. Rijd bij een wijziging van de positie extra voorzichtig. Let op de rijrichtingsmerktekens op de kraan en op de zender!
- Als een ingeschakelde en ingelogde zender weggelegd wordt, kunnen onbevoegde personen de zender gebruiken en de kraan besturen. Door deze kraanbeweging kunnen personen (dodelijk) letsel oplopen. Laat de ingeschakelde zender nooit onbeheerd achter.
- De zender op een veilige plaats bewaren zodat onbevoegde personen geen toegang tot de zender hebben.
- Batterijen kunnen exploderen of openbarsten als ze in vuur worden gegooid, kortsluiten of verkeerd in de zender worden gelegd. batterijen correct plaatsen en in een veilige omgeving bewaren.
De draadloze afstandsbediening
Beschrijving
De draadloze afstandsbediening bestaat uit:
- Zender ABURemote
- Ontvanger
- Inductief laadstation met voeding en wandhouder
- Beschermingsetui met draagriem, riemclip en handlus
Zender ABURemote Button:

- 1: display
- 2: Pijltoetsen/sneltoetsen
- 3: ENTER
- 4: knop voor verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat, hijsen/neerlaten
Alleen bij zwenkkraan: in plaats van de knop voor verplaatsing kraan zijn er knoppen voor het zwenken.
Alleen bij ABURemote AC: in plaats van de knop voor verplaatsing kraan zijn er blindstoppen.
- 5: AAN/stopschakelaar
- 6: sluiting van het batterijvak
- 7: CLAXON-knop
- 8: manchet
- 9: MENU
Ontvanger met relais:

- 1: statusleds
- 2: huis
- 3: typeplaatje
- 4: aansluitkabel
- 5: deksel
CAN-busontvanger:

- 1: statusleds
- 2: aansluitkabel voor CAN-bus-netwerk
- 3: typeplaatje
- 4: bevestiging voor profielrail
- 5: antenne met magneetvoet
- 6: huis
- 7: netaansluiting (vanaf onder)
- 8: aansluiting voor antenne met magneetvoet
Ontvanger voor ABURemote AC:

- 1: behuizingsdeksel
- 2: onderzijde behuizing
- 3: bajonetstekker voor kettingtakel
- 4: aansluitkabel
- 5: statusleds
Inductief laadstation:

- 1: micro-USB-aansluiting voor voeding
- 2: inductiespoel voor contactloos opladen van batterij
- 3: voeding
- 4: magnetische houder
- 6: draadbeugel
- 6: wandhouder
- 7: laadindicatie
Ladingstoestel voor batterijen:

- 1: laadvak
- 2: laadindicatie
- 3: batterij
Specificaties
De draadloze afstandsbediening ABURemote:
- Met ABURemote kunnen ABUS-kranen draadloos worden bestuurd.
- Met ABURemote kunnen de normale kraanfuncties (verplaatsing kraan, zwenken, verplaatsing loopkat, hijsen/neerlaten) en afhankelijk van de uitrusting van de kraan vele extra functies worden bestuurd.
- ABURemote is direct afgestemd op de componenten van ABUS-kranen en werkt direct samen met de elektronische modules van de kraan (bijv. lastindicatiesysteem LIS, ABUControl).
- ABURemote heeft een reikwijdte van ruim 100 meter, afhankelijk van bijvoorbeeld muren en voorwerpen tussen zender en ontvanger. Andere factoren die de reikwijdte kunnen begrenzen zijn bijv. andere apparaten met radiotechniek en omgevingscondities zoals luchtvochtigheid .
- De zender heeft een ergonomische vorm en ligt goed in de hand. De kraanfuncties kunnen met één hand worden bediend. De knoppen zijn groot en moeten goed worden ingedrukt voor een veilige bediening.
- De zender heeft een huis van slag- en krasvaste kunststof en is daardoor stevig en robuust.
- De zender heeft een interne antenne die niet kan afbreken als de zender valt.
- De zender heeft een gekleurd verlicht display waarop de actuele bedrijfsmodus wordt weergegeven. In het geïntegreerde menu worden de functies van de draadloze afstandsbediening aan de eigen wensen aangepast.
- Door de achtergrondverlichting in verschillende kleuren wordt de actuele bedrijfsmodus van de zender aanvullend gevisualiseerd.
- Bij kranen met lastindicatiesysteem LIS-SV of kraanbesturing ABUControl: op het display wordt in het lopende bedrijf de aangeslagen last van de kraan weergegeven. Met de zender kan de tarra-functie worden bediend.
- De zender wordt met drie oplaadbare batterijen type Mignon (AA) of met drie wegwerpbatterijen type Mignon (AA) gebruikt.
- ABURemote heeft een halfautomatisch frequentiemanagement. Bij het inschakelen en als de kraanbestuurder het menupunt „Freq.wijz.” oproept, zoekt ABURemote een vrij radiofrequentiekanaal voor de datatransmissie.
De zender scant de 433 MHz- of de 868 MHz-radiofrequentieband en beoordeelt de actuele situatie in zijn omgeving. Op basis hiervan kiest de zender een zo optimaal mogelijk radiofrequentiekanaal voor de verbinding.
- Minstens 20 ABURemote kunnen parallel worden bediend, zonder dat er storingen optreden. Het werkelijke aantal kan door andere apparaten met radiotransmissie worden beperkt.
- ABURemote is zo geconstrueerd dat de kraan bij een verkeerd signaal of radiostoringen wordt uitgeschakeld en niet ongecontroleerd doorwerkt.
- ABURemote heeft een veilige noodstopfunctie. De zender zendt daarvoor permanent een gereedheidssignaal aan de ontvanger. Als dit gereedheidssignaal voor een halve seconde ontbreekt (bijv. door een radiostoring), schakelt de ontvanger op noodstop. Bovendien zendt de zender een actief stopsignaal als de AAN/stopschakelaar wordt ingedrukt.
- De zender heeft een bedrijfsmodus „Stand-by”. De zender wisselt in de bedrijfsmodus „Stand-by” als er binnen een instelbare tijd geen knop is ingedrukt.
- ABURemote werkt standaard in de 433 MHz-ISM-radiofrequentieband of in de 868 MHz-ISM-radiofrequentieband (variant).
De datatransmissie is gebaseerd op een 4-GFSK-modulatie. Hierdoor wordt een korte signaallooptijd, dus een snelle reactie van de kraan mogelijk gemaakt.
- De ontvanger is leverbaar als ontvanger met relais of als CAN-busontvanger. Voor kettingtakels is bovendien een speciale kettingtakel-ontvanger verkrijgbaar.
- De ontvanger met relais heeft een interne antenne en een compacte vorm. Hij heeft van veraf zichtbare leds voor de statusindicatie en is snel te openen met gebruikelijk gereedschap.
- De CAN-busontvanger is bestemd voor montage op een profielrail in de kraanbesturing. Hij heeft een aansluiting voor een externe antenne met magneetvoet en is bestemd voor gebruik met de kraanbesturing ABUControl.
- De ontvanger voor ABURemote AC is speciaal bestemd voor de ABUS-kettingtakels ABUCompact GM2 tot GM 8 en kan direct op de kettingtakel worden gemonteerd en aangesloten.
Bij tandembesturing:
- ABURemote kan voor de besturing van twee kranen met tandembesturing worden gebruikt. De zender wordt daarvoor ingelogd op beide kranen en bestuurt beide kranen synchroon. De bewaking van eindschakelaars en andere veiligheidsfuncties wordt daarbij veiliggesteld door de besturing van beide loopkranen.
- Op de zender kan heen en weer worden geschakeld tussen beide kranen. Zo kan bij een ingeschakelde tandembesturing kortstondig een afzonderlijke kraan worden bestuurd (bijv. voor het aanslaan van de last of voor het compenseren van hoogteverschillen).
Bij twee loopkatten aan een kraan:
- Bij loopkatkeuze I I+II II: met de zender kan tussen beide loopkatten heen en weer worden geschakeld. Zo kunnen de loopkatten afwisselend worden bestuurd. Bovendien kan het synchrone bedrijf worden ingeschakeld, waarbij beide loopkatten synchroon kunnen worden bestuurd.
- Bij loopkatkeuze I I+II II: met de zender kan tussen beide loopkatten heen en weer worden geschakeld. Zo kunnen de loopkatten afwisselend worden bestuurd.
Bij haakassistent (lasthaakgeleiding en lasthaakcentrering):
- Met de lasthaakgeleiding kan de lasthaak handmatig worden verplaatst. In de richting waarin de laasthaak wordt gezwenkt of getrokken beweegt zowel de kraan als de kat.
- Met de functie lasthaakcentrering wordt de lasthaak bij bevestigde last tijdens heffen automatisch boven de last uitgelijnd. Hierdoor wordt het verticaal positioneren van de loopkat vereenvoudigt en versneld. Hierdoor kan ook schuin trekken worden gereduceerd.
- De lasthaakgeleiding/lasthaakcentrering wordt via de sneltoets „Verplaatsingsvrijgave“ in- en uitgeschakeld. Zie „Lasthaakgeleiding “ of „Lasthaakcentrering “ .
- De haakassistenten werken door de doorbuiging van de kabel nauwkeurig te meten. Aan de ankerbloktraverse, het trommelhuis of aan het loopkatframe is een inclinometer aangebracht die de doorbuiging van de kabel meet. De uitlijning van de inclinometer kan in KranOS worden aangepast. Zie producthandboek „ABUControl“.
- Voor gebruik van de functie moet voor ingebruikname meerdere keren een
kalibratierit met lege lasthaak van de onderste naar de bovenste
haakstand worden uitgevoerd..
Hierdoor wordt de nulstand van de inclinometer vastgesteld. De kalibratie van de inclinometer wordt in KranOS geactiveerd. Zie producthandboek „ABUControl“. - De haakassistenten functioneren alleen bij een afzonderlijk hijswerk of bij een kraan met meerdere loopkatte, wanneer de niet-gebruikte loopkat niet geselecteerd is en in parkeerstand staat (lasthaak heeft slagbegrenzer boven bereikt).
- Als de lasthaakgeleiding/lasthaakcentrering actief is, kan de positiebesturing niet worden geactiveerd. De functies kunnen hierdoor niet synchroon worden gebruikt.
Positiebesturing:
- Met de positiebesturing kunnen met de lasthaken eerder vastgelegde afzonderlijke punten (handmatig of lineair) worden ingenomen of een route met tot 8 routepunten worden langsgegaan.
Afzonderlijke punten (handmatig of lineair) kunnen in KranOS aangelegd of gewijzigd worden. Routepunten kunnen niet in KranOS aangelegd of gewijzigd worden.
Zie producthandboek „ABUControl”.
- De positiebesturing wordt via een sneltoets of via het menu in- en
uitgeschakeld. In te nemen posities kunnen in het menu geselecteerd en
opgeslagen worden. Zie voor het opslaan van de posities: „Positiebesturing
bij ABUControl: afzonderlijke punten in acht nemen“
of „Positiebesturing
bij ABUControl: routes programmeren“.
Zie voor het toepassen van de functie: „Positiebesturing bij ABUControl: singlepoints en routepunt innemen“.
Het inductieve laadstation:
- Het laadstation met het geïntegreerde inductie-ladingstoestel maakt gemakkelijk en contactloos opladen van de batterijen in de zender mogelijk.
- Het laadstation is een veilige en vaste opbergplek voor de zender wanneer er niet met de kraan wordt gewerkt.
- Door de magnetische bevestiging van de zender in het laadstation kan de zender eenvoudig worden geplaatst voor een optimale energieoverdracht. Tegelijkertijd kan de zender snel en eenvoudig worden verwijderd.
- De zender kan ook met beschermingsetui, draagriem en handlus in het laadstation worden geplaatst.
- Door de aparte wandhouder van het laadstation wordt een plaatsbesparende montage in de buurt van de werkruimte mogelijk gemaakt.
- Het opladen van de batterijen wordt weergegeven door een grote laadindicatie op het laadstation en op het display van de ABURemote.
- Door optionele accessoires (conventioneel ladingstoestel en reservebatterijen) kan de zender ook in drieploegendienst worden gebruikt.
Het ladingstoestel:
- Met het ladingstoestel kunnen 1 tot 4 batterijen (NiMH) worden geladen.
- Het ladingstoestel bewaakt elk laadvak onafhankelijk van de andere laadvakken.
- Het ladingstoestel bewaakt de batterijtemperatuur, beschermt tegen overlading, herkent defecte batterijen en herkent wanneer wegwerpbatterijen zijn geplaatst.
- Het ladingstoestel herkent wanneer de batterij geladen is en schakelt om naar druppellading.
- Met het aparte ladingstoestel en twee sets batterijen kan de zender zonder onderbreking (bijv. in drieploegendienst) worden gebruikt.
Technische gegevens
Zender:
Elektrische aansluiting |
|
|---|---|
Bedrijfsspanning |
3,0 V tot 5,0 V DC |
Stroomgebruik |
60 mA tot 85 mA |
Zendvermogen |
< 10 dBm |
Gewicht (zonder batterijen, beschermingsetui en handlus) |
400 g |
Omgevingscondities tijdens bedrijf |
|
|---|---|
IP-classificatie |
IP 65 |
Relatieve luchtvochtigheid |
20 tot 90 % niet condenserend |
Omgevingstemperatuur |
-20 °C tot +55 °C |
Ontvanger met relais:
Elektrische aansluiting |
|
|---|---|
Bedrijfsspanning |
42 V tot 270 V AC |
Netfrequentie |
50 Hz/60 Hz |
Stroomgebruik |
~100 mA |
Spanning aan uitgangen |
Komt overeen met bedrijfsspanning |
Gewicht |
1,1 kg |
Omgevingscondities tijdens bedrijf |
|
|---|---|
IP-classificatie |
IP 65 |
Relatieve luchtvochtigheid |
20 % tot 90 % niet condenserend |
Omgevingstemperatuur |
-20 °C tot +70 °C |
CAN-busontvanger:
Elektrische aansluiting |
|
|---|---|
Bedrijfsspanning |
24 V DC |
Stroomgebruik |
< 100 mA |
Max. zendvermogen |
≤ 10 mW |
Omgevingstemperatuur |
-20 °C tot +80 °C |
Ontvanger voor ABURemote AC:
Elektrische aansluiting |
|
|---|---|
Bedrijfsspanning |
48 V AC |
Stroomgebruik |
< 100 mA |
Max. zendvermogen |
≤ 10 mW |
Omgevingstemperatuur |
-20 °C tot +80 °C |
Ladingstoestel:
Elektrische aansluiting |
|
|---|---|
Bedrijfsspanning |
100 V tot 240 V |
Netfrequentie |
50 Hz tot 60 Hz |
Stroomgebruik |
Max. 145 mA |
Inductief laadstation:
Elektrische aansluiting |
|
|---|---|
Bedrijfsspanning |
5 V DC |
Stroomgebruik |
Max. 1500 mA |
Frequentie |
130 kHz |
Gewicht |
750 g (zonder wandhouder) |
IP-classificatie |
IP 20 |
Voeding voor inductief laadstation:
Elektrische aansluiting |
|
|---|---|
Bedrijfsspanning |
100 V tot 240 V AC |
Netfrequentie |
50 HZ/60 Hz |
Stroomgebruik |
180 mA |
Uitgangsspanning |
5 V DC +/- 10 % |
Uitgangsstroom |
1500 mA |
Gewicht |
138 g |
IP-classificatie |
IP 40 |
ABURemote afvoeren
Wanneer ABURemote moet worden afgevoerd:
- Neem zender en ontvanger zo ver mogelijk uit elkaar.
- Neem de plaatselijke voorschriften voor afvoer en recycling in acht.
- Voer de afzonderlijke componenten naar materiaal gescheiden en op milieuvriendelijke wijze af:
- Voer elektronische onderdelen af als elektronisch afval.
- Voer kabels en stekkers af als elektronisch afval.
- Laat behuizing en kunststof onderdelen recyclen als kunststofafval.
- Voer metalen onderdelen af als oud ijzer.

Batterijen afvoeren
- Geef batterijen niet mee met het huisvuil. Voer ze af conform de plaatselijke voorschriften.
ABURemote-menu bedienen
Functies van de toetsen

- 1: ENTER:
Roept menupunten op en bevestigt waarden. Zie „ABURemote-menu bedienen”.
- 2: Knoppen:
In de bedrijfsmodus „Norm.”: besturen de kraan. Zie „Hijsen en neerlaten, verplaatsing loopkat, verplaatsing kraan”.
In het menu: bedienen het menu (HIJSEN, NEERLATEN, VERPLAATSING LOOPKAT LINKS en VERPLAATSING LOOPKAT RECHTS). Zie „ABURemote-menu bedienen”.
- 3: AAN/stopschakelaar:
Indrukken: activeert de noodstop van de kraan. Zie „Noodstop”.
Helemaal indrukken en ingedrukt houden: zender in- en uitschakelen. Zie „Voorafgaand aan de werkzaamheden controleren, inschakelen en vrijgeven” en „Zender uitloggen en uitschakelen”.
- 4: CLAXON-knop:
Helemaal indrukken: bedient de claxon. Zie „Claxon“ of de zender gaat uit stand-by.
Half indrukken samen met VERPLAATSING LOOPKAT LINKS en/of VERPLAATSING LOOPKAT RECHTS: selecteert een van de twee loopkatten of beide loopkatten. Zie „Kraan met twee loopkatten bedienen“.
Half indrukken samen met VERPLAATSING KRAAN VOORUIT en/of VERPLAATSING KRAAN ACHTERUIT: selecteert een van beide kranen of beide kranen. Zie „Kranen in tandembedrijf bedienen”.
Half indrukken samen met HEFFEN of NEERLATEN: Selecteert bij ingeschakelde positiebesturing een afzonderlijke punt. Zie „Positie via claxon-toets selecteren“.
- 5: Pijltoetsen/sneltoetsen:
In het menu: bedienen het menu. Zie „ABURemote-menu bedienen”.
In de bedrijfsmodus „Norm.”: hieraan kunnen extra functies van de kraan (bijv. tarra, verlichting van de kraan) als sneltoetsen worden toegewezen. Zie „Sneltoetsen instellen“.
- 6: MENU:
Indrukken: roept het hoofdmenu op en beëindigt het. Zie „Menu en menupunten oproepen en beëindigen”.
Menu en menupunten oproepen en beëindigen
Veel functies en instellingen kunnen comfortabel via het menu worden geselecteerd.
Menu en menupunten oproepen:
MENUHoofdmenu

- Druk op MENU.
- Op het display wordt het hoofdmenu weergegeven.
- Selecteer het gewenste menupunt met de pijltoetsen OMHOOG en OMLAAG.
- Het geselecteerde menupunt krijgt een zwarte achtergrond.
- Roep het geselecteerde menupunt op met de pijltoets RECHTS of ENTER.
Submenu

- Op het display wordt het opgeroepen menupunt of een submenu weergegeven.
Terug naar het vorige menu of het hoofdmenu gaan:

- Druk op de pijltoets LINKS.
- Op het display wordt weer het vorige menu of het hoofdmenu weergegeven.
Menu beëindigen:

- Ofwel:
Druk op MENU.
Of:
Druk meermaals op de pijltoets LINKS.
- De zender beëindigt het menu en gaat terug naar de vorige bedrijfsmodus.
Waarde wijzigen
Bij veel functies kunnen waarden worden geselecteerd of ingesteld.

- Op het display wordt een venster met de actueel ingestelde of geselecteerde waarde weergegeven.
- Als op meerdere plaatsen op het display waarden kunnen worden geselecteerd of ingesteld: selecteer met de pijltoetsen RECHTS en LINKS een plaats.
De geselecteerde plaats krijgt een zwarte achtergrond.
- Selecteer de gewenste waarde met de pijltoetsen OMHOOG en OMLAAG.
- Bevestig de geselecteerde of ingestelde waarde met de pijltoets RECHTS of met ENTER.
- De geselecteerde of ingestelde waarde wordt opgeslagen.
Als de waarde niet moet worden gewijzigd:
- Ofwel:
Beëindig het menu met MENU.
Of:
Ga met de pijltoets LINKS terug naar het vorige menu.
Melding bevestigen of annuleren
Foutcodes of andere aanwijzingen verschijnen in de vorm van meldingen.
Melding

- Alleen bij meerdere knoppen: selecteer de gewenste knop (zwarte achtergrond) met de pijltoetsen LINKS en RECHTS.
- Druk op ENTER.
Code of PIN invoeren
Enkele menu's zijn beveiligd met een code om onbedoelde wijzigingen te voorkomen. Verder kunnen de volledige zender en ook bepaalde functies met een PIN worden beveiligd.
OMHOOG en OMLAAGCode 0005

- Op het display wordt de codeopvraging (beveiliging van sommige menu's) of het PIN-invoerveld (zenderbeveiliging en beveiligde functies) weergegeven.
- Selecteer met de pijltoetsen LINKS en RECHTS het cijfer dat moeten worden ingesteld.
- Het geselecteerde cijfer krijgt een zwarte achtergrond.
- Stel het cijfer in met de pijltoetsen OMHOOG en OMLAAG.
- Stel op deze manier de code of de PIN in.
- De code voor het menu „Instellingen” is „0005”.
- De code voor het menu „Service” is „0055”.
- De PIN voor de zenderbeveiliging (zender vergrendelen) kan te allen tijde worden geactiveerd en vastgelegd. Zie „PIN voor zenderbeveiliging en speciale functies instellen”.
Deze is standaard „0000”.
- Alleen bij beveiligde functies: de PIN voor beveiligde functies (lastbegrenzing en eindschakelaar overbruggen) kan naar wens worden ingesteld.
De PIN voor de beveiligde functie „eindschakelaar overbruggen” (PIN-niveau 1) is standaard „9001”.
De PIN voor de beveiligde functie „lastbegrenzing” (PIN-niveau 2) is standaard „8201”.
De PIN voor het ontgrendelen van alle beveiligde functies (PIN-niveau 3) is standaard „0190”.

- Druk op ENTER om te bevestigen of op MENU om te annuleren.
Bevestigen:
Menu „Instellingen”

- Op het display wordt het opgeroepen menupunt weergegeven.
Annuleren:
- De zender beëindigt het menu en gaat terug naar de bedrijfsmodus „Norm.”.
Als een verkeerde code of een verkeerde PIN is ingevoerd:

- Op het display verschijnt de melding „Code onjuist” of „PIN onjuist”.
- Druk op ENTER.
- Op het display wordt weer de codeopvraging of het PIN-invoerveld weergegeven.
De code of de PIN kan een onbepaald aantal keer verkeerd worden ingevoerd. De zender wordt niet geblokkeerd als de code of de PIN te vaak verkeerd is ingevoerd.
Weergave in de bedrijfsmodus (zender)
In de bedrijfsmodus „Norm.”:

- 1: Signaal: op het display wordt de signaalkwaliteit van de radioverbinding weergegeven. Hoe minder balkjes worden weergegeven, des te slechter is het signaal.
- 2: Bedrijfsmodus: op het display wordt de actuele bedrijfsmodus „Norm.” weergegeven.
- 3: Kraannummer en loopkat: op het display wordt het kraannummer (01, 02 enz.) weergegeven, waarop de zender is ingelogd.
Bij een kraan met één loopkat wordt „I” voor loopkat I weergegeven.
Bij een kraan met twee loopkatten wordt bovendien de geselecteerde loopkat (I en/of II) weergegeven. Zie „Kraan met twee loopkatten bedienen“.
Bij een kraan met één loopkat kan op de zender ook tussen de weergave voor „I” en „II” heen en weer worden geschakeld, maar loopkat I wordt altijd bediend.
4: Kraannummer en loopkat in tandembedrijf: op het display wordt aanvullend het kraannummer van de partnerkraan weergegeven, waarop de zender in tandembedrijf is ingelogd. Zie „Kranen in tandembedrijf bedienen“.
5: Laadindicatie: op het display wordt de resterende capaciteit van de batterij weergegeven. Vier volle balken staan voor een volle batterij, vier lege balken voor een lege batterij.
Het symbool voor radiogolven over de batterij geeft aan of voor deze zender inductief laden van de batterijen mogelijk is.
6: Ingestelde functies van de sneltoetsen: op het display worden symbolen voor de functies weergegeven, die aan de sneltoetsen (pijltoetsen) zijn toegewezen. Zie „Sneltoetsen instellen“.
- Symbool met zwarte achtergrond: de functie is beschikbaar en kan worden geselecteerd.
- Symbool met witte achtergrond: de functie is momenteel niet beschikbaar.
- Geheel wit symbool: aan deze sneltoets is geen functie toegewezen.
7: Lastindicatie: op het display wordt het actuele gewicht van de last aan de lasthaak weergegeven (optie). Als de kraan van de kraan geen lastmeetsysteem heeft (bijv. bij ABURemote AC), wordt hier niets weergegeven.
- 8: Symbolen voor verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat, hijsen/neerlaten: op het display wordt het betreffende symbool voor de knoppen weergegeven. Zie „Kraan bedienen”.
Andere symbolen:

- 1: Slingerdemping: op het display wordt weergegeven of de slingerdemping is ingeschakeld en welke lengte voor het lastopnamemiddel is ingesteld. Zie „Slingerdemping gebruiken”.
- 2: Beveiligde lastbegrenzing: op het display wordt weergegeven of de beveiligde lastbegrenzing is ingeschakeld (gewichtssymbool met gesloten hangslot) of uitgeschakeld (gewichtssymbool met open hangslot). Zie „Lastbegrenzing in- en uitschakelen”.
- 3: Symbolen voor zwenken: bij een zwenkkraan kan de symboolweergave worden omgeschakeld om de symbolen voor zwenken in plaats van verplaatsing kraan weer te geven. Zie „Kraantype voor displaysymbolen instellen”.
- 4: Radiofrequentiekanaal: op het display wordt het huidige radiofrequentiekanaal weergegeven. Zie „Kanaalindicatie instellen”.
In de bedrijfsmodus „Niet ingelogd”:

- 1: Bedrijfsmodus: op het display wordt de actuele bedrijfsmodus „Niet ingelogd” weergegeven.
- 2: Sneltoetsen: op het display worden alle sneltoetsen (behalve „Inloggen”) met een witte achtergrond (niet beschikbaar) weergegeven.
- 3: Signaalkwaliteit: op het display wordt geen balkje weergegeven omdat de zender niet op een kraan is ingelogd.
In de bedrijfsmodus „Stand-by”:

- 1: Kraannummer: op het display wordt het kraannummer (01, 02 enz.) weergegeven, waarop de zender is ingelogd.
Als de zender niet is ingelogd, wordt hier het ABUS-logo weergegeven.
- 2: Laadindicatie: op het display wordt de resterende capaciteit van de batterij weergegeven. Vier volle balkjes staan voor een volle batterij.
- 3: Zendernummer: op het display wordt het nummer van de zender weergegeven.
In de bedrijfsmodus „Kies”:

- 1: Bedrijfsmodus: op het display wordt de actuele bedrijfsmodus „Kies” weergegeven.
- 2: Loopkatkeuze en kraankeuze: op het display worden de geselecteerde kraan en de geselecteerde loopkat weergegeven. Zie „Kraan met twee loopkatten bedienen” en „Kranen in tandembedrijf bedienen”.
- 3: Loopkatkeuze: alleen bij twee loopkatten:
Loopkat I wordt in de bedrijfsmodus „Kies” (CLAXON-knop half indrukken en ingedrukt houden) met de knop VERPLAATSING LOOPKAT LINKS geselecteerd.
Loopkat II wordt in de bedrijfsmodus „Kies” (CLAXON-knop half indrukken en ingedrukt houden) met de knop VERPLAATSING LOOPKAT RECHTS geselecteerd.
Loopkat I+II wordt in de bedrijfsmodus „Kies” (CLAXON-knop half indrukken en ingedrukt houden) met de knoppen VERPLAATSING LOOPKAT LINKS en tegelijkertijd VERPLAATSING LOOPKAT RECHTS geselecteerd.
Bij een kraan met één loopkat kan op de zender ook tussen de weergave voor „I” en „II” heen en weer worden geschakeld, maar loopkat I wordt altijd bediend.
- 4: Sneltoetsen: op het display worden alle sneltoetsen met een witte achtergrond (niet beschikbaar) weergegeven.
- 5: Kraankeuze: alleen bij ingeschakeld tandembedrijf:
De eerste kraan wordt in de bedrijfsmodus „Kies” (CLAXON-knop half indrukken en ingedrukt houden) met de knop VERPLAATSING KRAAN VOORUIT geselecteerd.
De tweede kraan wordt in de bedrijfsmodus „Kies” (CLAXON-knop half indrukken en ingedrukt houden) met de knop VERPLAATSING KRAAN ACHTERUIT geselecteerd.
De eerste en de tweede kraan samen worden in de bedrijfsmodus „Kies” (CLAXON-knop half indrukken en ingedrukt houden) met de knoppen VERPLAATSING KRAAN VOORUIT en tegelijkertijd VERPLAATSING KRAAN ACHTERUIT geselecteerd.
Weergave in de bedrijfsmodus (ontvanger)
Ontvanger met relais:
Leds

Symbool |
Betekenis |
|---|---|
|
Uit: ontvanger uitgeschakeld Knippert: probleem met de bedrijfsspanning Aan: ontvanger ingeschakeld |
|
Uit: geen radioverbinding met de zender Knippert: ontvanger zoekt zender Aan: radioverbinding opgebouwd |
|
Knippert één keer: tandembedrijf uitgeschakeld Knippert twee keer: tandembedrijf ingeschakeld |
|
Uit: dataverbinding onderbroken Knippert: kwaliteit van de dataverbinding is slecht Aan: dataverbinding tot stand gebracht |
|
Uit: noodstop ingedrukt Knippert: zender in bedrijfsmodus „Norm.” (normaal) Aan: knop verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat, hijsen/neerlaten ingedrukt |
CAN-busontvanger en ontvanger voor ABURemote AC:
Leds

| Symbool | Betekenis |
|---|---|
|
Uit: ontvanger uitgeschakeld Knippert: probleem met de bedrijfsspanning Aan: ontvanger ingeschakeld |
|
Uit: noodstop ingedrukt Knippert: zender in bedrijfsmodus „Norm.” (normaal) Aan: knop verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat, hijsen/neerlaten ingedrukt |
|
Uit: ontvanger werkt zonder problemen Knippert: fout in de noodstopfunctie Aan: fout in het CAN-bus-netwerk |
|
Uit: geen radioverbinding met de zender Knippert: ontvanger zoekt zender Aan: radioverbinding opgebouwd |
Weergave in de bedrijfsmodus (laadstation)
Laadindicatie

Laadindicatie:
- Brandt wit: laadstation is ingeschakeld en gebruiksklaar.
- Brandt rood: zender is geplaatst en batterijen worden opgeladen.
- Brandt groen: zender is geplaatst en batterijen zijn volledig opgeladen.
- Knippert rood: storing tijdens het opladen. Zie „Foutindicaties laadstation”.
Overzicht hoofdmenu
Menupunt |
Menupunt |
Functies |
Sneltoets |
Zie |
|---|---|---|---|---|
„Kraanbediening” |
„Tarra” |
Lastindicatie op nul zetten |
|
„Tarra”. |
„Inloggen” |
Zender op ontvanger inloggen. |
|
„Voorafgaand aan de werkzaamheden controleren, inschakelen en vrijgeven”. |
|
„Uitloggen” |
Zender van ontvanger uitloggen. |
|
||
„Tandem login” |
Zender voor tandembedrijf op tweede kraan inloggen. |
|
||
„Tandem logout” |
Zender in tandembedrijf van tweede kraan uitloggen. |
|
||
„Verlichting” |
Verlichting van de kraan in- en uitschakelen. |
|
||
„Slingerdemp. aan” |
Slingerdemping inschakelen en lengte van het lastopnamemiddel instellen. |
|
„Slingerdemping ”. |
|
„Slingerdemp. uit” |
Slingerdemping uitschakelen. |
|
„Slingerdemping ”. |
|
„Loopkatkeuze” |
Omschakelen tussen loopkat I, loopkat II en loopkat I+II. |
(niet beschikbaar) |
||
„Kraankeuze” |
Omschakelen tussen eerste en tweede kraan in afzonderlijk bedrijf en tandembedrijf. |
(niet beschikbaar) |
||
(niet beschikbaar als menupunt) |
Eindschakelaar van een omleidingbesturing overbruggen. |
|
||
„Sup.kruipsnh aan” |
Super-kruipsnelheid van takel inschakelen. |
|
„Super-kruipsnelheid in- en uitschakelen”. | |
„Sup.kruipsnh uit” |
Super-kruipsnelheid van takel uitschakelen. |
|
||
„Freq.wijz.” |
Zender een nieuw radiofrequentiekanaal laten zoeken. |
|
||
„Teach-in” |
Teach-in bij elektronische eindschakelaar hijsen uitvoeren of punten vastleggen voor positiebesturing. |
|
„Teach-in bij elektronische eindschakelaar hijsen uitvoeren“ of „Afzonderlijke punten teachen“ „Positiebesturing bij ABUControl: afzonderlijke punten in acht nemen” of „Routes teachen“ „Positiebesturing bij ABUControl: routes programmeren”. |
Menupunt |
Menupunt |
Functies |
Sneltoets |
Zie |
|---|---|---|---|---|
„Positioneren” |
Naar posities van een positiebesturing rijden. |
|
„Positioneerhulp: posities innemen“ of „Positiebesturing bij ABUControl: singlepoints en routepunt innemen“. |
|
„Optie 1” |
Extra functies (1 t/m 6) schakelen. |
|
||
„Instellingen” |
„Batterij” |
Resterende tijd van de batterijen weergeven en alarm instellen. |
„Resterende tijd van de batterijen weergeven en alarm instellen”. |
|
„Zendernummer” |
Nummer van de zender instellen dat op het display wordt weergegeven. |
|||
„Kraannummer” |
Nummer van de kraan instellen dat op het display wordt weergegeven. |
|||
„Stand-by” |
Tijd instellen waarna de zender in de bedrijfsmodus „Stand-by” wisselt. |
|||
„Displaylicht” |
Displayverlichting instellen. |
|||
„Taal” |
Taal voor menu en meldingen selecteren. |
|||
„Kraantype” |
Kraantype (loopkraan of zwenkkraan) voor displaysymbolen selecteren. |
|||
„Sneltoetsen” |
„◄-toets” |
Toewijzing van de sneltoets selecteren. |
||
„▼-toets” |
Toewijzing van de sneltoets selecteren. |
|||
„▲-toets” |
Toewijzing van de sneltoets selecteren. |
|||
„►-toets” |
Toewijzing van de sneltoets selecteren. |
|||
„Info” |
Elektronisch typeplaatje weergeven. |
Overzicht menu „Service”
Menupunt |
Menupunt |
Functies |
Toegang tot menupunt |
Zie |
|---|---|---|---|---|
„Radio” |
„Kanaal” |
Automatisch een vrij radiofrequentiekanaal zoeken activeren of een vast radiofrequentiekanaal instellen. |
Bij uitgelogde of ingelogde zender |
|
„Kanaalbereik” |
Automatisch een vrije radiofrequentiekanaal zoeken beperken tot bepaalde radiofrequentiekanalen. |
Alleen bij uitgelogde zender |
||
„Kanaalindicatie” |
Weergave van het radiofrequentiekanaal in de bedrijfsmodus „Norm.” inschakelen. |
Bij uitgelogde of ingelogde zender |
||
„Adres” |
Adres van de ontvanger in de zender instellen. |
Alleen bij uitgelogde zender |
||
„Applicatie” |
Applicatie van de zender (type en varianten) instellen. |
Alleen bij uitgelogde zender |
||
„Zendvermogen” |
„Zender” |
Zendvermogen van de zender instellen. |
Bij uitgelogde of ingelogde zender |
|
„Ontvanger” |
Zendvermogen van de ontvanger instellen. |
Alleen bij ingelogde zender |
||
„Bedrijfsuren” |
„Zender” |
Bedrijfsurenteller van de zender weergeven. |
Bij uitgelogde of ingelogde zender |
|
„Ontvanger” |
Alleen bij ingelogde zender |
|||
„Wachttijd” |
Wachttijd na het inloggen en de vrijgave voor het opstarten van de besturing van de kraan instellen. |
Alleen bij ingelogde zender |
||
„PIN instellen” |
PIN voor zenderbeveiliging en beveiligde functies activeren en instellen. |
Bij uitgelogde of ingelogde zender |
„PIN voor zenderbeveiliging en speciale functies instellen”. |
|
„PIN deactiveren” |
Alle PIN-niveaus voor zenderbeveiliging en beveiligde functies deactiveren. |
Bij uitgelogde of ingelogde zender |
Monteren en aansluiten
Dit geldt voor iedereen die aan de kraan werkt, voordat deze in gebruik wordt genomen.
De exploitant van de kraan is verantwoordelijk voor de keuze en de juiste kwalificatie van het inbedrijfstellingspersoneel.
Voorbeelden van bevoegde personen:
- Personen met uitgebreide kennis dankzij een vaktechnische opleiding in de machinebouw en in de elektrotechniek van kranen.
- Personen met voldoende ervaring op het gebied van gebruik, montage en onderhoud van kranen.
- Personen met uitgebreide kennis op het gebied van de desbetreffende regels van de techniek, richtlijnen en veiligheidsvoorschriften die gelden in het betreffende land.
- Personen met regelmatige scholing door ABUS.
ABUS aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade door onvakkundige en door niet gekwalificeerde personen uitgevoerde inbedrijfstelling.
ABUS adviseert de inbedrijfstelling door ABUS-montageteams te laten uitvoeren.
Voorwaarden controleren
Aan de volgende voorwaarden moet zijn voldaan om de draadloze afstandsbediening te kunnen monteren:
- Er moet een waarschuwingsvoorziening (bijv. claxon) aanwezig zijn.
- Kraan en loopkat moeten een noodeindpositie hebben (bijv. buffer of eindschakelaar met voor- en/of einduitschakeling).
Montage aan de kraan plannen
- Plan voor de montage waar en hoe de ontvanger aan de kraan gemonteerd wordt.
Montage van de ontvanger plannen
Voor een zo stabiel mogelijke radioverbinding:
- De ontvanger moet zo geplaatst zijn dat hij in alle richtingen vrij kan zenden. De ontvanger mag daarom niet door metalen onderdelen in de buurt worden geblokkeerd.
- De minimale afstand van de ontvanger tot de metalen onderdelen in alle richtingen bedraagt 1 m.
- Plan de positie van de ontvanger zodanig dat hij met de meegeleverde aansluitkabel op de kraanrelaiskast kan worden aangesloten.
- De ontvanger moet verticaal geplaatst worden en de aansluitkabel moet naar beneden uit de ontvanger worden geleid.
- De ontvanger moet zo geplaatst worden dat de leds naar het middelpunt van de kraan wijzen en vanuit de werkruimte van de kraan goed afleesbaar zijn.
Alleen bij CAN-busontvanger
Voorbeeld voor de montage van de CAN-busontvanger:
CAN-busontvanger

- De CAN-busontvanger wordt in de kraanrelaiskast gemonteerd. Voor een zo stabiel mogelijke radioverbinding wordt een externe antenne met magneetvoet aangesloten en uit de kraanrelaiskast geleid.
- Voor de montage van de antenne met magneetvoet gelden de hiervoor genoemde aanwijzingen.
- Breng de antenne met magneetvoet zodanig aan dat deze bij verplaatsing van de kraan of verplaatsing van de loopkat nergens blijft hangen.
Positie van de ontvanger plannen

- Enkelligger-loopkraan: de ontvanger moet zoals weergegeven in de afbeelding aan de loopwerkdrager worden bevestigd. De ontvanger moet aan de onderzijde boven de hoofdtraverse uitsteken om in alle richtingen vrij te kunnen zenden.
- Dubbelligger-loopkraan: de ontvanger moet zoals weergegeven in de afbeelding aan de loopwerkdrager tussen beide hoofdtraversen worden bevestigd. De ontvanger moet aan de onderzijde boven de hoofdtraversen uitsteken om in alle richtingen vrij te kunnen zenden.
- Wandloopkraan: de ontvanger moet zoals weergegeven in de afbeelding aan de middelste loopwerkdrager worden bevestigd. De ontvanger moet ongeveer ter hoogte van de onderste loopwerkdrager van de wandloopkraan hangen.

- HB-systeem: de ontvanger moet zoals weergegeven in de afbeelding met een klemeenheid in de profielkop aan de kraanligger worden bevestigd.

- Bovenloopkraan: de ontvanger moet zoals weergegeven in de afbeelding met kikkerplaten aan de bovenste flens van de hoofdtraverse worden bevestigd.
- Zwenkkraan: de ontvanger moet zoals weergegeven in de afbeelding met kikkerplaten aan de bovenste flens van de kraanarm worden bevestigd.
Ontvanger aan de kraan monteren
De afbeeldingen tonen de montage van de ontvanger aan de loopwerkdrager van een enkelligger-loopkraan. De montage aan andere loopkranen wijkt hiervan in principe niet af.
Houder voor ontvanger monteren
Draadbeugel

- Bevestig de houder aan de loopwerkdrager waaraan de kraanrelaiskast hangt.
- Schroef de houder vast met de draadbeugel.
Draadbeugel |
Aanhaalkoppel |
|---|---|
M8 |
25 Nm |
M10 |
50 Nm |
M12 |
75 Nm |
- Schuif de buisklemmen (2x) erop en bevestig deze.
Vierkante buis aan houder monteren
Verticale vierkante buis

- Monteer de verticale vierkante buis op de vereiste positie aan de houder.
De benodigde lengte resulteert uit de omstandigheden in de hal en de veiligheidsafstanden uit de kraantekening.
- Schroef de verticale vierkante buis met buisklemmen (2x) aan de houder. 15 Nm.
Ontvanger aan vierkante buis monteren
DraadbeugelPlaat

- Houd de ontvanger tegen de vierkante buis.
- Steek boven en onder een draadbeugel door het huis.
- Plaats vanaf de achterkant een plaat op beide draadbeugels.
Ontvanger aan kettingtakel monteren
Voor kettingtakels waarbij alleen hijsen en neerlaten alsook optioneel verplaatsing loopkat draadloos moet worden bestuurd, wordt de draadloze afstandsbediening ABURemote AC gebruikt. Hierbij wordt een compacte ontvanger direct aan de kettingtakel gemonteerd.
Besturing van de kettingtakel controleren
De ontvanger voor ABURemote AC kan uitsluitend aan kettingtakels met besturing elektronica worden gebruikt. Kettingtakels met directe besturing kunnen niet met ABURemote AC worden bestuurd.

- Controleer of de handafstandsbediening een vlak onderste gedeelte van de drukknopkastbehuizing voor de besturing elektronica heeft.
- Neem de ontvanger uitsluitend in gebruik wanneer het onderste gedeelte van de drukknopkastbehuizing vlak is.
Afstandsbouten monteren
Indien nodig:
AanbouwdoosCilinderkopbouten

- Draai de cilinderkopbouten M5x16 (4x) uit het aanbouwhuis.
Afstandsbout

- Draai de afstandsbouten (4x) in plaats van de cilinderkopbouten in de aanbouwdoos. Draai ze stevig vast.
Ontvanger monteren
BevestigingshoekCilinderkopbouten

- Houd de bevestigingshoek van de ontvanger onder de afstandsbouten.
- Schroef de bevestigingshoek stevig vast met cilinderkopbouten M5x16 en sluitringen (4x).

- Sluit de bajonetkoppeling van de aansluitkabel en de bajonetstekker van de ontvanger aan. Door een inkerving passen de stekkerverbindingen maar op één manier in elkaar.
- Schuif de bajonetmoeren erop en draai ze vast.
Toetskap vervangen
Indien nodig kunnen de gemonteerde toetskappen worden vervangen door toetskappen met andere symbolen. Dit is bijvoorbeeld nodig als de zender voor een zwenkkraan moet worden gebruikt (toetskappen met het symbool voor verplaatsing van de kraan vervangen door toetskappen met het symbool voor zwenken naar links en naar rechts) of als toetskappen met individuele symbolen moeten worden gebruikt.
Voor het vervangen moet de zender niet worden gedemonteerd.
Toetskap demonteren
Contactvlak

- Druk het contactvlak volledig in en houd het ingedrukt.
- Wip met een stomp gereedschap achtereenvolgens de witte vergrendelingen boven, onder, links en rechts van de toetsvergrendelingsring uit de manchet.
- De toetskap ligt nu los op de zender.

- Verwijder de toetskap.
Nieuwe toetskap monteren
Contactvlak

- Draai het contactvlak van de nieuwe toetskap zodanig dat de kerf precies tussen twee vergrendelingen staat.
ManchetToetskap

- Plaats de nieuwe toetskap. Door de kerf past deze in slechts één positie.
- Druk de manchet rondom in tot de toetsvergrendelingsring vastklikt.
Laadstation aan de wand monteren
Het laadstation kan liggend (bijv. op een bureau of werkbank) of met de wandhouder hangend worden aangebracht. Geschikte schroeven voor de montage van de wandhouder worden bijgeleverd.
Wandhouder monteren
Wandhouder

- Bevestig de wandhouder met de bijgeleverde schroeven en pluggen.
Afstand van de schroeven: 100 mm
Laadstation aan de wandhouder bevestigen of verwijderen
Het laadstation kan op elk moment van de wandhouder worden verwijderd.

- Om te verwijderen: schuif het laadstation naar boven en verwijder het van de wandhouder.
- Om te bevestigen: plaats het laadstation op de haken van de wandhouder en druk het naar beneden.
Keuring na substantiële wijzigingen uitvoeren
- Als de ABURemote achteraf aan een aanwezige kraan is gemonteerd: neem de plaatselijke voorschriften in acht en voer een „keuring na substantiële wijzigingen” uit.
Draadloze afstandsbediening aanmelden
ABURemote is in de meeste landen vrij van aanmelding en leges.
- Controleer de in het land geldende bepalingen en neem deze in acht.
Overzicht aanhaalkoppels bouten
Ontvanger

- Draadbeugels en zelfborgende moeren met karteling M8
- 2x per ontvanger
- 15 Nm.
Bedienen
Dit geldt voor iedereen die met de kraan lasten transporteert of in de buurt van de kraan werkt.
Lees ook altijd het producthandboek van de totale kraan en neem dit in acht! De hierin gegeven aanwijzingen gelden naast die in de andere producthandboeken.
Noodstop

In gevaarlijke situaties met de kraan:
- Druk de AAN/stopschakelaar in.
- Op het display wordt „Stop” weergegeven.
- De zender zendt een stopsignaal aan de ontvanger.
- Het gereedheidssignaal dat normaal gesproken permanent aan de ontvanger wordt gezonden wordt onderbroken.
- De ontvanger ontvangt het stopsignaal en ontvangt bovendien geen gereedheidssignaal meer van de zender.
- De ontvanger schakelt de kraan in noodstop.
- De kraan remt direct af en blijft stilstaan.
Als het gevaar is afgewend:
- Druk ENTER in om de melding te bevestigen.
- Als de zender door een PIN is beveiligd: op het display wordt het venster „PIN invoeren” weergegeven.
- Voer de ingestelde PIN voor de gewenste functie in. Zie „Code of PIN invoeren“.
- Druk op ENTER.
- Op het display wordt „Vrijgave” weergegeven.
- Druk de CLAXON-knop in en laat hem los.
- De claxon is op de zender en bij de kraan te horen.
- De kraan is gereed voor gebruik.
Batterijen plaatsen
Als er nog geen batterijen geplaatst zijn:

- Schroef de sluiting van het batterijvak open.
- Controleer de batterijen op beschadiging.
Als de batterijen beschadigd zijn, de batterijen op deskundige wijze afvoeren en door nieuwe batterijen vervangen!
- Schuif batterijen (3x, type AA Mignon) met de pluspool naar boven in het batterijvak.
Gebruik uitsluitend hoogwaardige batterijen met een capaciteit van ten minste 2500 mAh.
Plaats geen oplaadbare batterijen in combinatie met wegwerpbatterijen in het batterijvak. Wegwerpbatterijen kunnen anders leeglopen en de zender beschadigen.
Plaats geen batterijen met verschillende capaciteit in het batterijvak. De batterijen kunnen anders beschadigd raken.
Plaats geen wegwerpbatterijen als de zender op het laadstation moet worden opgeladen. Als wegwerpbatterijen worden opgeladen, worden ze heet en kunnen er giftige stoffen vrijkomen en de zender beschadigen.
- Schroef de sluiting van het batterijvak dicht.
Zender dragen en vasthouden
Zender in het beschermingsetui steken
Zender

- Steek de zender in het beschermingsetui.
- Sluit het beschermingsetui af met de ritssluiting.
- Sluit de klep van het beschermingsetui af met drukknopen.
Draagriem aan het beschermingsetui bevestigen

- Haak de karabijnhaak van de draagriem aan het beschermingsetui.
Draagriem instellen

- Stel de lengte van de draagriem in.
- Hang de zender met de draagriem om uw nek.
Zender vasthouden

- Houd het beschermingsetui vast aan de twee handriemen aan de achterzijde.
Handlus bevestigen
Sluiting van het batterijvak

- Bevestig de ring van de handlus aan de sluiting van het batterijvak.
Zender in de riemclip hangen
Beschermingsetui

- Haak de riemclip met de opening naar boven aan de riem.
- Haak het beschermingsetui, indien gewenst, van bovenaf in de riemclip en vergrendel het.
Zender van de riemclip verwijderen
Beschermingsetui

- Druk de knoppen links en rechts van de riemclip tegelijkertijd in en houd ze ingedrukt.
- Schuif het beschermingsetui naar boven uit de riemclip.
Voorafgaand aan de werkzaamheden controleren, inschakelen en vrijgeven
De volgende punten voorafgaand aan de werkzaamheden met de ABURemote controleren. Bij schade of problemen niet met de kraan werken en collega's en leidinggevenden op de hoogte brengen.
Zender uitwendig controleren
- Zijn onderdelen van de zender gebroken of kapot?
- Zijn de toetskappen gescheurd of erg vies?
Inschakelen

- Indien nodig: schakel de gehele kraan in met de netstroomschakelaar.
- De kraan en de ontvanger zijn ingeschakeld.
- De ontvanger wacht op de bijbehorende zender.
- Druk de AAN/stopschakelaar helemaal in en houd deze ingedrukt.
- De zender schakelt in, het display licht op.
- Op het display wordt „Stopcontrole” weergegeven.
- Laat de AAN/stopschakelaar los.
- Bij automatisch zoeken van radiofrequentiekanaal: de zender zoekt automatisch een vrij radiofrequentiekanaal en bezet dat kanaal.
- Als de zender zich binnen de reikwijdte van de ontvanger bevindt, verbindt de ontvanger zich met de zender.
Alleen bij geactiveerde PIN
PIN invoeren
Als de zender of een bepaalde functie is beveiligd met een PIN:
Venster „PIN invoeren”

- Op het display wordt het venster „PIN invoeren” weergegeven.
- Voer de eerder vastgelegde PIN voor de gewenste beveiligde functie in. Zie „Code of PIN invoeren”.
- Druk op ENTER.
- De zender wordt ingeschakeld en de beveiligde functie die bij de ingevoerde PIN past, wordt vrijgegeven.
Er zijn maximaal vier verschillende PIN-niveaus met eigen PIN's:
- Niveau 0: zenderbeveiliging (zender kan alleen met correcte PIN worden ingeschakeld).
- Niveau 1: beveiligde functie „eindschakelaar overbruggen” (de functie „eindschakelaar overbruggen” kan alleen worden geselecteerd als de correcte PIN is ingevoerd).
- Niveau 2: beveiligde lastbegrenzing (de lastbegrenzing is uitgeschakeld als de correcte PIN is ingevoerd).
- Niveau 3: combinatie van PIN-niveau 1 en PIN-niveau 2.
Functieoverzicht en aanwijzingen voor het instellen van PIN en beveiligde functies: zie „PIN voor zenderbeveiliging en speciale functies instellen”.
Zender vrijgeven

- De zender logt automatisch in op de ontvanger waarop hij bij het uitschakelen ook was ingelogd.
- Op het display wordt „Vrijgave” weergegeven.
- Druk de CLAXON-knop in en laat hem los.
- De claxon is op de zender en bij de kraan te horen.
- De kraan is gereed voor gebruik.
Alleen bij indicatielamp voor draadloze afstandsbediening
Zodra de zender is vrijgegeven:

- De rode indicatielamp gaat branden.
Personen in de omgeving weten daardoor dat er een zender op de kraan is ingelogd en dat de kraan op elk moment kan gaan bewegen.
Zender inloggen
In enkele situaties logt de zender niet automatisch weer in op de ontvanger:
- De zender was bij het uitschakelen niet ingelogd.
- De kraan bevindt zich niet binnen de reikwijdte van de zender.
- De kraan is ondertussen uitgeschakeld.
- De kraan is ondertussen opnieuw gestart.
- Er is een andere zender op de kraan ingelogd.
- De zender is eerder handmatig uitgelogd.
- Automatisch inloggen is eerder afgebroken.
Als de zender niet automatisch weer ingelogd wordt:

- Ofwel:
Druk op sneltoets „Inloggen” (gesloten hangslot).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Inloggen” op.
- Als de zender of een functie door een PIN is beveiligd: op het display wordt het venster „PIN invoeren” weergegeven.
- Voer de PIN in. Zie „Code of PIN invoeren”.
- De zender logt in op de ontvanger.

- Op het display wordt „Release” (vrijgave) weergegeven.
- Druk de CLAXON-knop in en laat hem los.
- De claxon is op de zender en bij de kraan te horen.
- De kraan is gereed voor gebruik.
AAN/stopschakelaar controleren
Voor aanvang van de werkzaamheden controleren:
- Druk de knop HIJSEN helemaal in.
- De lasthaak gaat naar boven.
- Druk de AAN/stopschakelaar in.
- Op het display wordt „Stop” weergegeven.
- De lasthaak gaat niet meer verder.
- Druk ENTER in om de melding te bevestigen.
- Als de zender door een PIN is beveiligd: op het display wordt het venster „PIN invoeren” weergegeven.
- Voer de ingestelde PIN voor de gewenste functie in. Zie „Code of PIN invoeren“.
- Druk op ENTER.
- Op het display wordt „Vrijgave” weergegeven.
- Druk de CLAXON-knop in en laat hem los.
- De claxon is op de zender en bij de kraan te horen.
- De kraan is gereed voor gebruik.
Kraan bedienen
Hijsen en neerlaten, verplaatsing loopkat, verplaatsing kraan
Weergave van de richtingKnoppen HIJSEN en NEERLATEN

- Druk de knoppen HIJSEN, NEERLATEN, VERPLAATSING LOOPKAT LINKS, VERPLAATSING LOOPKAT RECHTS, VERPLAATSING KRAAN VOORUIT en VERPLAATSING KRAAN ACHTERUIT half of helemaal in om de kraan te besturen.
- Op het display wordt de richting van kraan, loopkat en lasthaak weergegeven.
Een kraan met twee loopkatten bedienen: zie „Kraan met twee loopkatten bedienen”.
Bij een kraan met één loopkat kan op de zender ook tussen de weergave voor „I” en „II” heen en weer worden geschakeld, maar loopkat I wordt altijd bediend.
Twee kranen in tandembedrijf bedienen: zie „Kranen in tandembedrijf bedienen”.
Claxon
Om andere personen voor gevaren te waarschuwen:

- Druk de CLAXON-knop helemaal in.
- De claxon is op de zender en bij de kraan te horen.
Radiofrequentiekanaal wisselen
Als er storingen optreden (verbinding wordt onderbroken of signaalkwaliteit neemt af):

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Freq.wijz.” (pijl met ruit).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Freq.wijz.” op.
- De zender verbreekt de verbinding met de ontvanger.
- De ontvanger wacht op de bijbehorende zender.
- Op het display verschijnt de melding „Zoekt vrij radiofrequentiekanaal...”.
- De zender scant de 433 MHz- of de 868 MHz-radiofrequentieband en beoordeelt de actuele situatie in zijn omgeving. Op basis hiervan kiest de zender een zo optimaal mogelijk radiofrequentiekanaal voor de verbinding.
- De ontvanger vindt de zender.

- Op het display wordt „Release” (vrijgave) weergegeven.
- Druk de CLAXON-knop in en laat hem los.
- De claxon is op de zender en bij de kraan te horen.
- De kraan is gereed voor gebruik.
Het radiofrequentiekanaal kan alleen worden gewisseld als de zender niet op een vast radiofrequentiekanaal is ingesteld. Zender op een vast radiofrequentiekanaal instellen: zie „Radiofrequentiekanaal instellen”.
Bij een frequentiewisseling beoordeelt de zender de actuele situatie in zijn omgeving. Als de situatie tijdens het bedrijf verandert, wordt het radiofrequentiekanaal niet automatisch gewisseld.
Als er storingen optreden (bijv. verbinding wordt onderbroken of signaalkwaliteit neemt af), moet de frequentiewisseling op de zender worden bediend. De situatie in de omgeving van de zender wordt dan opnieuw beoordeeld.
Als de frequentiewisseling meermaals kort na elkaar wordt bediend:
- De situatie wordt telkens opnieuw beoordeeld en het radiofrequentiekanaal wordt gewisseld zoals hiervoor beschreven.
- Als de situatie sinds de laatste frequentiewisseling niet is veranderd
(bijv. omdat de zender zich nog op dezelfde plek bevindt):
de zender wisselt toch het radiofrequentiekanaal.
Ook als de beoordeling van de situatie in de omgeving hetzelfde resultaat heeft als bij de vorige frequentiewisseling, wordt het gebruikte radiofrequentiekanaal gewisseld. In dit geval wordt het volgende beste radiofrequentiekanaal gebruikt.
Op die manier kan er bewust tussen de vijf als beste beoordeelde radiofrequentiekanalen worden gewisseld.
Radiostoringen voorkomen
Wanneer het door de ABURemote gebruikte radiofrequentiekanaal door andere apparaten wordt verstoord, kan dit tot verbindingsonderbrekingen (bijv. storing 101) leiden.
ABURemote heeft een reikwijdte van ruim 100 meter, afhankelijk van bijvoorbeeld muren en voorwerpen tussen zender en ontvanger. Andere factoren die de reikwijdte kunnen begrenzen zijn bijv. andere apparaten met radiotechniek en omgevingscondities zoals luchtvochtigheid .
Op deze tips letten om radiostoringen te voorkomen:
- Montageplaats van de antenne met magneetvoet van de ontvanger optimaliseren. Zie „Montage aan de kraan plannen”.
- Minimale afstand bij meerdere zenders aanhouden. Zie „Minimale afstand bij meerdere zenders aanhouden”.
- Radiofrequentiekanaal handmatig wisselen. Zie „Radiofrequentiekanaal wisselen”.
- In plaats van het automatisch wisselen van het radiofrequentiekanaal en aanvullend handmatig wisselen van het radiofrequentiekanaal kan een radiofrequentiekanaal vast worden ingesteld. Zie „Radiofrequentiekanaal instellen“.
In dit verband moet een overkoepelend frequentiemanagement voor de volledige hal worden opgesteld.
- Bij meerdere zenders die relatief dicht bij elkaar worden gebruikt, is het nuttig om het zendvermogen van alle zenders te reduceren. Zie „Zendvermogen van zender en ontvanger instellen”.
- Bij meerdere ontvangers die in elkaars directe omgeving worden gebruikt, kan het nuttig zijn het zendvermogen van alle ontvangers te reduceren. Zie „Zendvermogen van zender en ontvanger instellen”.
Minimale afstand bij meerdere zenders aanhouden
Als er meerdere zenders te dicht bij elkaar worden gebruikt, kan het zijn dat er af en toe radiostoringen optreden.
De kwaliteit van de radioverbinding is afhankelijk van vele factoren, bijvoorbeeld het radiofrequentiekanaal, de afstand tot de ontvanger en tot andere zenders, het aantal zenders in de omgeving, andere apparaten met radiotechniek, het ingestelde zendvermogen enz.
Als er storingen optreden (verbinding wordt onderbroken of signaalkwaliteit neemt af):
- Houd enkele meters afstand tot andere zenders.
- Reduceer het zendvermogen van alle zenders in de directe omgeving. Zie „Zendvermogen van zender en ontvanger instellen”.
Door een lager zendvermogen van alle zenders in de omgeving wordt de intensiteit van het totale radioveld gereduceerd, waardoor onderlinge storingen worden verminderd.
Stand-by
Als op de zender een tijdje geen knop wordt ingedrukt, wisselt de zender in de bedrijfsmodus „Stand-by”. Dit gebeurt zowel bij een ingelogde als bij een uitgelogde zender.
Door de bedrijfsmodus „Stand-by” bespaart de zender stroom en zorgt hij voor extra veiligheid als de zender wordt weggelegd of vergeten.
De tijd waarna de zender in de bedrijfsmodus „Stand-by” wisselt, kan worden ingesteld. Zie „Stand-by instellen“.
Zender weer inschakelen:
- Druk de CLAXON-knop in.
- Druk ENTER in om de melding te bevestigen.
- Als de zender door een PIN is beveiligd: op het display wordt het venster „PIN invoeren” weergegeven.
- Voer de ingestelde PIN voor de gewenste functie in. Zie „Code of PIN invoeren“.
- Druk op ENTER.
- Op het display wordt „Vrijgave” weergegeven.
- Druk de CLAXON-knop in en laat hem los.
- De claxon is op de zender en bij de kraan te horen.
- De kraan is gereed voor gebruik.
Zender uitloggen en uitschakelen
Zender uitloggen
- Opdat een andere zender de kraan in tandembedrijf kan overnemen, moet de zender uitgelogd zijn. Het is niet voldoende een ingelogde zender uit te schakelen of te wachten tot hij in de bedrijfsmodus „Stand-by” is gewisseld.

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Uitloggen” (open hangslot).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Uitloggen” op.
- De zender logt zich uit van de kraan en gaat terug naar de bedrijfsmodus „Niet ingelogd”.
- Nu kan een andere zender de kraan in tandembedrijf overnemen.
Zender uitloggen vanuit de ontvanger
De zender kan ook vanuit de ontvanger worden uitgelogd. Dit is vooral nuttig als een zender moet worden uitgelogd, maar niet beschikbaar is (bijv. opgeborgen).
- Schakel de kraan uit via de netstroomschakelaar.
- De gehele kraan inclusief ontvanger wordt uitgeschakeld.
- Wacht minstens 30 seconden.
- De ontvanger verliest de informatie welke zender was ingelogd.
- Als de zender is ingeschakeld: op het display verschijnt melding 101 „Verbinding met ontvanger verbroken” en de zender logt uit.
- Schakel de kraan in met de netstroomschakelaar.
- Nu kan een andere zender op deze kraan inloggen.
Zender uitschakelen
Zender uitschakelen:

- Druk de AAN/stopschakelaar in en houd deze ingedrukt.
- De zender wordt uitgeschakeld.
- De zender verbruikt nu toch wat stroom.
Tip:
- Leg de zender na gebruik in het laadstation.
Daardoor wordt de zender automatisch geladen en is hij gemakkelijk te vinden voor het volgende gebruik.
Bij langere bedrijfspauzes:

- Schroef de sluiting van het batterijvak open
- Verwijder de batterijen.
- Schroef de sluiting van het batterijvak dicht.
Capaciteitsweergave voor batterijen
Bij normaal werk met de draadloze afstandsbediening:
Laadindicatie

- De balkjes aan de rechterkant van het display geven de resterende capaciteit van de batterij aan.
Vier volle balken staan voor een volle batterij, vier lege balken voor een lege batterij.
Als de ingestelde resterende tijd van de batterij voor het alarm is bereikt:

- Op het display verschijnt de melding „Batterij bijna leeg”.
De resterende tijd van de batterij waarbij de melding moet worden getoond, kan worden ingesteld. Zie „Resterende tijd van de batterijen weergeven en alarm instellen”.
- Als een van de knoppen voor verplaatsing kraan, verplaatsing loopkat of hijsen/neerlaten ingedrukt wordt: de claxon is op de zender te horen.
- Druk op ENTER.
- Zet de last neer.
- Vervang de batterijen.
Tip:
- Leg de zender na gebruik in het laadstation.
Daardoor wordt de zender automatisch geladen en is hij gemakkelijk te vinden voor het volgende gebruik.
Zender in het laadstation opladen
Het laadstation is een veilige en vaste opbergplek voor de zender wanneer er niet met de kraan wordt gewerkt.
Stekker van de voeding vervangen
- Vergelijk de gegevens op het typeplaatje met het plaatselijke stroomnet.
- Druk de knop aan de achterzijde van de voeding in.
- Schuif de stekker naar boven en verwijder hem.
- Schuif er een passende stekker op tot deze hoorbaar vastklikt.
Laadstation aansluiten
Micro-USB-aansluiting

- Steek de voeding van micro-USB-aansluiting in het laadstation.
- Steek de voeding in de contactdoos.
- Het laadstation is ingeschakeld.
- De laadindicatie van het laadstation brandt wit.
Zender opladen
MagneethoudersZender

- Plaats de zender op de draagbeugels en leg hem in het laadstation.
De zender hoeft niet uit het beschermingsetui te worden genomen. Hij kan met beschermingsetui in het laadstation worden gelegd en worden opgeladen.
Steek geen elektrisch geleidende voorwerpen tussen de zender en het laadstation!
- De zender wordt magnetisch op het laadstation gehouden.
- De batterijen worden opgeladen.
De batterijen worden telkens als de zender in het laadstation wordt gelegd voor 10 uur opgeladen. De laadstroom is daarbij erg laag, waardoor reeds opgeladen of gedeeltelijk opgeladen batterijen niet beschadigd raken.
- De laadindicatie brandt rood.
De laadindicatie brandt tijdens het opladen rood. Er kunnen geen conclusies worden getrokken over de reeds opgeladen capaciteit.
- De zender wisselt in de bedrijfsmodus „Stand-by”.
- Op het display wordt een geanimeerde laadindicatie weergegeven.
Als de laadindicatie groen brandt:
- De zender is volledig opgeladen.
- Het laadstation schakelt om naar druppellading.
De batterijen in de zender worden daardoor permanent nageladen en blijven vol. De batterijen raken daardoor niet beschadigd en verliezen hun capaciteit niet.
- Indien gewenst: neem de zender uit het laadstation.
Als de laadindicatie wit blijft branden nadat een zender is geplaatst:
Symbool voor compatibiliteit met het laadstation op het display

- Controleer of de zender compatibel is met het laadstation. Dit wordt aangeduid door een symbool naast het batterijvak.
- Controleer of er een andere storing is. Zie „Foutindicaties laadstation”.
Als de laadindicatie rood knippert:
- Er is een storing opgetreden bij het opladen.
Zie „Foutindicaties laadstation”.
Batterijen vervangen
Indien nodig (bijv. als de zender in drieploegendienst permanent wordt gebruikt) kunnen de batterijen worden vervangen in plaats van ze op te laden in het laadstation.

- Schroef de sluiting van het batterijvak open
- Verwijder de batterijen.

- Neem opgeladen batterijen uit het ladingstoestel.
- Controleer de batterijen op beschadiging.
Als de batterijen beschadigd zijn, de batterijen op deskundige wijze afvoeren en door nieuwe batterijen vervangen!
- Schuif batterijen (3x, type AA Mignon) met de pluspool naar boven in het batterijvak.
Gebruik uitsluitend hoogwaardige batterijen met een capaciteit van ten minste 2500 mAh.
Plaats geen oplaadbare batterijen in combinatie met wegwerpbatterijen in het batterijvak. Wegwerpbatterijen kunnen anders leeglopen en de zender beschadigen.
Plaats geen batterijen met verschillende capaciteit in het batterijvak. De batterijen kunnen anders beschadigd raken.
Plaats geen wegwerpbatterijen als de zender op het laadstation moet worden opgeladen. Als wegwerpbatterijen worden opgeladen, worden ze heet en kunnen er giftige stoffen vrijkomen en de zender beschadigen.
- Schroef de sluiting van het batterijvak dicht.
Batterijen apart opladen in het ladingstoestel
Het ladingstoestel kan door wisselbare stekkers aan het plaatselijke stroomnet worden aangepast.
Stekker van het ladingstoestel wisselen
Ladingstoestel

- Vergelijk de gegevens op het typeplaatje met het plaatselijke stroomnet.
- Druk de knop aan de achterkant van het ladingstoestel in.
- Schuif de stekker naar boven en verwijder hem.
- Schuif er een passende stekker op tot deze hoorbaar vastklikt.
Batterijen opladen
Laadvak

- Controleer de batterijen op beschadiging.
Als de batterijen beschadigd zijn, de batterijen op deskundige wijze afvoeren en door nieuwe batterijen vervangen!
- Let op de polariteit en plaats de batterijen in het ladingstoestel.
- Steek de stekker van het ladingstoestel in de contactdoos.
- De laadindicatie van het bijbehorende laadvak knippert langzaam.
- De batterijen worden warm.
Als de laadindicatie rood knippert:
- De batterij is defect of er is een wegwerpbatterij geplaatst.
- Verwijder de batterij en voer deze af.
- Geef batterijen niet mee met het huisvuil. Voer ze af conform de plaatselijke voorschriften.
Na het opladen
Laadindicatie brandt permanent:
- De batterij is volledig opgeladen.
- Het ladingstoestel schakelt om naar druppellading.
De batterijen worden daardoor automatisch nageladen en blijven vol. De batterijen raken daardoor niet beschadigd en verliezen hun capaciteit niet.
- Indien gewenst: neem de batterijen uit het laadvak.
batterijen opslaan
- batterijen op een koele (bij voorkeur onder 25° C), goed geventileerde plaats opslaan, ver van vocht, warmtebronnen en open vuur.
Temperaturen boven 70° C kunnen laden tot leeglopen van de batterijen!
Zender reinigen
- Reinig de zender met een doek met een milde zeepoplossing.
Tarra
Alleen bij kraan met lastindicatie
Tarra
Met „Tarra” kan de lastindicatie van de kraan op nul worden gezet. Daardoor is een verschilmeting mogelijk, bijv. om het gewicht van een hijsjuk niet mee te wegen.
Deze functie kan in het menu of via een sneltoets worden opgeroepen.

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Tarra” (nul met twee pijlen).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Tarra” op.
- Houd de sneltoets of ENTER in het menu ca. 3 seconden ingedrukt.
- De indicatie van de opgehangen last wordt op nul gezet.
Tarra resetten:
- Druk op de sneltoets „Tarra” (nul met twee pijlen) of roep het menupunt „Tarra” opnieuw op.
- De indicatie van de opgehangen last toont weer de oorspronkelijke waarde.
Verlichting van de kraan in- en uitschakelen
Alleen bij verlichting aan de kraan
Met de functie „Verlichting” kan de verlichting van de kraan worden in- en uitgeschakeld.
Deze functie kan in het menu of via een sneltoets worden opgeroepen.

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Verlichting” (gloeilamp).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Verlichting” op.
- De verlichting van de kraan wordt ingeschakeld.
- Druk opnieuw op de sneltoets „Verlichting” of roep in het menu „Kraanbediening” het menupunt „Verlichting” opnieuw op om de verlichting van de kraan weer uit te schakelen.
Slingerdemping gebruiken
Alleen bij ABUControl met slingerdemping
Met de functie „Slingerdemp.” op een kraan met ABUControl wordt de slingerbeweging van de lasthaak bij verplaatsing van de kraan en de loopkat aanzienlijk verminderd. Zie producthandboek „ABUControl”.
Deze functie kan in het menu of via een sneltoets worden opgeroepen.
Slingerdemping inschakelen:
De slingerdemping functioneert in eerste instantie alleen bij een
kraan met een afzonderlijke loopkat of bij een kraan met meerdere
loopkatten in afzonderlijke besturing, wanneer de niet gebruikte loopkat
in parkeerstand staat (lasthaak heeft slagbegrenzer boven
bereikt).
Bij synchroon bedrijf van meerdere loopkatten of in tandembedrijf moet
de slingerdemping apart worden vrijgegeven. Zie produchthandboek
ABUControl.
De slingerdemping is bij een haakverplaatsing kleiner dan 1,5 m inactief. Om de functie te kunnen gebruiken, moet de haakverplaatsing groter dan 1,5 m zijn.

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Slingerdemp. aan” (slinger met pijlen).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Slingerdemp.” op.
ABUControl moet de lengte van het lastopnamemiddel kennen, opdat de slingerdemping correct werkt.
Menu „Slingerdemp.”

- Het venster „Slingerdemp.” wordt weergegeven.
- De laatst ingestelde afstand wordt weergegeven.
- Schat de afstand tussen de lasthaak en het zwaartepunt van de last.
- Stel de afstand in.
De afstand kan in stappen van 0,2 m worden ingesteld.
- Bevestig de waarde met ENTER.
Lasthaaksymbool

- Onder het kraannummer worden een lasthaaksymbool en de ingestelde afstand weergegeven.
Verplaatsing kraan en loopkat met slingerdemping:
- Bedien de kraan zoals gewoonlijk.
Hierbij stappenbedrijf of snel heen en weer schakelen vermijden.
- ABUControl berekent uit de rijsnelheden van kraan en loopkat, uit de haakstand en uit de lengte van het lastopnamemiddel hoe sterk de last normaal gesproken zou slingeren en versnelt en remt de tractiemotoren zodanig dat de slingerbeweging wordt gereduceerd.
- Versnellings- en remwegen veranderen in principe niet.
- Externe invloeden zoals wind, stoten tegen de last of lasthaak of handmatige bewegingen worden niet gecompenseerd.
Opmerking
De slingerdemping voorkomt in actieve toestand slingerdemping. Daarom niet aanvullend handmatig lastslingeren door tegensturen te vermijden. Dit kan de functie nadelig beïnvloeden resp. storen.
Slingerdemping uitschakelen:
Menu „Slingerdemp.”

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Slingerdemp. uit” (twee slingers).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Selecteer in het menupunt „Slingerdemp.” de waarde „uit”.
Bevestig met de knop ENTER.
- De slingerdemping wordt uitgeschakeld.
De slingerdemping wordt automatisch uitgeschakeld wanneer er wordt omgeschakeld tussen meerdere hijswerken (bijv. tussen twee loopkatten op één kraan).
De slingerdemping kan echter weer worden ingeschakeld afhankelijk van de geselecteerde instelling in ABUControl (met gecorrigeerde lengte van het lastopnamemiddel).
Lasthaakcentrering gebruiken
Alleen bij lasthaakcentrering
Met de functie lasthaakcentrering wordt de lasthaak bij bevestigde last tijdens heffen automatisch boven de last uitgelijnd. Hierdoor wordt het verticaal positioneren van de loopkat vereenvoudigt en versneld. Zolang de lasthaakcentrering actief is, kan de last alleen langzaam worden geheven.
De lasthaakcentrering kan overkoepelend in KranOS geactiveerd en gedeactiveerd worden. Zie producthandboek ABUControl.
- Deze functie kan alleen via een sneltoets worden geactiveerd. De functie kan alleen worden gebruikt, als een loopkat geslecteerd is. Als twee loopkatten geselecteerd zijn, is de functie niet meer beschikbaar.
- Het hijswerk van de tweede of derde loopkat moet in de parkeerpositie (slagbegrenzer boven is door lasthaak ingenomen) staan, zodat de loopkat- en kraanverplaatsing via de lasthaakcentrering functioneert.
- Als kraan en/of loopkat zich in het bereik van de uitschakeling vooruit bevinden, is de lasthaakcentrering verder beschikbaar, maar wordt de hefsnelheid aan de langzame snelheid aangepast.
- De lasthaakcentrering is bij een haakverplaatsing kleiner dan 1,5 m inactief. Om de functie te kunnen gebruiken, moet de lasthaakverplaatsing groter dan 1,5 m zijn.
Aanwijzingen over gebruik van de lasthaakcentrering:
- De lasthaakcentrering is een assistentiefunctie. Deze moet de kraanbestuurder ondersteunen en de bediening vereenvoudigen. Dit ontslaat de kraanbestuurder niet van zijn zorgvuldigheidsplicht. De kraan mag uitsluitend door opgeleid personeel worden bediend. De verantwoordelijkheid voor het veilige transport van de last ligt in principe bij de kraanbestuurder.
- De kraanbestuurder moet zich steeds buiten de gevarenzone bevinden.
- Bij de lasthaakcentrering wordt de lasthaak via het bevestigingspunt van de last gecentreerd. Dit hoeft niet per se ook het zwaartepunt van de last te zijn. Een asymmetrische of verkeerd aangeknoopte last wordt door de haakcentrering niet gelijkmatig opgetild.
- Bij een zware lasthaak in combinatie met een lichtere last kan de last tijdens het heffen over de grond schuren als de lasthaakcentrering wordt gebruikt, voordat de lasthaak boven de last is gecentreerd. Daarom mag de last niet minder dan 1/3 van het gewicht van de lasthaak bedragen.
Lasthaakcentrering inschakelen:
- Last aanslaan.
- Als een lang bevestigingsmiddel eerst moet worden aangespannen, moet eerst de knop Heffen worden ingedrukt om het bevestigingsmiddel aan te spannen.

- Sneltoets „Verplaatsingsvrijgave“ (symbool Play en Pause) ingedrukt houden. Daarna de toets Hijsen ingedrukt houden.

- Op het display worden knipperende symbolen voor beide kraanassen weergegeven.
- Der Lasthaken fährt hoch und das Hubwerk zentriert sich in Kranfahrtrichtung und Katzfahrtrichtung senkrecht über dem Anschlagpunkt der Last.
- Vervolgens hijst de lasthaak verder.
Zolang de lasthaakcentrering actief is, kan de last alleen langzaam worden geheven. De langzame hijssnelheid kan in KRanOS worden ingesteld. Zie producthandboek ABUControl.
Lasthaakcentrering beëindigen:
- Sneltoets „Verplaatsingsvrijgave“ (symbool Play en Pause) resp. de toets Hijsen loslaten.
- Na het loslaten van de sneltoets is de lasthaakcentrering gedeactiveerd en wisselt de kraan naar normaal hijsbedrijf.
Fout bij het activeren van de lasthaakcentrering:
Als de toets „Verplaatsingsvrijgave“ werd ingedrukt, de lasthaakcentrering echter niet of begrensd beschikbaar is, omdat bijv. een verplaatsingsas of hijsen geblokkeerd is:
- Op het matrixdisplay met leds wordt de melding „F0048: haakassistent beperkt.3“ weergegeven.
- Bovendien wordt het hijsen geblokkeerd, om te voorkomen dat onbedoeld een last wordt gehesen voordat de loopkat werd gecentreerd.
Lasthaakgeleiding gebruiken
Alleen bij lasthaakgeleiding
Met de functie „Lasthaakgeleiding“ kan de lasthaak handmatig worden verplaatst. In de richting waarom de lasthaak handmatig wordt bewogen, volgen zowel kraan als loopkat. Op deze wijze kan de kraan intuïtief worden verplaats.
- Deze functie kan alleen via een sneltoets worden geactiveerd. De functie kan alleen worden gebruikt, als een loopkat geslecteerd is. Als twee loopkatten geselecteerd zijn, is de functie niet meer beschikbaar.
- Het hijswerk van de tweede of derde loopkat moet in de parkeerpositie (slagbegrenzer boven is door lasthaak ingenomen) staan, zodat de loopkat- en kraanverplaatsing via de haakgeleiding functioneert.
- De haakgeleiding is bij een haakweg kleiner dan 1,5 m inactief. Om de functie te kunnen gebruiken, moet de lasthaakverplaatsing groter dan 1,5 m zijn.
Aanwijzingen over gebruik van de lasthaakgeleiding:
- De lasthaakgeleiding is een assistentiefunctie. Deze moet de kraanbestuurder ondersteunen en de bediening vereenvoudigen. Dit ontslaat de kraanbestuurder niet van zijn zorgvuldigheidsplicht. Dit ontslaat de kraanbestuurder niet van zijn zorgvuldigheidsplicht. De verantwoordelijkheid voor het veilige transport van de last ligt in principe bij de kraanbestuurder.
- De kraanbestuurder moet zich steeds buiten de gevarenzone bevinden.
- De positiesturing mag niet De positiesturing mag niet op hetzelfde moment geactiveerd zijn, omdat de functie Lasthaakgeleiding dan niet beschikbaar is.
Lasthaakgeleiding inschakelen:

- Sneltoets „Verplaatsingsvrijgave“ (symbool Play en Pause) ingedrukt houden.
of
Sneltoets „Vrije verplaatsing“ (symbool Play en Pause) ingedrukt houden en een willekeurig rijopdracht (kraan vooruit, kraan achteruit, loopkat naar links, loopkat naar rechts) ingedrukt houden.
De sneltoets kan met ingedrukte verplaatingsopdracht worden losgelaten.

- Op het display worden knipperende symbolen voor beide kraanassen weergegeven.
- De haakgeleiding is actief.
- Lege lasthaak handmatig doorbuigen.
- Kraan en loopkat volgen de beweging van de doorbuiging met dezelfde snelheid.
Lasthaakgeleiding beëindigen:
- Sneltoets „Verplaatsingsvrijgave“ (symbool Play en Pause) rest de toets voor verplaatsingsopdracht loslaten.
- Kraan en loopkat remmen af.
De lasthaakgeleiding kan worden gebruikt zolang de sneltoets „Verplaatsingsvrijgave“ (symbool Play en Pause) resp. de toets voor de verplaatsingsopdracht wordt ingedrukt.
Als lasthaak sterk heen en weer beweegt:
- De lasthaakgeleiding wordt automatisch na twee slingeringen van de lege lasthaak beëindigd. Dit voorkomt omhoog slingeren.
- Kraan- en loopkatverplaatsing en Hijsen worden gestopt.
Fout bij het activeren van de lasthaakgeleiding:
Als de toets „Verplaatsingsvrijgave“ werd ingedrukt, de lasthaakgeleiding echter niet of begrensd beschikbaar is:
- Op het matrixdisplay met leds wordt de melding „F0048: haakassistent beperkt.3“ weergegeven.
Teach-in bij elektronische eindschakelaar hijsen uitvoeren
Alleen bij kettingtakel met elektronische eindschakelaar hijsen
Met de functie „Teach-in” kan bij een kettingtakel met elektronische eindschakelaar hijsen het schakelpunt van de eindschakelaar hijsen worden ingesteld. Zie producthandboek „eindschakelaar hijsen”.
Deze functie kan in het menu of via een sneltoets worden opgeroepen.

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Teach-in” (T met pijl) en houd deze ingedrukt tot de positie is opgeslagen.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Teach-in” op, druk op de knop ENTER en houd deze ingedrukt tot de positie is opgeslagen.
- De actuele positie van de lasthaak wordt opgeslagen.
Eindschakelaar van een omleidingbesturing overbruggen
Alleen bij eindschakelaar overbruggen
Met de functie „Eindschakelaar” kan de eindschakelaar loopwerk van een omleidingbesturing (bijv. bij hoge machines waarover de kraan normaal gesproken niet mag rijden) worden overbrugd. Dan kan de kraan met lage rijsnelheid in de afgesloten zone rijden (bijv. om de machine in te stellen).
Deze functie kan alleen via een sneltoets worden opgeroepen.
Alleen bij beveiligde functie „Eindschakelaar overbruggen”
De functie „Eindschakelaar overbruggen“ is door een PIN beveiligd.
Beveiligde functie ontgrendelen en vergrendelen
Beveiligde functie ontgrendelen:
- Bij het inschakelen of inloggen van de zender de juiste PIN voor PIN-niveau 1 of PIN-niveau 3 invoeren. Zie „PIN invoeren”.
- De beveiligde functie wordt ontgrendeld.
- De sneltoets heeft een zwarte achtergrond. De beveiligde functie „Eindschakelaar overbruggen” kan nu worden gebruikt.
Beveiligde functie vergrendelen:
|
|---|
Eindschakelaar overbruggen

- Rijd de kraan tot de geblokkeerde zone.
- De kraan blijft staan.
- Druk op de sneltoets „Eindschak.” (gearceerde muur met pijl) en houd deze ingedrukt.
- Rijd de kraan met ingedrukte sneltoets „Eindschak.” in de geblokkeerde zone.
Positioneerhulp: posities innemen
Alleen bij positioneerHULP
Met de positioneerhulp kunnen kraan en loopkat op vastgelegde posities binnen het verplaatsingsbereik stil blijven staan.
Deze functie kan alleen via een sneltoets worden opgeroepen.

- Rijd de kraan of loopkat tot kort voor de gewenste positie.
- Druk op de sneltoets „Positioneren” (verticale lijn met pijlen) en houd deze ingedrukt.
- Kraan of loopkat rijdt nu slechts nog met lage rijsnelheid.
- Rijd de kraan met ingedrukte sneltoets „Positioneren” verder.
- Zodra de positie bereikt is, blijft de kraan of loopkat stilstaan.
- De indicatielamp „Positie bereikt” gaat branden.
Positiebesturing bij ABUControl: afzonderlijke punten in acht nemen
Alleen bij positiebesturing bij ABUControl
Met de functie „Teach-In afzonderlijke punten“ kunnen afzonderlijke punten zowel voor de „handmatige positiesturing“ als voor de „halfautomatisch lineaire positiesturing“ (LIN) worden geprogrammeerd. In totaal kunnen maximaal 127 afzonderlijke punten worden geprogrammeerd.
Deze afzonderlijke punten kunnen later met de handmatige of „halfautomatische lineaire positiebesturing“ (LIN) direct worden ingenomen. De twee varianten verschillen qua manier waarop de kraan naar de opgeslagen positie beweegt. Zie „Positioneerhulp: posities innemen“ of „Positiebesturing bij ABUControl: singlepoints en routepunt innemen“.
De afzonderlijke punten en de hoogte tot welke de lasthaak bij het innemen van de afzonderlijke punten wordt bewogen, kunnen vervolgens in KranOS worden aangepast. Zie „Producthandboek ABUControl“.
Singlepoints teachen
Teach-In singlepointsSinglepoint

- Gewenste positie (singlepoint) innemen.
- „Positioneren“ via sneltoets (vlag) oproepen.
- Het menu „Positioneren“ verschijnt.
- In het menu „Positioneren“ „aan“ selecteren, de Teach-modus „singlepoint“ (rechte pijl met T) en het singlepoint selecteren.
Opmerking: via het menu „Positioneren“ kunnen zowel de modi voor het innemen van de posities (hand resp. vlag) alsook de functie voor de Teach‑In van de singlepoints (symbool met T) worden geselecteerd.
- Met toets ENTER bevestigen.
- De Teach-modus is nu actief.
- Op het display wordt de normale bedrijfsmodus weergegeven.
Weergave Teach-In singlepoints

- Sneltoets Teach-In indrukken en 5 s ingedrukt houden.
- De claxon klinkt.
- De positie is nu opgeslagen.
- De positioneermodus Teach-In via de sneltoets (hangende vlag) beëindigen.
- Procedure herhalen, om verdere singlepoints te programmeren.
Hierbij een ander singlepoint selecteren om daar een nieuwe positie te programmeren.
Als een singlepoint wordt geselecteerd waar al een positie werd geprogrammeerd, wordt deze al opgeslagen positie overschreven.
Na het teachen van een singlepoint moet de positioneermodus Teach-In altijd via de sneltoets (hangende vlag) worden beëindigd.
Positiebesturing bij ABUControl: routes programmeren
Alleen bij positiebesturing bij ABUControl
Met de functie „Teach-In PTP“ kunnen tot 16 routes met steeds 8 routepunten voor de „punt-tot-punt positiebesturing“ (PTP) worden geprogrammeerd.
De routenpunten kunnen later met de „punt-tot-punt positiebesturing“ achtereenvolgens worden ingenomen in de volgorde waarin ze werden opgeslagen.
Route teachen
De positioneermodus PTP kan altijd alleen worden gestart, als kraan en loopkat zich op het eerste of laatste routepunt bevinden. De positie van de haak doet er daarbij niet toe. Daarom is het handig om het eerste of laatste routepunt ook als singlepoint in te voeren, zodat daar later rechtstreeks naartoe kan worden genavigeerd. Van daaruit kan dan ongecompliceerd de positioneermodus PTP worden gestart.
- Eerste of laatste routepunten als singlepoint innemen en teachen. Zie „Positiebesturing bij ABUControl: afzonderlijke punten in acht nemen“.
- De lasthaak staat op de eerste of laatste routepunten van de daarna op te slagen route.
Teach-In PTPRoute

- „Positioneren“ via de sneltoets (vlag) oproepen.
- Het menu „Positioneren“ verschijnt.
- In het menu „Positioneren“ „aan“ selecteren, de Teach-Modus „PTP“ (gebogen pijl met T) en de route selecteren.
Opmerking: via het menu „Positioneren“ kunnen zowel de modi voor het innemen van de routepunten (hand resp. vlag) alsook de functie voor de Teach‑In van de routepunten (symbool met T) worden geselecteerd.
- Met toets ENTER bevestigen.
- De Teach-modus is nu actief.
- Op het display wordt de normale bedrijfsmodus weergegeven.
Weergave Teach-In PTP

- Sneltoets „Teach-In“ indrukken en 5 s ingedrukt houden.
- De claxon klinkt.
- Het eerste routepunt is nu opgeslagen.
- De volgende routepunten innemen en met de sneltoets „Teach-In“ (5 s ingedrukt houden) opslaan.
Het laatst opgeslagen routepunt is het laatste punt van de route.
Op het display wordt het nummer van de actuele route weergegeven, maar de afzonderlijke routepunten worden niet weergegeven.
- Teach Modus PTP via de sneltoets „Positioneren“ (hangende vlag) beëindigen.
- Procedure herhalen, om verdere routes te programmeren.
Hierbij een andere route selecteren om een nieuwe route te programmeren.
Als een route wordt geselecteerd waarop al routepunten werden geprogrammeerd, wordt de al opgeslagen route volledig overschreven zodra het eerste nieuwe routepunt werd geprogrammeerd.
Na het teachen van een route moet de positioneermodus Teach-In altijd via de sneltoets (hangende vlag) worden beëindigd.
Positiebesturing bij ABUControl: singlepoints en routepunt innemen
Bij de positiebesturing van ABUControl zijn er die positioneermodi:
- Bij de „Handmatige positiebesturing“ wordt een opgeslagen singlepoint geselecteer. De verplaatsingsopdrachten richting singlepoint moeten dan handmatig worden gegeven (zoals bij normaal bedienen van de kraan). De desbetreffende kraanas stopt zodra de positie in kraanverplaatsrichting resp. loopkatverplaatsrichting en in hijsen/neerlaten bereikt is. Over het punt heen bewegen is niet mogelijk.
- Bij de „halfautomatische lineaire positiebesturing (LIN)“ beweegt de kraan door bedienen van de toets „Hijsen“ halfautomatisch in alle kraanassen naar het opgeslagen singlepoint.
- Bij de „punt-tot-punt positiebesturing (PTP)“ kunnen tot 16 routes met maximaal 8 routepunten worden geprogrammeerd. De kraan beweegt dan halfautomatisch langs de route. Om de positiebesturing te kunnen starten, moet de kraan zich op het eerste of laatste routepunt bevinden. De positie van de haak doet er daarbij niet toe. Vanuit het eerste routepunt beweegt de kraan langs de opgeslagen routepunten, achtereenvolgens, in oplopende volgorde. Vanuit het laatste routepunt beweegt de kraan langs de opgeslagen routepunten in aflopende volgorde (dus achteruit).
Opmerkingen over het gebruik van de positiebesturing:
- De lasthaakgeleiding is een assistentiefunctie. Deze moet de kraanbestuurder ondersteunen en de bediening vereenvoudigen. Dit ontslaat de kraanbestuurder niet van zijn zorgvuldigheidsplicht. De kraaanbediening mag alleen door geschoold personeel worden uitgevoerd. De verantwoordelijkheid voor het veilige transport van de last ligt in principe bij de kraanbestuurder.
- Voor en tijdens gebruik van de positiebesturing moet ervoor worden gezorgd dat de route ongehinderd kan worden gevolgd.
- De slingerdemping van ABUControl kan parallel met de positiebesturing worden gebruikt. De slingerdemping moet voor het starten van de positiebesturing worden geactiveerd.
Bij geactiveerde positiebesturing PTP en bij de Teach–In van de route van de positiebesturing PTP kan de toestand van de slingerdemping niet worden gewijzigd. De toegang tot de functie Slingerdemping is in deze modi geblokkeerd (sneltoetsen en menu).
- Bij geactiveerde positiebesturing PTP of bij de Teach-In van de route van de positiebesturing PTP voert een omschakeling single/synchroon tot een fout en kan de procedure niet correct worden afgesloten.
- Super-fijnslag kan met geactiveerde positioneermodus PTP en Teach-In PTP niet geactiveerd of gedeactiveerd worden
- Hindernissen die in de halprofielbesturing van ABUControl zijn opgeslagen, worden bij actieve positiebesturing in acht genomen en eventueel omzeild, als de omzeiling door het stoppen van een afzonderlijke as mogelijk is.
- Als bij de positiebesturing meerdere hijswerken geselecteerd zijn, wordt gepositioneerd voor het hijswerk met het laagste nummer. Alle andere hijswerken bewegen synchroon mee. Bij een kraan in tandembedrijf heeft de positionering altijd betrekking op de leidende kraan.
- De „punt-tot-punt positiebesturing“ (PTP) is geen baan- of routebesturing in de zin van automatiseringstechniek (bijv. CNC-machines). De weg tussen de routepunten worden dan niet bewaakt.
- Nadat een route is geprogrammeerd, moet deze in elk geval getest worden om te garanderen dat de kraan de route zoals verwacht aflegt.
Positioneermodus selecteren

- Ofwel:
Sneltoets „Positioneren“ (vlag) indrukken.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Menupunt „Positioneren“ oproepen.
- Het menupunt „Positioneren“ wordt weergegeven.
Positioneermodus

- In het menupunt „Positioneren” de waarde „aan” selecteren.
- Positioneermodus selecteren:
- „Handmatige positiebesturing“: Hand
- „Halfautomatische lineaire positiebesturing (LIN)“: rechte pijl met vlag
- "Punt-tot-punt positiebesturing (PTP)“: gebogen pijl met vlag
Opmerking: via het menu „Positioneren“ kunnen zowel de modi voor het innemen van de singlepoints (hand resp. vlag) alsook de functie voor de Teach‑In van de singlepoints (symbool met T) worden geselecteerd. Zie „Positiebesturing bij ABUControl: afzonderlijke punten in acht nemen“ of „Positiebesturing bij ABUControl: routes programmeren“.
- Nummer van het singlepoint resp. de route selecteren die moet worden ingenomen resp. afgelegd.
- Met de toets ENTER bevestigen.
- De positioneermodus is nu geselecteerd en geactiveerd.
- Alleen bij LIN en PTP: op het display knipperen de symbolen voor de drie kraanassen.
- Op de led-matrixweergave op de kraan wordt de melding „F0037: Positioneren actief“ weergegeven.
- Alleen bij de indicatielamp: de indicatielamp „Positioneren“ knippert of brandt.
Positie via claxon-toets selecteren
Alleen bij handmatige of halfautomatisch lineaire positiebesturing (LIN)
Bij geactiveerde positiebesturing (handmatige of halfautomatisch lineair (LIN)) kan de actueel geselecteerde positie bij het positioneren worden gewijzigd zonder de positiebesturing te moeten beëindigen.
Bij half ingedrukte claxon-toets kan via de toetsen Hijsen en Neerlaten het positienummmer worden gewijzigd.
Om de gewijzigde positie tijdens actief positioneren te kunnen gebruiken, mag de positiebesturing nog niet door het bereiken van de eerdere doelpositie aangesloten zijn.
In dit geval moet het positioneren opnieuw worden geactiveerd.

- Positioneermodus handmatig of halfautomatisch lineair (LIN) selecteren. Zie „Positioneermodus selecteren“.
- Claxon-toets half indrukken en vasthouden.
- Knop VERPLAATSING KRAAN indrukken om het nummer van de gewenste positie te selecteren:
- Claxon-toets loslaten.
- Het positioneren kan met gewijzigde positie worden voortgezet.
Positie innemen
Alleen bij de handmatige positiebesturing
Bei der manuellen Positioniersteuerung fahren die einzelnen Kranachsen bis zum eingespeicherten Einzelpunkt und bleiben dort stehen. Die Kranachsen müssen jedoch manuell betätigt werden.
Weergave handmatig positioneren

- Kraan en loopkat met de toetsen voor kraan- of loopkatverplaatsing richting het opgeslagen singlepoint bewegen.
- Zodra kraan en/of loopkat het opgeslagen singlepoint hebben bereikt, blijft de desbetreffende kraanas staan.
- Hijsen of neerlaten indrukken en ingedrukt houden.
- Zodra de lasthaak het opgeslagen singlepoint heeft bereikt, blijft deze staan.
- De „Handmatige positiebesturing“ is verder actief.
- Op het matrixdisplay met leds op de kraan wordt de melding „F0038: Positioneren: positie bereikt“ weergegeven.
- Alleen bij de indicatielamp: de indicatielamp „Positioneren“ gaat uit.
Opmerking
De handmatige positiebesturing pas vlak bij het opgeslagen singlepoint activeren omdat eventueel hindernissen tussen de lasthaak en het opgeslagen singlepoint met geactiveerde positiebesturing niet kunnen worden omzeild.
Alleen bij halfautomatische lineaire positiebesturing (LIN)
Bij de „Halfautomatische lineaire positiebesturing (LIN)“ beweegt de
kraan halfautomatisch naar het opgeslagen singlepoint in alle
kraanassen. Hiervoor moet de toets „Hijsen“ op de zender ingedrukt
worden gehouden.
De opgeslagen singlepoints kunnen in KranOS worden bekeken en
bewerkt.
Zie producthandboek „ABUControl”.
Positioneren starten:
Weergave positioneren LIN

- Toets Hijsen indrukken en ingedrukt houden, en gelijktijdig de claxon kort bedienen.
Door de claxon wordt de vrijgave toegewezen, zodat de kraan bij geactiveerde positiebesturing niet direct door het indrukken van de toets Hijsen de positiebesturing start en onverwacht in alle kraanassen beweegt. Dit is om te voorkomen dat de positiebesturing onbedoeld kan worden gestart.
- De kraan hijst tot de hoogste kraakstand of tot de in KranOS vastgelegd positioneerhoogte.
- Daarna bewegen kraan en loopkat via een directe weg naar het geprogrammeerde singlepoint.
- Zodra kraan en/of loopkat het opgeslagen singlepoint hebben bereikt, blijven ze staan.
- Op de opgeslagen positie van kraan en loopkat wordt de lasthaak direct naar de doelpositie neergelaten.
- Zodra de lasthaak het opgeslagen singlepoint heeft bereikt, blijft deze staan.
- De „Halfautomatisch lineaire positiebesturing (LIN)“ is verder actief.
- Op het matrixdisplay met leds op de kraan wordt de melding „F0038: Positioneren: positie bereikt“ weergegeven.
- Alleen bij de indicatielamp: de indicatielamp „Positioneren“ gaat uit.
Hijsen op gewenste positie stoppen:
Als de lasthaak bij het innemen van het singlepoint niet tot de hoogste haakstand hijsen, maar op een andere positie blijven staan voordat naar het doel wordt bewogen.
- Tijdens het hijsen (zoals eerder beschreven): toets katloop links of recht indrukken.
- De kraanhaak remt af.
- De positionering wordt bij de actuele haakstand voortgezet (zoals eerder beschreven).
Rijsnelheid verhogen of afremmen:
Om bij het innemen van de positie de rijsnelheid te verhogen of af te remmen:
- Versnellen: toets „Hijsen“ in het tweede niveau drukken.
- Afremmen: toets „Hijsen“ loslaten.
- Voor het handhaven van de actuele snelheid: toets „Hijsen“ in het eerste niveau ingedrukt houden.
Alleen bij „punt-tot-punt“ positiebesturing (PTP)
Bij de positiebesturing PTP legt de kraan een opgeslagen route halfautomatisch af. Hiervoor moet de toets „Hijsen“ op de zender ingedrukt worden gehouden.
De positiebesturing PTP wordt vanuit het eerste of laatste routepunt gestart. Om precies deze route af te kunnen leggen, is het raadzaam om het eerste of laatste routepunt als singlepoint te programmeren en dan in te nemen.
Zie „Positiebesturing bij ABUControl: afzonderlijke punten in acht nemen”.
Positioneren starten:
Weergave positioneren PTP

- Toets „Hijsen“ indrukken en ingedrukt houden, en gelijktijdig de claxon kort bedienen.
Door de claxon wordt de vrijgave toegewezen, zodat de kraan bij geactiveerde positiebesturing niet direct door het indrukken van de toets Hijsen de positiebesturing start en onverwacht in alle kraanassen beweegt. Dit is om te voorkomen dat de positiebesturing onbedoeld kan worden gestart.
- Als het volgende geprogrammeerde routeput boven de actuele haakstand ligt: de kraan hijst tot de geprogrammeerde positie.
- Daarna bewegen kraan en loopkat via een directe weg naar het geprogrammeerde routepunt.
- Zodra kraan en/of loopkat het opgeslagen routepunt hebben bereikt, blijven ze staan.
- Als het volgende geprogrammeerde routepunt onder de actuele haakstand ligt: de kraan start eerst en beweegt bij het volgende geprogrammeerde routepunt omlaag.
- Zodra de lasthaak het opgeslagen routepunt heeft bereikt, blijft deze staan.
- De „Positiebesturing PTP“ is verder actief.
- Op het matrixdisplay met leds op de kraan wordt de melding „F0038: Positioneren: positie bereikt“ weergegeven.
- Alleen bij de indicatielamp: de indicatielamp „Positioneren“ gaat uit.
Positioneren uitschakelen
De positiebesturing moet na het bereiken van de positie resp. route handmatig via de sneltoets „Positioneren“ (hangende vlag) of via het menu worden beëindigd, omdat de positiebesturing actief is tot deze wordt gedeactiveerd.
Waarde „uit“

- Ofwel:
Sneltoets „Positioneren“ (hangende vlag) indrukken.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Menupunt „Positioneren“ oproepen,
In het menupunt „Positioneren” de waarde „uit” selecteren,
Met de toets ENTER bevestigen.
- De positiebesturing is uitgeschakeld. De kraan kan zoals gebruikelijk handmatig worden bediend.
Super-kruipsnelheid in- en uitschakelen
Alleen bij hijsen met super-kruipsnelheid
Met de functie „Sup.kruipsnh” kan de super-kruipsnelheid van het hijswerk worden in- en uitgeschakeld. In de super-kruipsnelheid wordt de 12-polige wikkeling van de poolomschakelbare hijsmotor gebruikt. Daardoor is de maximale hijssnelheid zeer laag, waardoor de last uiterst nauwkeurig kan worden gepositioneerd.
Deze functie kan in het menu of via een sneltoets worden opgeroepen.
Super-kruipsnelheid inschakelen:
Menu „Sup.kruipsnh”

- Laat alle knoppen los en wacht tot de kraan stilstaat.
- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Sup.kruipsnh aan” (liniaal met kleine schaalverdeling).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Selecteer in het menupunt „Sup.kruipsnh” de waarde „aan”.
Bevestig met de knop ENTER.
- De super-kruipsnelheid wordt ingeschakeld. Het hijswerk kan nu in de super-kruipsnelheid worden gebruikt.
Super-kruipsnelheid uitschakelen:
Menu „Sup.kruipsnh”

- Laat alle knoppen los en wacht tot de kraan stilstaat.
- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Sup.kruipsnh uit” (liniaal met grote schaalverdeling).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Selecteer in het menupunt „Sup.kruipsnh” de waarde „uit”.
Bevestig met de knop ENTER.
- De super-kruipsnelheid wordt uitgeschakeld. Het hijswerk kan nu in normaal hijsbedrijf worden gebruikt.
Bij twee loopkatten aan een kraan: de super-kruipsnelheid wordt altijd in- en uitgeschakeld voor de loopkat of loopkatten die met de zender worden bestuurd.
Lastbegrenzing in- en uitschakelen
Alleen bij beveiligde lastbegrenzing
De kraan heeft een lastbegrenzing. Daardoor kan met de kraan alleen met maximaal draagvermogen worden gehesen als de lastbegrenzing wordt uitgeschakeld. Anders (bij ingeschakelde lastbegrenzing) kan slechts met gereduceerd maximaal draagvermogen worden gewerkt.
De lastbegrenzing is beveiligd door een PIN.
Kraan met ingeschakelde lastbegrenzing bedienen:
- Bij het inschakelen of inloggen van de zender de juiste PIN voor PIN-niveau 0 of PIN-niveau 1 invoeren. Zie „PIN invoeren”.
- De lastbegrenzing wordt ingeschakeld. De kraan kan nu alleen met een gereduceerd maximaal draagvermogen hijsen.
Symbool „Lastbegrenzing is ingeschakeld”

- Op het display wordt een symbool (gewicht met gesloten hangslot) voor de ingeschakelde lastbegrenzing weergegeven.
Lastbegrenzing uitschakelen:
Bij het inschakelen of inloggen van de zender de juiste PIN voor PIN-niveau 2 of PIN-niveau 3 invoeren. Zie „PIN invoeren”.
- De lastbegrenzing wordt uitgeschakeld. De kraan kan nu met maximaal draagvermogen hijsen.
Symbool „Lastbegrenzing is uitgeschakeld”

- Op het display wordt een symbool (gewicht met open hangslot) voor de uitgeschakelde lastbegrenzing weergegeven.
Lastbegrenzing inschakelen:
- Log of schakel de zender uit of druk op de knop „Stop”.
Als de zender niet wordt uitgelogd of uitgeschakeld, wordt de lastbegrenzing automatisch na afloop van de stand-bytijd ingeschakeld.
- De lastbegrenzing wordt ingeschakeld. De kraan kan nu alleen met een gereduceerd maximaal draagvermogen hijsen.
Symbool „Lastbegrenzing is ingeschakeld”

- Bij het volgende gebruik van de zender zonder invoer van een correcte PIN voor PIN-niveau 2 of 3: op het display wordt een symbool (gewicht met gesloten hangslot) voor de ingeschakelde lastbegrenzing weergegeven.
Extra functies van de kraan met sneltoetsen bedienen
Alleen bij kranen met extra functies via sneltoetsen
Individuele extra functies van de kraan kunnen worden opgeroepen via sneltoetsen of in het menu.

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Optie 1” t/m „Optie 6” (O1 t/m O6).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Optie 1” t/m „Optie 6” op.
- De extra functie wordt geactiveerd.
Kraan met twee loopkatten bedienen
Alleen bij twee loopkatten
Omschakelen tussen loopkat I en loopkat II
Bij twee loopkatten aan een kraan kan tussen loopkat I en loopkat II heen en weer worden geschakeld.
Na het inschakelen van de kraan is de loopkat geselecteerd die ook bij het uitschakelen geselecteerd was.
Bij een kraan met één loopkat kan op de zender ook tussen de weergave voor „I” en „II” heen en weer worden geschakeld, maar loopkat I wordt altijd bediend.

- Ofwel:
Druk de CLAXON-knop half in en houd deze ingedrukt.
Druk de knop VERPLAATSING LOOPKAT RECHTS in om loopkat II te selecteren of druk de knop VERPLAATSING LOOPKAT LINKS in om loopkat I te selecteren.
Laat de CLAXON-knop los.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Selecteer de gewenste loopkat in het menupunt „Loopkatkeuze”.
Bevestig met de knop ENTER.
Geselecteerde loopkat

- Op het display wordt de geselecteerde loopkat weergegeven.
- Op het display wordt de last van de geselecteerde loopkat weergegeven.
- Druk de knoppen in om de geselecteerde loopkat te bedienen.
Alleen bij synchroon bedrijf
Omschakelen naar synchroon bedrijf
Bij een kraan met synchroon bedrijf kan naast het heen en weer schakelen tussen loopkat I en loopkat II worden omgeschakeld naar synchroon bedrijf.

- Ofwel:
Druk de CLAXON-knop half in en houd deze ingedrukt.
Druk de knoppen VERPLAATSING LOOPKAT LINKS en VERPLAATSING LOOPKAT RECHTS tegelijkertijd in om beide loopkatten voor het synchrone bedrijf te selecteren.
Laat de CLAXON-knop los.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Selecteer in het menupunt „Loopkatkeuze” de waarde „I+II”.
Bevestig met de knop ENTER.
Loopkat I+II

- Op het display wordt loopkat I+II weergegeven.
- Op het display wordt de totale belasting van loopkat I en II weergegeven.
- Druk de knoppen in om loopkat I en II tegelijkertijd te bedienen.
Kranen in tandembedrijf bedienen
Met ABURemote kunnen twee kranen in tandembedrijf zowel synchroon worden bestuurd alsook in afzonderlijk bedrijf, om bijvoorbeeld de last aan de ene kraan te hangen terwijl de andere kraan geblokkeerd is, zodat deze niet per ongeluk door een andere kraanbestuurder wordt gebruikt.
Bij kranen met twee loopkatten in tandembedrijf: alle functies in samenhang met twee loopkatten functioneren zoals eerder beschreven. Zie „Kraan met twee loopkatten bedienen”.
Alleen bij tandembedrijf
Tandembedrijf inschakelen
Opdat kranen in tandembedrijf kunnen worden bediend:
- De zender moet op de kraan ingelogd zijn. Zie „Voorafgaand aan de werkzaamheden controleren, inschakelen en vrijgeven”.
- Op de tweede kraan die voor het tandembedrijf moet worden overgenomen mag geen zender ingelogd zijn. Zie „Zender uitloggen en uitschakelen“.
Op de tweede kraan inloggen
Eerst moet de zender op de tweede kraan worden ingelogd.

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Tandem login”.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Tandem login” op.
- Als de zender zich binnen de reikwijdte van de tweede ontvanger bevindt, vindt de tweede ontvanger de zender.
- De zender logt zich op de tweede ontvanger in.
VrijgaveKraannummers van beide kranen

- Op het display worden de kraannummers van beide kranen weergegeven.
- Op het display wordt „Vrijgave” weergegeven.
- Druk de CLAXON-knop in en laat hem los.
- De claxon is op de zender en bij de kraan te horen.
- De kraan is gereed voor gebruik.
Kranen synchroon bedienen en last weergeven
Na de tandem-login zijn automatisch beide kranen voor het tandembedrijf geselecteerd.
De eerste en de tweede kraan synchroon bedienen:
Eerste kraanTweede kraan

- Op het display worden de kraannummers van de eerste en de tweede kraan onder elkaar met een zwarte achtergrond weergegeven.
- Op het display wordt de totale belasting van de eerste kraan en de tweede kraan weergegeven.
- Druk de knoppen in om de eerste kraan en de tweede kraan synchroon te bedienen.
Omschakelen tussen eerste en tweede kraan in afzonderlijk bedrijf en last weergeven
Bij ingeschakeld tandembedrijf kan tussen de twee kranen in afzonderlijk bedrijf heen en weer worden geschakeld om bijv. een last te bevestigen.
Omschakelen naar afzonderlijk bedrijf voor de eerste kraan:

- Ofwel:
Druk de CLAXON-knop half in en houd deze ingedrukt.
Druk de knop VERPLAATSING KRAAN VOORUIT in om de eerste kraan te selecteren.
Laat de CLAXON-knop los.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Selecteer het kraannummer van de eerste kraan in het menupunt „Kraankeuze”.
Bevestig met de knop ENTER.
Eerste kraan

- Op het display wordt het kraannummer van de eerste kraan met een zwarte achtergrond weergegeven.
- Op het display wordt de last van de eerste kraan weergegeven.
- Druk de knoppen in om alleen de eerste kraan te bedienen.
Omschakelen naar afzonderlijk bedrijf voor de tweede kraan:

- Ofwel:
Druk de CLAXON-knop half in en houd deze ingedrukt.
Druk de knop VERPLAATSING KRAAN ACHTERUIT in om de tweede kraan te selecteren.
Laat de CLAXON-knop los.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Selecteer het kraannummer van de tweede kraan in het menupunt „Kraankeuze”.
Bevestig met de knop ENTER.
Tweede kraan

- Op het display wordt het kraannummer van de tweede kraan met een zwarte achtergrond weergegeven.
- Op het display wordt de last van de tweede kraan weergegeven.
- Druk de knoppen in om alleen de tweede kraan te bedienen.
Terugschakelen naar tandembedrijf
De eerste en de tweede kraan weer synchroon bedienen:

- Ofwel:
Druk de CLAXON-knop half in en houd deze ingedrukt.
Druk de knoppen VERPLAATSING KRAAN VOORUIT en VERPLAATSING KRAAN ACHTERUIT tegelijkertijd in om beide kranen weer te selecteren.
Laat de CLAXON-knop los.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
In het menupunt „Kraankeuze“ de gemeenschappelijke kraannummers van beide kranen selecteren, dan met de toets ENTER bevestigen.
Beide kranen

- Op het display worden de kraannummers van de eerste en de tweede kraan onder elkaar met een zwarte achtergrond weergegeven.
- Op het display wordt de totale belasting van de eerste kraan en de tweede kraan weergegeven.
- Druk de knoppen in om de eerste kraan en de tweede kraan synchroon te bedienen.
Van de tweede kraan uitloggen
Om het tandembedrijf te beëindigen moet de zender van de tweede kraan worden uitgelogd. Dan kan de tweede kraan ook weer door een andere zender worden gebruikt.

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Tandem logout”.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Tandem logout” op.
- De zender logt zich van de tweede ontvanger uit.
- Op het display wordt „Vrijgave” weergegeven.
- Druk de CLAXON-knop in en laat hem los.
- De claxon is op de zender en bij de kraan te horen.
- De kraan is gereed voor gebruik.
Van beide kranen uitloggen

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Uitloggen”.
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Uitloggen” op.
- De zender logt zich van de tweede ontvanger uit.
- De zender logt zich van de eerste ontvanger uit.
- De zender wisselt in de bedrijfsmodus „Niet ingelogd”.
Onderhoud
Dit geldt voor iedereen die de kraan onderhoudt, repareert of ombouwt.
De exploitant van de kraan is verantwoordelijk voor de keuze en de juiste kwalificatie van het onderhoudspersoneel.
Voorbeelden van bevoegde personen:
- Personen met uitgebreide kennis dankzij een vaktechnische opleiding in de machinebouw en in de elektrotechniek van kranen.
- Personen met voldoende ervaring op het gebied van gebruik, montage en onderhoud van kranen.
- Personen met uitgebreide kennis op het gebied van de desbetreffende regels van de techniek, richtlijnen en veiligheidsvoorschriften die gelden in het betreffende land.
- Personen met regelmatige scholing door ABUS.
ABUS aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade door niet vakkundig en door niet gekwalificeerde personen uitgevoerd onderhoud.
ABUS adviseert het onderhoud door de ABUS-service te laten uitvoeren.
Uitsluitend originele ABUS-reserveonderdelen gebruiken. Anders vervalt de aanspraak op garantie.
Zender en ontvanger zijn onderhoudsvrij!
In de zender en de ontvanger bevinden zich geen componenten die moeten worden gecontroleerd of vervangen.
Richtlijnen voor de veiligheid bij het onderhoud
Neem de volgende veiligheidsrichtlijnen in acht bij alle onderhoudswerkzaamheden aan de kraan met ABURemote:
- Schakel de netstroomschakelaar uit. Beveilig de schakelaar, zodat deze niet per ongeluk weer wordt ingeschakeld.
- Netscheidingsstekker uit de contactdoos van de kraanrelaiskast trekken. Contactdoos met een hangslot beveiligen, zodat de netscheidingsstekker er niet onbedoeld in kan worden gestoken.
- Geschikt werkplatform en een valbeveiliging gebruiken.
- Het werkgebied rondom het platform ruim afzetten.
- Andere kranen op dezelfde kraanbaan of kranen boven of onder de te onderhouden kraan uitschakelen. Schakelaars beveiligen, zodat deze niet per ongeluk weer kunnen worden ingeschakeld. Andere kranen zouden anders het werkplatform kunnen omgooien of tegen de te onderhouden kraan kunnen botsen.
- Personen in de directe omgeving op de hoogte van het onderhoud brengen.
- Werkzaamheden aan het elektrische gedeelte van de kraan mogen uitsluitend door geschoolde elektriciens worden uitgevoerd!
- Ook na het indrukken van de noodstopknop staan er op de relaiskasten hoge spanningen die dodelijk letsel tot gevolg kunnen hebben.
Deze veiligheidsaanwijzingen gelden speciaal voor ABURemote:
- In het huis van de ontvanger heerst een spanning tot 400 volt. Daardoor kan men een elektrische schok krijgen. Het huis van de ontvanger niet openen als het onder spanning staat.
- Als de zender bij onderhoudswerkzaamheden in de hal blijft liggen, kan de kraan per ongeluk daarmee bestuurd worden. Zender mee op het platform nemen. Netstroomschakelaar, indien mogelijk uitschakelen. Stop-schakelaar indrukken.
Stand-by instellen
Hier wordt ingesteld na hoeveel minuten de zender in de bedrijfsmodus „Stand-by” wisselt als hij niet wordt gebruikt.
Hier kan de bedrijfsmodus „Stand-by” ook worden uitgeschakeld. Zie „Stand-by”.
Menupunt „Stand-by” oproepen

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menu „Instellingen” op.
- Voer de code voor het menu „Instellingen” in.
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu is „0005”.
- Roep het menupunt „Stand-by” op.
Stand-by instellen

- Op het display wordt de momenteel ingestelde tijd weergegeven, waarna de zender in de bedrijfsmodus „Stand-by” wisselt.
- Stel de gewenste waarde in.
Als hier „Uit” wordt geselecteerd, is de bedrijfsmodus „Stand-by” uitgeschakeld.
De waarde „Uit” bevindt zich in de lijst voor de waarde „1 min” en kan worden gevonden door meervoudig bladeren.
- Bevestig de waarde met ENTER.
Resterende tijd van de batterijen weergeven en alarm instellen
Hier wordt weergegeven hoe lang de batterijen in de zender nog geladen zijn. Bovendien kan worden geselecteerd vanaf welke resterende tijd voor de batterijlading een alarm moet worden weergegeven.
Menupunt „Batterij” oproepen

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menu „Instellingen” op.
- Voer de code voor het menu „Instellingen” in.
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu is „0005”.
- Roep het menupunt „Batterij” op.
Resterende tijd weergeven en instellen
Resterende tijd

- Op het display wordt de geschatte resterende tijd van de batterijcapaciteit weergegeven.
- Op het display wordt het momenteel ingestelde alarm voor de batterijlading weergegeven.
- Selecteer of het alarm vanaf 10 minuten, 20 minuten of 30 minuten resterende tijd moet worden weergegeven.
- Bevestig de waarde met ENTER.
Displayverlichting instellen
Hier wordt geselecteerd wanneer en hoe lang de displayverlichting moet branden.
Menupunt „Displaylicht” oproepen

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menu „Instellingen” op.
- Voer de code voor het menu „Instellingen” in.
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu is „0005”.
- Roep het menupunt „Displaylicht” op.
Displayverlichting instellen

- Op het display wordt weergegeven welke instelling voor de displayverlichting is geselecteerd.
- Selecteer wanneer en hoe lang de displayverlichting moet branden.
Hoe korter de displayverlichting brandt, des te langer gaan de batterijen mee.
- „Displaylicht bij alle knoppen, 5s”: het display brandt als een knop is ingedrukt tot 5 seconden na het loslaten.
- Displaylicht bij alle knoppen, 10s: het display brandt als een knop is ingedrukt tot 10 seconden na het loslaten.
- „Displaylicht bij claxon, 5s”: het display brandt alleen als CLAXON is ingedrukt tot 5 seconden na het loslaten.
- „Displaylicht bij claxon, 10s”: het display brandt alleen als CLAXON is ingedrukt tot 10 seconden na het loslaten.
- „Displaylicht bij menuknoppen, 5s”: het display brandt als MENU, ENTER of een pijltoets/sneltoets is ingedrukt tot 5 seconden na het loslaten.
- Displaylicht bij menuknoppen, 10s: het display brandt als MENU, ENTER of een pijltoets/sneltoets is ingedrukt tot 10 seconden na het loslaten.
- Bevestig met ENTER.
Zendernummer en kraannummer instellen
Hier worden het zendernummer en het kraannummer ingesteld. Deze zijn bedoeld zodat de kraanbestuurder kraan en zender eenduidig kan identificeren en toewijzen.
Zendernummer en kraannummer worden in de bedrijfsmodus „Stand-by” weergegeven en het kraannummer wordt in de bedrijfsmodus „Norm.”
Zendernummer en kraannummer kunnen met stickers op de kraan en op de zender worden aangebracht. Speciale stickers zijn verkrijgbaar bij ABUS. Zie „ABUS-service”.
Menupunt „Zendernummer” oproepen

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menu „Instellingen” op.
- Voer de code voor het menu „Instellingen” in.
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu is „0005”.
- Roep het menupunt „Zendernummer” op.
Zendernummer instellen

- Op het display wordt het actuele zendernummer weergegeven.
- Stel het gewenste zendernummer in.
- Bevestig met ENTER.
- Het zendernummer wordt opgeslagen.
Menupunt „Kraannummer” oproepen

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menu „Instellingen” op.
- Roep het menupunt „Kraannummer” op.
Het menupunt kan alleen bij een ingelogde zender worden opgeroepen.
Kraannummer instellen

- Op het display wordt het actuele kraannummer weergegeven.
- Stel het gewenste kraannummer in.
- Bevestig met ENTER.
- Het kraannummer wordt opgeslagen.
- De melding „Ontvanger: nummer is gewijzigd” wordt weergegeven.
- Bevestig met ENTER.
- Log de zender uit en weer in.
Taal instellen
Hier wordt de taal geselecteerd waarin het menu en de meldingen worden weergegeven.
Menupunt „Taal” oproepen

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menu „Instellingen” op.
- Voer de code voor het menu „Instellingen” in.
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu is „0005”.
- Roep het menupunt „Taal” op.
Taal instellen

- Op het display wordt de geselecteerde taal weergegeven.
- Selecteer de gewenste taal.
- Bevestig met ENTER.
Kraantype voor displaysymbolen instellen
Hier wordt het kraantype voor de displaysymbolen ingesteld. In de bedrijfsmodus „Norm.” worden bij het bedienen van de kraan symbolen weergegeven voor de richting van kraan, loopkat en lasthaak.
Als de zender voor een zwenkkraan wordt gebruikt, kunnen de weergegeven symbolen worden veranderd, zodat in plaats van de symbolen voor verplaatsing kraan vooruit en achteruit de symbolen voor zwenken links en rechts worden weergegeven.
Daarnaast kunnen de toetskappen van de zender worden vervangen, zodat ook daar de symbolen van het bijpassende kraantype worden gebruikt. Zie „Toetskap vervangen”.
Menupunt „Kraantype” oproepen

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menu „Instellingen” op.
- Voer de code voor het menu „Instellingen” in.
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu is „0005”.
- Roep het menupunt „Kraantype” op.
Kraantype instellen

- Op het display wordt het geselecteerde kraantype weergegeven.
- Selecteer het gewenste kraantype (loopkraan of zwenkkraan).
- Bevestig met ENTER.
Sneltoetsen instellen
Aan de vier pijltoetsen onder het display kunnen als sneltoetsen in de bedrijfmodus „Norm.” functies worden toegewezen (bijv. tarra, super-kruipsnelheid enz.).

Deze functies kunnen dan ofwel via de desbetreffende menupunten in het menu „Kraanbediening” van de zender of via één van de sneltoetsen worden opgeroepen. Door de sneltoetsen kunnen de functies in de bedrijfsmodus „Norm.” worden opgeroepen zonder eerst het menu te moeten oproepen.
Zelden gebruikte functies kunnen het beste via het menu worden bediend, zodat de sneltoetsen beschikbaar blijven voor vaak gebruikte functies.
Enkele functies kunnen alleen via sneltoetsen worden opgeroepen en niet via menupunten in het menu.
Op het display wordt in de onderste rand de toewijzing van de sneltoetsen weergegeven.
Betekenis van de symbolen
- Symbool met zwarte achtergrond: de functie is beschikbaar en kan worden geselecteerd.
- Symbool met witte achtergrond: de functie is momenteel niet beschikbaar.
- Geheel wit symbool: aan deze sneltoets is geen functie toegewezen.
Beschikbare functies:
Symbool |
Beschrijving |
Functie |
|---|---|---|
|
Nul met twee pijlen |
„Tarra” |
|
Gloeilamp |
„Verlichting” |
|
Gearceerde muur met pijl |
„Eindschak.” |
|
Gesloten hangslot |
„Inloggen” Kraan is uitgelogd. Indrukken voor „Inloggen”. |
|
Geopend hangslot |
„Uitloggen” Kraan is ingelogd. Indrukken voor „Uitloggen”. |
|
Gesloten dubbel hangslot |
„Tandem login” Kraan is niet in tandembedrijf ingelogd. Indrukken voor „Tandem login”. |
|
Geopend dubbel hangslot |
„Tandem logout” Kraan is in tandembedrijf ingelogd. Indrukken voor „Tandem logout”. |
|
Liniaal met kleine schaalverdeling |
„Sup.kruipsnh aan” Super-kruipsnelheid is uitgeschakeld. Indrukken om in te schakelen. |
|
Liniaal met grote schaalverdeling |
„Sup.kruipsnh uit” Super-kruipsnelheid is ingeschakeld. Indrukken om uit te schakelen. |
|
‚T’ met pijl |
„Teach-in” |
|
Lijn met twee pijlen |
„Positioneren“ positioneerhulp |
|
Vlag |
„Positioneren“ positiebesturing |
|
‚O’ met cijfers van 1 tot 6 |
„Optie” 1 tot 6 |
|
Rustig hangende last met twee pijlen. |
„Slingerdemp. aan” Slingerdemping is uitgeschakeld. Indrukken om in te schakelen. |
|
Slingerende last |
„Slingerdemp. uit” Slingerdemping is ingeschakeld. Indrukken om uit te schakelen. |
|
Pijl met ruit |
„Freq.wijz.” |
|
Play/pause symbool |
„Verplaatsingsvrijgave“ |
Sneltoetsen toewijzen

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menu „Sneltoetsen” op.

- Selecteer de pijltoets waaraan een functie moet worden toegewezen.

- Selecteer de gewenste functie.
- Bevestig met ENTER.
Als deze functie al aan een andere sneltoets is toegewezen:

- Op het display verschijnt de melding „Sneltoetsen wijzigen?”.
- Druk op „OK” om te bevestigen.
- Beëindig het menu.
Geselecteerde functie

- De functie wordt opgeslagen.
- Op het display wordt de gewenste functie in de bedrijfsmodus „Norm.” boven de geselecteerde sneltoets weergegeven.
Zenderinformatie weergeven
In het hoofdmenu kan een elektronisch typeplaatje worden weergegeven. Hier wordt diverse informatie over ABURemote weergegeven.
Menupunt „Info” oproepen

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menupunt „Info” op.
Zenderinformatie weergeven

- Op het display wordt informatie over de zender weergegeven.
- FB:
433 MHz of 868 MHz
- BW:
Bandbreedte van het radiofrequentiekanaal (bijv. 25 kHz)
Radiotechniek XR2
- ID: op de zender ingesteld adres van de ontvanger
- SN: serienummer van de zender
- SW: softwareversie Tx (zender)
- SW: softwareversie Rx (ontvanger)
- AP: applicatie Tx (zender)
- AP: applicatie Rx (ontvanger)
- Blader met de pijltoetsen OMHOOG en OMLAAG door de informatielijst.
Radiofrequentiekanaal instellen
Hier wordt ingesteld of de zender automatisch een vrij radiofrequentiekanaal zoekt of dat de zender uitsluitend op een vastgelegd radiofrequentiekanaal zendt.
Wanneer een vast radiofrequentiekanaal is ingesteld, is de functie „frequentiewisseling” uitgeschakeld. Het radiofrequentiekanaal kan dan alleen nog maar via de hier beschreven functie in het menu „Service” worden ingesteld.
Het kan handig zijn om een vast radiofrequentiekanaal in te stellen, om zodoende storingen in andere apparaten of door andere apparaten te voorkomen. Het instellen van vaste radiofrequentiekanalen kan echter ongunstig zijn in combinatie met andere systemen die automatisch een vrij radiofrequentiekanaal zoeken.
Wanneer het door de ABURemote gebruikte radiofrequentiekanaal door andere apparaten wordt verstoord, kan dit tot verbindingsonderbrekingen (bijv. storing 101) leiden.
Het is zinvoller een overkoepelend frequentiemanagement voor de volledige hal op te stellen.
- Hiervoor een lijst maken van alle apparaten die met draadloze overdracht in het frequentiebereik 433 MHz werken.
Als de zender een 868 MHz-frequentiebereik heeft: een lijst met alle apparaten aanleggen die met draadloze overdracht in het 868 MHz-frequentiebereik werken.
- Voor alle apparaten met handmatig instelbare radiofrequentiekanalen deze kanalen aan de hand van de lijst bepalen en dan op het desbetreffende apparaat instellen. Daarbij zoveel mogelijk afstand tussen de kanalen houden.
Menupunt „Kanaal” oproepen
Het menupunt kan bij een uitgelogde of ingelogde zender worden opgeroepen.

- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Roep het menu „Radio” op.
- Roep het menupunt „Kanaal” op.
Radiofrequentiekanaal aflezen en instellen

- Op het display wordt de actueel ingestelde waarde weergegeven:
- Waarde tussen 1 en 69: het radiofrequentiekanaal is vast op de desbetreffende waarde ingesteld.
- Auto: automatisch een vrij radiofrequentiekanaal zoeken is geactiveerd.
- Stel het gewenste radiofrequentiekanaal of „Auto” in.
De waarde „Auto” bevindt zich in de lijst voor het radiofrequentiekanaal 1 en kan worden gevonden door meervoudig bladeren.
- Bevestig de waarde met ENTER.
- De instelling wordt automatisch op de ontvanger overgenomen en hoeft daar niet nog extra te worden ingesteld.
Kanaal- en frequentietoewijzing:
Radiofrequentiekanaal |
Frequentie (MHz) |
Radiofrequentiekanaal |
Frequentie (MHz) |
|---|---|---|---|
1 |
433.075 |
36 |
433.950 |
2 |
433.100 |
37 |
433.975 |
3 |
433.125 |
38 |
434.000 |
4 |
433.150 |
39 |
434.025 |
5 |
433.175 |
40 |
434.050 |
6 |
433.200 |
41 |
434.075 |
7 |
433.225 |
42 |
434.100 |
8 |
433.250 |
43 |
434.125 |
9 |
433.275 |
44 |
434.150 |
10 |
433.300 |
45 |
434.175 |
Radiofrequentiekanaal |
Frequentie (MHz) |
Radiofrequentiekanaal |
Frequentie (MHz) |
|---|---|---|---|
11 |
433.325 |
46 |
434.200 |
12 |
433.350 |
47 |
434.225 |
13 |
433.375 |
48 |
434.250 |
14 |
433.400 |
49 |
434.275 |
15 |
433.425 |
50 |
434.300 |
16 |
433.450 |
51 |
434.325 |
17 |
433.475 |
52 |
434.350 |
18 |
433.500 |
53 |
434.375 |
19 |
433.525 |
54 |
434.400 |
20 |
433.550 |
55 |
434.425 |
21 |
433.575 |
56 |
434.450 |
22 |
433.600 |
57 |
434.475 |
23 |
433.625 |
58 |
434.500 |
24 |
433.650 |
59 |
434.525 |
25 |
433.675 |
60 |
434.550 |
26 |
433.700 |
61 |
434.575 |
27 |
433.725 |
62 |
434.600 |
28 |
433.750 |
63 |
434.625 |
29 |
433.775 |
64 |
434.650 |
30 |
433.800 |
65 |
434.675 |
31 |
433.825 |
66 |
434.700 |
32 |
433.850 |
67 |
434.725 |
33 |
433.875 |
68 |
434.750 |
34 |
433.900 |
69 |
434.775 |
35 |
433.925 |
Alleen bij 868 MHz-frequentiekanaal
Radiofrequentiekanaal |
Frequentie (MHz) |
|---|---|
1 |
869.725 |
2 |
869.750 |
3 |
869.775 |
4 |
869.800 |
5 |
869.825 |
6 |
869.850 |
7 |
869.875 |
8 |
869.900 |
9 |
869.925 |
10 |
869.950 |
11 |
869.975 |
Kanaalbereik instellen
Hier wordt ingesteld of de zender bij het automatisch zoeken van een radiofrequentiekanaal alle radiofrequentiekanalen (1 t/m 69) mag gebruiken of alleen de radiofrequentiekanalen 40 t/m 69. Dit is belangrijk voor het bedrijf in sommige landen met speciale bepalingen.
ABURemote werkt principieel met een duty cycle van 100% met betrekking tot de zendduur op een radiofrequentiekanaal. De duty cycle geeft aan hoeveel tijd binnen een bepaald tijdsinterval ABURemote het radiofrequentiekanaal gebruikt of een pauze inlast. Een duty cycle van 100% betekent dat ABURemote het radiofrequentiekanaal volledig bezet en continu zendt.
In sommige landen mogen alleen de radiofrequentiekanalen 40 t/m 69 met een duty cycle van 100% worden gebruikt. In deze landen moeten daarom de radiofrequentiekanalen 1 t/m 39 voor ABURemote worden geblokkeerd en/of het zendvermogen worden gereduceerd.
Menupunt „Kanaalbereik” oproepen
Het menupunt kan alleen bij een uitgelogde zender worden opgeroepen.

- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Roep het menu „Radio” op.
- Roep het menupunt „Kanaalbereik” op.
Kanaalbereik aflezen en instellen

- Op het display wordt het momenteel ingestelde kanaalbereik weergegeven:
- 1 – 69: ABURemote gebruikt alle radiofrequentiekanalen van 1 t/m 69 bij het automatisch zoeken van een radiofrequentiekanaal en bij de vaste instelling. De radiofrequentiekanalen worden met een duty cycle van 100% bezet.
- 40 – 69: ABURemote gebruikt alleen de radiofrequentiekanalen van 40 t/m 69 bij het automatisch zoeken van een radiofrequentiekanaal en bij de vaste instelling. De radiofrequentiekanalen worden met een duty cycle van 100% bezet.
Zendvermogen van zender en ontvanger instellen
Hier wordt ingesteld of de zender en de ontvanger op vol zendvermogen zenden of dat het zendvermogen verlaagd moet worden.
Als er meerdere radiosystemen (draadloze afstandsbedieningen voor kranen, maar ook andere systemen met radioverbinding) dicht bij elkaar worden gebruikt, kunnen de signalen van een radiosysteem (vooral bij grote afstand van de radiopartner) door een nevenspectrum van een ander radiosysteem worden overschaduwd (vooral als een radiopartner van het andere radiosysteem zich dichter bij de zender of ontvanger van ABURemote bevindt).
In dit geval kan het zinvol zijn de zendvermogens van afzonderlijke of alle systemen te reduceren. Als er meerdere zenders dicht bij elkaar worden gebruikt, is het meestal zinvol het zendvermogen van alle zenders te reduceren. Een aanpassing van het zendvermogen van ontvangers is alleen in uitzonderlijke gevallen nodig.
Menupunt „Zendvermogen” oproepen
Het menupunt „Zender” kan bij een uitgelogde zender of bij een ingelogde zender worden opgeroepen.
Het menupunt „Ontvanger” kan alleen bij een ingelogde zender worden opgeroepen.
Menupunt „Zender”

- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Roep het menu „Zendvermogen” op.
- Roep het menupunt „Zender” of „Ontvanger” op.
Zendvermogen aflezen en instellen

- Op het display wordt het momenteel ingestelde zendvermogen van zender of ontvanger weergegeven.
- Stel de gewenste waarde in.
Het zendvermogen kan op 200 % (optie), 100 %, 75 %, 50 %, 25 % en 12 % worden ingesteld.
- Bevestig de waarde met ENTER.
Kanaalindicatie instellen
Hier wordt ingesteld of het actuele radiofrequentiekanaal in de bedrijfsmodus „Norm.” op het display moet worden weergegeven.
Dit kan gunstig zijn wanneer bij de automatische selectie van het radiofrequentiekanaal storingen optreden.
Als de kanaalindicatie is ingeschakeld, wordt in de bedrijfsmodus „Norm.” linksonder het actuele radiofrequentiekanaal in plaats van het antennesymbool weergegeven.
Menupunt „Kanaalindicatie” oproepen
Het menupunt kan bij een uitgelogde zender of bij een ingelogde zender worden opgeroepen.

- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Roep het menu „Radio” op.
- Roep het menupunt „Kanaalindicatie” op.
Kanaalindicatie in- en uitschakelen

- Op het display wordt weergegeven of de „kanaalindicatie“ momenteel is ingeschakeld of uitgeschakeld.
- Schakel de „kanaaalindicatie“ in of uit.
- Bevestig met ENTER.
Bedrijfsuren van zender en ontvanger weergeven
Hier wordt weergegeven hoe lang zender en ontvanger al in bedrijf zijn. De bedrijfsurenteller wordt op de minuut nauwkeurig opgeteld en bij het uitschakelen van de kraan/zender opgeslagen.
Menupunt „Bedrijfsuren” oproepen
Het menupunt „Zender” kan bij een uitgelogde zender of bij een ingelogde zender worden opgeroepen.
Het menupunt „Ontvanger” kan alleen bij een ingelogde zender worden opgeroepen.
Menupunt „Zender”

- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Roep het menu „Bedrijfsuren” op.
- Roep het menupunt „Zender” of „Ontvanger” op.
Bedrijfsuren weergeven

- Op het display worden de bedrijfsuren van zender of ontvanger weergegeven.
Wachttijd instellen
Hier wordt ingesteld hoe lang de zender na het inloggen en de vrijgave moet wachten voordat de kraan bestuurd kan worden.
De wachttijd is vooral bij kranen met frequentieomvormer ABULiner of met ABUControl nuttig.
De wachttijd wordt via een laadbalk op het display weergegeven en toont de kraanbestuurder dat de besturing gestart wordt.
Bij ABUControl wordt de wachttijd via de PLC van de besturing ingesteld.
Menupunt „Wachttijd” oproepen
Het menupunt kan alleen bij een ingelogde zender worden opgeroepen.

- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Roep het menupunt „Wachttijd” op.
Wachttijd weergeven en instellen

- Op het display wordt de actueel ingestelde wachttijd weergegeven.
- Stel de gewenste waarde in.
De wachttijd kan in stappen à 5 seconden van 5 tot 30 seconden worden ingesteld of worden uitgeschakeld.
De waarde „Uit” bevindt zich in de lijst voor de waarde „5 s” en kan worden gevonden door meervoudig bladeren.
- Bevestig met ENTER.
PIN voor zenderbeveiliging en speciale functies instellen
Met de zenderbeveiliging kan de zender door een PIN worden beveiligd, zodat alleen bevoegde personen de zender kunnen gebruiken.
Verder kunnen functies „Eindschakelaar overbruggen“ en „Lastbegrenzing uitschakelen“ door een PIN beveiligd worden, zodat alleen bevoegde personen deze functies kunnen gebruiken.
In het menupunt „PIN instellen” kunnen de verschillende PIN-niveaus van de zender worden geactiveerd en de verschillende PIN's worden ingesteld.
Overzicht van de PIN-niveaus:
Niveau 0: zenderbeveiliging
- Als PIN-niveau 0 op de zender geactiveerd is, kan de zender alleen worden ingeschakeld als de juiste PIN bij het inschakelen van de zender wordt ingevoerd.
Het PIN-invoerveld verschijnt bij het inschakelen of inloggen van de zender als er een PIN-niveau in de zender geactiveerd is. Als dan de PIN voor PIN-niveau 0 wordt ingevoerd, kan de zender worden ingeschakeld of ingelogd.
PIN-niveau 0 wordt alleen in de zender opgeslagen. Daardoor wordt de desbetreffende PIN altijd opgevraagd, op welke ontvanger de zender dan ook is ingelogd.
Niveau 1: eindschakelaar overbruggen
- Als ontvanger is de functie „Grensschakelaar overbruggen“ door een PIN beveiligd. De eindschakelaar kan alleen worden overbrugd als het PIN-niveau 1 ook op de zender is geactiveerd en de juiste PIN bij het inschakelen of inloggen van de zender is ingevoerd. PIN-niveau 1 omvat automatisch ook PIN-niveau 0.
Het PIN-invoerveld verschijnt bij het inschakelen of inloggen van de zender alleen als er een PIN-niveau in de zender geactiveerd is. Als dan de PIN voor PIN-niveau 0 wordt ingevoerd, kan de zender worden ingelogd, maar de beveiligde functie „Eindschakelaar overbruggen” blijft geblokkeerd. Als in het PIN-invoerveld de PIN voor PIN-niveau 1 wordt ingevoerd, kan de zender worden ingelogd en kan de sneltoets „Eindschakelaar overbruggen” worden ingedrukt.
Niveau 2: lastbegrenzing uitschakelen
- Op de ontvanger is de functie „lastbegrenzing uitschakelen” beveiligd door een PIN. De lastbegrenzing kan alleen worden uitgeschakeld als het PIN-niveau 2 ook op de zender is geactiveerd en de juiste PIN bij het inschakelen of inloggen van de zender is ingevoerd. PIN-niveau 2 omvat automatisch ook PIN-niveau 0.
Het PIN-invoerveld verschijnt bij het inschakelen of inloggen van de zender alleen als er een PIN-niveau in de zender geactiveerd is. Als dan de PIN voor PIN-niveau 0 wordt ingevoerd, kan de zender worden ingelogd, maar de lastbegrenzing blijft ingeschakeld en de kraan kan met gereduceerd maximaal draagvermogen worden bediend. Als in het PIN-invoerveld de PIN voor PIN-niveau 2 wordt ingevoerd, wordt de lastbegrenzing uitgeschakeld en kan de kraan met het maximale draagvermogen hijsen.
Niveau 3: combinatie van niveau 1 en 2
- Op de ontvanger zijn de functies „Eindschakelaar overbruggen” en „lastbegrenzing uitschakelen” beveiligd door een PIN. De eindschakelaar kan alleen worden overbrugd en de lastbegrenzing kan alleen worden uitgeschakeld als het PIN-niveau 3 ook op de zender is geactiveerd en de juiste PIN bij het inschakelen of inloggen van de zender is ingevoerd. PIN-niveau 3 omvat automatisch ook PIN-niveau 0, 1 en 2.
Het PIN-invoerveld verschijnt bij het inschakelen of inloggen van de zender alleen als er een PIN-niveau in de zender geactiveerd is. Als dan de PIN voor PIN-niveau 0 wordt ingevoerd, kan de zender worden ingelogd. Als in het PIN-invoerveld de PIN voor PIN-niveau 3 wordt ingevoerd, kan de zender worden ingelogd, de sneltoets „Eindschakelaar overbruggen” worden ingedrukt en met het maximale draagvermogen worden gehesen.
De beveiligde functies worden af fabriek in de ontvanger geparametreerd en beheerd.
Daardoor zijn de functies beveiligd, welke zender er ook op de ontvanger wordt ingelogd (bijv. bij een reservezender). De PIN voor het ontgrendelen wordt echter in de zender opgeslagen en kan dus specifiek voor de zender worden ingesteld.
De beveiligde functies kunnen alleen worden bediend als in de ontvanger het desbetreffende PIN-niveau af fabriek is geparametreerd en als op de zender hetzelfde PIN-niveau is geactiveerd. Als dan bij het inschakelen of inloggen van de zender de juiste PIN voor het PIN-niveau wordt ingevoerd, kan de functie worden ontgrendeld. De parametrering in de ontvanger kan niet worden aangepast. Voor de zender kunnen de PIN-niveaus in het menu „Instellingen” worden geactiveerd.
Als een kraan met in de ontvanger beveiligde functies door een zender zonder geactiveerde PIN-niveaus wordt bediend, kunnen de beveiligde functies niet worden ontgrendeld.
PIN-niveau 0 wordt echter in de zender opgeslagen. Daardoor wordt de PIN op deze zender altijd opgevraagd, op welke ontvanger de zender dan ook wordt ingelogd. Andersom kan de kraan zonder invoer van een PIN worden bediend als een zender zonder geactiveerd PIN-niveau met de ontvanger wordt verbonden.
Aanwijzing voor de veiligheid:
Het menupunt „PIN instellen” is toegankelijk in het menu „Service”, dat met de code voor het menu „Service” „0055” kan worden opgeroepen. Het menupunt is verder niet beveiligd. Dat betekent dat de PIN's voor de PIN-niveaus weliswaar niet per ongeluk kunnen worden veranderd, omdat ze in het beveiligde menu „Service” staan, maar dat er geen absolute beveiliging tegen misbruik, deactivering van de PIN-niveaus of wijziging van de PIN bestaat.
Menupunt „PIN instellen” oproepen
Het menupunt kan bij een uitgelogde of ingelogde zender worden opgeroepen.

- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Roep het menupunt „PIN instellen” op.
PIN-niveaus activeren en PIN instellen
Vastgelegde PIN

- Op het display wordt het eerste PIN-niveau 0 weergegeven.
- Activeer PIN-niveau 0 om de zenderbeveiliging in te schakelen.
Activeer PIN-niveau 1 om de functie „Eindschakelaar overbruggen” te beveiligen met een PIN.
Activeer PIN-niveau 2 om de functie „lastbegrenzing uitschakelen” te beveiligen met een PIN.
Activeer PIN-niveau 3 om de functies „Eindschakelaar overbruggen” en „Lastbegrenzing uitschakelen” te beveiligen met een PIN.
- Vastgelegde PIN: hier wordt de PIN weergegeven en vastgelegd die geldig is voor het desbetreffende PIN-niveau.
- Toestand: hier wordt weergegeven en ingesteld of het PIN-niveau geactiveerd is (zwart vakje) of dat het PIN-niveau gedeactiveerd is (wit vakje).
- Selecteer het PIN-niveau dat moet worden bewerkt met de pijltoetsen OMHOOG en OMLAAG.
- De PIN en de toestand van het desbetreffende PIN-niveau worden weergegeven.
- Selecteer het in te stellen cijfer van de PIN met de pijltoetsen RECHTS en LINKS.
- Stel het cijfer in met de pijltoetsen OMHOOG en OMLAAG.
- Selecteer met de pijltoetsen RECHTS en LINKS het vakje om het PIN-niveau te activeren en deactiveren.
- Activeer (zwart vakje) of deactiveer (wit vakje) het PIN-niveau met de pijltoetsen OMHOOG en OMLAAG.
- Druk op ENTER.
- Alle PIN's worden opgeslagen.
Alle PIN-niveaus uitschakelen
Hier kunnen alle PIN-niveaus tegelijkertijd worden uitgeschakeld.
Als de PIN-niveaus worden gedeactiveerd, worden ze alleen in de zender gedeactiveerd. De standaard parametrering van de ontvanger wordt hierdoor niet gewijzigd. Dat betekent dat de beveiligde functies („Eindschakelaar overbruggen” en „Lastbegrenzing uitschakelen”) dan niet kunnen worden gebruikt.
Alleen het PIN-niveau 0 wordt hierdoor volledig gedeactiveerd, omdat dit alleen in de zender is opgeslagen. De zender kan daarna worden ingeschakeld of ingelogd zonder een PIN in te voeren.
Menupunt „PIN deactiveren” oproepen
Het menupunt kan bij een uitgelogde of ingelogde zender worden opgeroepen.

- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Roep het menupunt „PIN deactiveren” op.
PIN-niveaus uitschakelen

- Op het display wordt het venster „PIN deactiveren” weergegeven.
- Bevestig met ENTER.
Adres instellen (zender aan een ontvanger koppelen)
Hier wordt het adres van de ontvanger in de zender ingesteld. Zender en ontvanger moeten op hetzelfde adres zijn ingesteld om met elkaar te kunnen communiceren.
In de ontvanger is het adres vast ingesteld en kan niet worden gewijzigd. In de zender kan in het menu „Service” het adres van de ontvanger worden ingesteld waaraan de zender moet worden gekoppeld. Het adres van de ontvanger staat op het typeplaatje.
Via het adres wordt zodoende ingesteld welke zender met welke ontvanger kan communiceren. Alleen als het adres van de ontvanger op de zender is ingesteld, kunnen de zender en ontvanger met elkaar communiceren.
Menupunt „Adres” oproepen
Het menupunt kan alleen bij een uitgelogde zender worden opgeroepen.

- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Roep het menu „Radio” op.
- Roep het menupunt „Adres” op.
Adres weergeven en instellen

- Op het display wordt het momenteel ingestelde adres weergegeven.
- Stel het nieuwe adres in.
Het adres kan in meerdere blokken worden ingevoerd. Het adres bestaat uit acht tekens.
- Bevestig de waarde met ENTER.
- Schakel de zender uit, verwijder kort de batterijen en plaats deze weer terug, schakel de zender in.
Opmerking:
De instelling in dit menu is alleen bij zenders mogelijk die nog geen vermeldingen in uw Multi-user-lijst hebben. Bij zenders met Multi-user volgt een automatisch doorversturen naar de Multi-user-lijst.
Zie „Multi-user-lijst aaneggen/aanpassen”.
Reservezender in gebruik nemen
Een reservezender wordt voor één of meerdere kranen geleverd en kan worden gebruikt als de eigenlijke zender defect is.
Om een reservezender in gebruik te nemen, moet op de reservezender het ontvangeradres van de defecte zender worden ingesteld.
De zender moet uitgelogd worden, voordat de vervangingszender in gebruik kan worden genomen.
- Log de defecte zender uit van de ontvanger.
- Ofwel zender per menu of sneltoets uitloggen. Zie „Zender uitloggen en uitschakelen“.
- Of (bijv. als de zender niet meer beschikbaar is) schakel de kraan uit en weer in. Daardoor wordt de ontvanger uitgeschakeld en de zender automatisch uitgelogd.
- Achterhaal welk adres op de defecte zender ingesteld was.
- Lees het adres af in het menupunt „Info” van de defecte zender. Zie „Zenderinformatie weergeven”.
- Of (bijv. als de zender niet meer beschikbaar is) lees het adres af van het typeplaatje van de ontvanger.
- Stel op de reservezender het adres in dat op de defecte zender ingesteld was. Zie „Adres instellen (zender aan een ontvanger koppelen)”.
- Schakel de zender uit, verwijder kort de batterijen en plaats deze weer terug, schakel de zender in.
- De reservezender kan nu worden gebruikt.
Applicatie van de zender instellen
Hier wordt de applicatie van de zender ingesteld. De applicatie is een nummer dat het type en bepaalde varianten van de zender weergeeft. De ingestelde applicatie moet bij het type zender en tegelijkertijd bij de verbonden ontvanger passen.
Door de applicatie worden deze varianten vastgelegd:
- Type van de zender (ABURemote Button of Joystick)
- Zendervariant (standaard zender of zender met drie masterschakelaars)
- Variant van de masterschakelaar (tweetraps of proportionele masterschakelaar)
- Type van de ontvanger (ontvanger met relais of CAN-busontvanger)
Soms kan het nodig zijn de applicatie van de zender te wijzigen, bijvoorbeeld als een zender die tot nu toe met een ontvanger met relais werd gebruikt nu aan een kraan met CAN-busontvanger moet worden gebruikt.
De momenteel ingestelde applicatie wordt weergegeven in het menupunt „Info”.
Menupunt „Applicatie” oproepen
Het menupunt kan alleen bij een uitgelogde zender worden opgeroepen.

- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in.
Zie „Code of PIN invoeren”.
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Roep het menu „Radio” op.
- Roep het menupunt „Applicatie” op.
Applicatie instellen

- Op het display wordt de momenteel ingestelde applicatie weergegeven.
- „Applicatie“ instellen.
Applicaties voor ontvangers met relais.
Zender |
Applicatie Radiotechniek XR2 |
|---|---|
ABURemote Button |
31 |
ABURemote Joystick met twee masterschakelaars, tweetraps |
31 |
ABURemote Joystick met twee masterschakelaars, proportioneel |
32 |
ABURemote Joystick met drie masterschakelaars, tweetraps |
31 |
ABURemote Joystick met drie masterschakelaars, proportioneel |
32 |
ABURemote joystick met drie masterschakelaars, tweetraps met gespiegelde verplaatsrichting |
35 |
ABURemote joystick met drie masterschakelaars, proportioneel met gespiegelde verplaatsrichting |
36 |
Applicaties voor CAN-busontvangers:
Zender |
Applicatie Radiotechniek XR2 |
|---|---|
ABURemote Button |
31 |
ABURemote Joystick met twee masterschakelaars, tweetraps |
31 |
ABURemote Joystick met drie masterschakelaars, tweetraps |
33 |
ABURemote Joystick met twee masterschakelaars, proportioneel |
32 |
ABURemote Joystick met drie masterschakelaars, proportioneel |
34 |
ABURemote joystick met 2 loopkatten en 3 masterschakelaars tweetraps voor gespiegelde verplaatsrichting |
37 |
ABURemote joystick met 2 loopkatten en 3 masterschakelaars proportioneel voor gespiegelde verplaatsrichting |
38 |
- Bevestig met ENTER.
Ontvanger openen en sluiten
Bij reparaties of voor het vervangen moet de ontvanger worden geopend.
Huis openen
Bovenste sluitclipsDeksel

- Schroef de lenskopschroeven (4x) uit het deksel.
- Druk de twee bovenste sluitclips licht naar buiten.
- Verwijder tegelijkertijd het deksel aan de bovenkant van het huis.

- Kantel het deksel naar beneden tot het bijna horizontaal ligt.
- Het deksel komt bij het kantelen automatisch los uit de onderste sluitclips.
- Leg het deksel weg.
Ontvanger sluiten
Sluitclips

- Plaats het deksel in alle vier de hoeken op het huis.
- Klik het deksel in alle vier de sluitclips tegelijkertijd vast.
- Deksel met lenskopschroeven M3,5x14 vastschroeven. 0,5 Nm.
Ontvanger vervangen
Als de ontvanger defect is, moet hij worden vervangen. Als de ontvanger moet worden vervangen, kan de aansluitkabel van de ontvanger worden verwijderd. Zo moet de aansluitkabel van de relaiskast naar de ontvanger niet opnieuw worden gelegd.
Bij reparaties of voor het vervangen moet de ontvanger worden geopend.
Oude ontvanger demonteren
- Open het deksel. Zie „Huis openen”.
- Trek de kabeldoorvoer van de aansluitkabel uit het huis.
- Trek de koppelingen van de aansluitkabel uit de ontvanger.
- Maak de draadbeugels van de ontvanger los en verwijder de ontvanger.
Nieuwe ontvanger monteren
DraadbeugelPlaat

- Houd de ontvanger tegen de vierkante buis.
- Steek boven en onder een draadbeugel door het huis.
- Plaats vanaf de achterkant een plaat op beide draadbeugels.

- Schroef de draadbeugels vast met zelfborgende moeren met karteling M8 (2x per draadbeugel). 15 Nm.
Ontvanger aansluiten

- Sluit de koppelingen van de aansluitkabel aan op de connectoren van de platine.
De koppelingen en connectoren hebben codeerstiften. Daardoor kunnen de koppelingen niet worden verwisseld.
Kabeldoorvoer (als trekontlasting)

- Schuif de aansluitkabel met beide kabeldoorvoeren in het huis.
Schuif de rubberen lipjes van de kabeldoorvoer (pakking) er zo in, dat deze vanbinnen en vanbuiten vlak tegen het huis liggen.
Schuif de kabeldoorvoer (trekontlasting) zoals afgebeeld in het huis.
- Sluit het deksel. Zie „Ontvanger sluiten”.
Adres op zender instellen
Om een reserveontvanger in gebruik te nemen moet het adres van de nieuwe ontvanger worden ingesteld op de zender(s) die de kraan met de nieuwe ontvanger moet(en) aansturen.
- Lees het adres van de reserveontvanger af van het typeplaatje van de ontvanger.
- Stel het adres in op de zender. Zie „Adres instellen (zender aan een ontvanger koppelen))“ „Adres instellen (zender aan een ontvanger koppelen)”.
- Schakel de zender uit, verwijder kort de batterijen en plaats deze weer terug, schakel de zender in.
Aan de kraan lassen
Bij laswerkzaamheden aan de kraan dient u de aansluitkabel van de ontvanger te verwijderen en de ontvanger te demonteren!
Bij laswerkzaamheden aan de kraan kan de ontvanger door de hoge spanning van het lasapparaat worden beschadigd.
Aansluitkabel uit de ontvanger trekken.
Toetskap vervangen
Als een manchet van een knop beschadigd is (bijv. gescheurd), moet de toetskap worden vervangen.
Voor het vervangen moet de zender niet worden gedemonteerd.
Toetskap demonteren
Contactvlak

- Druk het contactvlak volledig in en houd het ingedrukt.
- Wip met een stomp gereedschap achtereenvolgens de witte vergrendelingen boven, onder, links en rechts van de toetsvergrendelingsring uit de manchet.
- De toetskap ligt nu los op de zender.

- Verwijder de toetskap.
Nieuwe toetskap monteren
Alleen bij toetskap voor hijsen/neerlaten en verplaatsing loopkat
Contactvlak

- Draai het contactvlak van de nieuwe toetskap zodanig dat de kerf precies voor een vergrendeling staat.
Alleen bij toetskap voor zwenken en verplaatsing kraan
Contactvlak

- Draai het contactvlak van de nieuwe toetskap zodanig dat de kerf precies tussen twee vergrendelingen staat.
ManchetToetskap

- Plaats de nieuwe toetskap. Door de kerf past deze in slechts één positie.
- Druk de manchet rondom in tot de toetsvergrendelingsring vastklikt.
Multi-user instellen en selecteren
ABURemote kan in Multi-user-bedrijf (optie) worden gebruikt. Hierbij kan een zender bij verschillende kranen worden ingelogd. Hierdoor kan een bedienconcept van meerdere kranen worden gemmaakt. Een kraan kan door meerdere zenders worden bestuurd, en één zender kan meerdere kranen besturen. Zo kan bijv. een zender als vervangingszender worden gebruikt, als de eigenlijke zender defect is.
De gewenste kraan kan bij de log-in via een keuzelijst aan de hand van zijn kraannummer geselecteerd.
Zendernummer en kraannummer instellen
Hier worden het zendernummer en het kraannummer ingesteld. Deze dienen om kraan en zender eenduidig te kunnen identificeren en toe te wijzen.
Zendernummer en kraannummer worden in de bedrijfsmodus „Stand-by” weergegeven en het kraannummer wordt in de bedrijfsmodus „Norm.” Bovendien wordt bij zenders met Multi-user het kraannummer bij de log-in voor de selectie van de gewenste kraan gebruikt.
- Zendernummer en kraannummer worden in de bedrijfsmodus „Stand-by” weergegeven.
- Het kraannummer wordt in de bedrijfsmodus „Normaal“ in de hoek rechtsboven weergegeven en bij de log-in bij Multi-user voor de selectie van de gewenste kraan gebruikt.
- Zendernummer en kraannummer kunnen met stickers op de kraan en op de zender worden aangebracht. Speciale stickers zijn verkrijgbaar bij ABUS. Zie „ABUS-service”.
Er moet echter rekening mee worden gehouden dat een eenduidige koppeling op basis van de zendernummers en kraannummers niet langer mogelijk is, aangezien de multi-user met verschillende kranen kan worden verbonden. De kraan wordt geselecteerd via het menu in de zender.
Menupunt „Zendernummer” oproepen:

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menu „Instellingen” op.
- Voer de code voor het menu „Instellingen” in.
De code voor het menu is „0005”.
- Roep het menupunt „Zendernummer” op.
Zendernummer instellen:

- Op het display wordt het actuele zendernummer weergegeven.
- Het gewenste zendernummer met de pijltoetsen instellen.
- Bevestig met ENTER.
- Het zendernummer wordt opgeslagen.
Menupunt „Kraannummer“ oproepen:

- Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
- Roep het menu „Instellingen” op.
- Roep het menupunt „Kraannummer” op.
Het menupunt kan alleen bij een ingelogde zender worden opgeroepen.
Kraannummer instellen:

- Op het display wordt het actuele kraannummer weergegeven.
- Het gewenste kraannummer met de pijltoetsen instellen.
- Bevestig met ENTER.
- Het kraannummer wordt opgeslagen.
- Bevestig met ENTER.
- Log de zender uit en weer in.
- De melding „Ontvanger: nummer is gewijzigd” wordt weergegeven.
Multi-user-lijst aaneggen/aanpassen
Om de zender bij verschillende ontvangers te kunnen aanmelden, moet er eerst op de zender een lijst worden aangemaakt met de ontvangers waarbij de zender zich mag aanmelden. Deze lijst moet worden aangemaakt op alle zenders die in multi-user-modus zullen worden gebruikt.
Als een Multi-user-lijst werd aangelegd, wordt vanuit het menupunt „Adres“ automatisch naar het menupunt „Multi-user“ doorgestuurd. Het menupunt „Adres“ is gedeactiveerd.
- Druk MENU lang (5 seconden) in.
- Op het display wordt de codeopvraging weergegeven.
- Voer de code voor het menu „Service” in
De code voor het menu „Service” is „0055”.
- Menupunt „Multi-user“ selecteren.
Het menupunt kan alleen bij een uitgelogde zender worden opgeroepen.
KraannummerAdres

- Op het display wordt een regel van de Multi-user-lijst weergegeven.
- Regel: de Multi-user-lijst wordt per regel in het venster weergegeven. Dit is het nummer van de momenteel weergegeven regel van de lijst. De eerste regel heeft het nummer ‚00‘.
- Activiteit: via de „activiteit“ kunnen regels geactiveerd (vierkant vol) en gedeactiveerd (vierkant niet vol) worden.
- Kraannnummer: hier wordt het kraannummer voor de actueel weergegeven regel weergegeven. Aan de hand wordt later bij de log-in geselecteerd, bij welke kraan de zender moet worden ingelogd.
- Adres: hier wordt het adres van de ontvanger weergegeven, waarbij de zender moet worden ingelogd.
- Met de pijltoetsen RECHTS/LINKS de cursor op de waarde voor de regel instellen.
- Met de pijltoetsen OMHOOG/OMLAAG de regel selecteren die moet worden bewerkt.
- Het kraannummer en het adres van de desbetreffende regels van de Multi-user-lijst worden weergegeven.
Ist in der gewählten Zeile kein Eintrag vorhanden, wird statt einer Kran-Nummer „‑ ‑” angezeigt.
- Met de pijltoetsen RECHTS/LINKS de cursor op de waarde voor het kraannummer instellen.
- Met de pijltoetsen OMHOOG/OMLAAG het kraannummer instellen.
Het hier ingestelde kraannummer is bedoeld ter weergave in de kraanlijst bij de log-in en helpt de kraanbestuurder bij de selectie van de gewenste kraan.
Het kraannummer moet identiek zijn met het kraannummer die in de desbetreffende ontvanger opgeslagen is. Als het kraannummer dat hier in de Multi-user-lijst wordt ingevoerd, niet identiek is met het kraannummer dat in de ontvanger is ingesteld, wordt het kraannummer in de Multi-user-lijst bij de eerste log-in automatisch overschreven.
Daarom kan het kraannummer hier niet worden gewijzigd. Voor het wijzigen van het kraannummer, zie „Zendernummer en kraannummer instellen“.
- Met de pijltoetsen RECHTS/LINKS de cursor op de waarde voor het adres instellen.
- Met de pijltoetsen OMHOOG/OMLAAG het adres instellen.
Het hier ingestelde adres is doorslaggevend voor de draadloze verbinding tussen zender en ontvanger. Met het hier ingestelde ontvangeradres wordt de zender later bij de log-in ingelogd. Het desbetreffende adres staat op het typeplaatje van de desbetreffende ontvanger.
- Bevestig met ENTER.
- De Multi-user-lijst wordt opgeslagen.
Zender inloggen
In enkele situaties logt de zender niet automatisch weer in op de ontvanger:
- De zender was bij het uitschakelen niet ingelogd.
- De kraan bevindt zich niet binnen de reikwijdte van de zender.
- De kraan is ondertussen uitgeschakeld.
- Er is een andere zender op de kraan ingelogd.
- De zender is eerder handmatig uitgelogd.
- Automatisch inloggen is eerder afgebroken.
Als de zender niet automatisch weer ingelogd wordt:

- Ofwel:
Druk op sneltoets „Inloggen” (gesloten hangslot).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Inloggen” op.
- Als de zender of een functie door een PIN is beveiligd: op het display wordt het venster „PIN invoeren” weergegeven.
- Voer de PIN in. Zie „Code of PIN invoeren”.
Als de Multi-user-functie op de zender geactiveerd is (meer dan een adres in de Multi-user-lijst werd ingevoerd):
Als op de zender de Multi-user-functie geactiveerd is, verschijnt ene lijst met kraannummers. Bij de weergegeven kraannummers kan de zender worden ingelogd.
Kraannummers

- Een lijst met kraannummers verschijnt.
Bij de hier weergegeven kranen kan de zender worden ingelogd.
- Met de pijltoetsen het gewenste kraannummer selecteren waar de zender moet worden ingelogd.
Voor een eenduidige selectie van kranen moet erop worden gelet dat zinvolle kraannummers worden ingesteld en de kranen overeenkomstig worden gekenmerkt.
- Druk op ENTER.
- De zender logt op de ontvanger in.

- Op het display wordt „Release” (vrijgave) weergegeven.
- Druk de CLAXON-knop in en laat hem los.
- De claxon is op de zender en bij de kraan te horen.
- De kraan is gereed voor gebruik.
- Weergegeven kraannummmer op het display met het kraannummer van de gewenste kraan vergelijken.
Zender uitloggen
Om een andere zender bij de kraan te kunnen inloggen, moet de laatst bij de kraan ingelogde zender eerst handmatig worden uitgelogd.
Opmerking:
Als een zender bij een kraan is ingelogd, is deze kraan voor alle andere zenders geblokkeerd, ook als de verbonden zender naar stand-bymodus wisselt of wordt uitgeschakeld. Om met een andere zender bij deze kraan in te loggen, moet of ofwel een handmatig log-out met de laatst verbonden zender worden uitgevoerd of de kraan moet opnieuw worden gestart.

- Ofwel:
Druk op de sneltoets „Uitloggen” (open hangslot).
Of:
Roep het hoofdmenu op met de knop MENU.
Roep het menu „Kraanbediening” op.
Roep het menupunt „Uitloggen” op.
- De zender logt zich uit van de kraan en gaat terug naar de bedrijfsmodus „Niet ingelogd”.
- De zender kan nu bij een andere kraan worden ingelogd, of een andere zender kan bij de kraan worden ingelogd.
- Bij tandembesturing: nu kan een andere zender de kraan in tandembedrijf overnemen.
Fouten van ABURemote verhelpen
Als de kraan met ABURemote niet of niet zoals verwacht werkt, kan een storing aan ABURemote de oorzaak zijn.
Na een storing resetten
Afhankelijk van de fout moeten zender of ontvanger op verschillende manieren worden gereset:
Bij storingen aan de zender:
- Op het display verschijnt een melding.
- Bevestig de melding met de knop „OK”.
Bij ernstige fouten aan de zender:
- Op het display verschijnt een melding.
Er is geen knop beschikbaar.
- Schroef de sluiting van het batterijvak open, wacht enkele seconden, schroef het deksel weer dicht en log in.
Als de fout blijft bestaan: neem contact op met de ABUS-service. Zie „ABUS-service“.
Bij fouten aan de ontvanger:
- Op het display verschijnt een melding die met „Ontvanger” begint.
- Schakel de kraan uit via de netstroomschakelaar.
- Wacht minstens 60 seconden.
- Op het display verschijnt melding 101 „Verbinding met ontvanger verbroken”.
- Schakel de kraan in met de netstroomschakelaar.
- Log de zender in.
Als de fout blijft bestaan: neem contact op met de ABUS-service. Zie „ABUS-service”.
Foutcodes ABURemote
Bij storingen aan ABURemote:
Foutcode

- Op het display verschijnt een melding met de foutcode.
Bij storingen aan LIS-SV:

- Op het display wordt de fout van LIS-SV daar weergegeven waar normaal gesproken de last wordt weergegeven.
Zie in het producthandboek „Lastindicatiesysteem LIS-SV“.
Code |
Fout |
Mogelijke oorzaak |
Fout verhelpen |
|---|---|---|---|
De zender schakelt niet in als batterijen worden geplaatst. |
De zender was uitgeschakeld toen de batterijen eruit genomen werden. |
Schakel de zender in. Zie „Voorafgaand aan de werkzaamheden controleren, inschakelen en vrijgeven”. |
|
De zender kan niet worden ingeschakeld. |
Batterijen leeg. Eventueel wordt op het display het batterijsymbool met de aanduiding „0%” weergegeven. |
Batterijen opladen. Zie „Zender in het laadstation opladen“. |
|
Geen batterijen geplaatst. |
Plaats opgeladen batterijen. Zie „Batterijen plaatsen”. |
||
AAN/stopschakelaar defect. |
Neem contact op met de ABUS-service. Zie „ABUS-service”. |
||
Zender logt niet in (op het display wordt geen melding weergegeven) |
Verlaat het zend-/ontvangstbereik. |
Ga terug naar het zend-/ontvangstbereik en log opnieuw in. |
|
Ontvanger is uitgeschakeld. |
Schakel de ontvanger weer in. |
||
Radiostoringen |
Identificeer de bron van storing en verhelp deze. |
||
Wissel het radiofrequentiekanaal. Zie „Radiofrequentiekanaal wisselen”. |
|||
Er is een andere zender in tandembedrijf op de kraan ingelogd. |
Log de andere zender uit van het tandembedrijf. Zie „Kranen in tandembedrijf bedienen”. |
||
207 208 209 210 |
„Ontvanger: relais voor noodstop defect” |
Het relais voor de functie noodstop is kapot. |
Schakel de kraan uit en weer in. Als de fout opnieuw wordt weergegeven: contact opnemen met ABUS-service. Zie „ABUS-service”. |
Het relais voor de noodstopfunctie schakelt niet in, hoewel de ontvanger het signaal schakelt (bijv. omdat de eindschakelaar hijsen van het hijswerk geactiveerd is). |
Verhelp de oorzaak voor het uitschakelen van het hoofdrelais van de kraan. |
||
105 |
„Verkeerde knop! Druk op AAN/stopschakelaar om in te schakelen” |
Bij het inschakelen is een knop bediend. |
Druk op ENTER, laat alle knoppen los en schakel opnieuw in. |
Knop defect. |
Neem contact op met de ABUS-service. Zie „ABUS-service”. |
||
101 |
„Verbinding met ontvanger verbroken” |
Ontvanger is uitgeschakeld. |
Schakel de ontvanger weer in. |
Radiostoringen |
Identificeer de bron van storing en verhelp deze. |
||
Wissel het radiofrequentiekanaal. Zie „Radiofrequentiekanaal wisselen”. |
Infocodes ABURemote
Bij meldingen van ABURemote:
Infocode

- Op het display verschijnt een melding met de infocode.
Infocodes ABURemote
Code |
Info |
Oorzaak |
Maatregel |
|---|---|---|---|
7 |
„Batterij bijna leeg” |
De batterijen zijn bijna leeg. |
Laad de batterijen op. Zie „Zender in het laadstation opladen”. |
8 |
„Code onjuist” |
De ingevoerde code is onjuist. |
Druk op ENTER, voer de code opnieuw in. |
9 |
„Zoekt vrij radiofrequentiekanaal...” |
De knop FREQUENTIEWISSELING is ingedrukt. |
Wacht tot de zender een vrij radiofrequentiekanaal heeft gevonden. |
„AAN/stopschakelaar ingedrukt! Druk op ENTER om te ontgrendelen” |
AAN/stopschakelaar is ingedrukt. |
Druk op ENTER om te ontgrendelen. Zie „Noodstop”. |
Foutindicaties laadstation
Laadindicatie |
Mogelijke oorzaak |
Maatregel |
|---|---|---|
Knippert rood |
Zender ligt niet correct in het laadstation |
Neem de zender uit het laadstation en leg deze er weer in |
Omgevingstemperatuur boven 55 °C (bijv. door zonnestraling) |
Zet het laadstation op een andere plaats |
|
Wordt bij geplaatste zender niet rood |
Zender ligt niet correct in het laadstation |
Neem de zender uit het laadstation en leg deze er weer in |
Zender niet compatibel met het laadstation. Zie „Zender in het laadstation opladen”. |
Laad de batterijen op in een gebruikelijk ladingstoestel. |
|
Batterijen defect |
Plaats nieuwe batterijen. Zie „Batterijen vervangen”. |
|
Geen batterijen geplaatst |
Plaats batterijen. Zie „Batterijen plaatsen”. |
|
Wisselt tussen rood en wit. |
Zender ligt niet correct in het laadstation |
Neem de zender uit het laadstation en leg deze er weer in |
Batterijen defect |
Plaats nieuwe batterijen. Zie „Batterijen vervangen”. |
|
Geen batterijen geplaatst |
Plaats batterijen. Zie „Batterijen plaatsen”. |
ABUS-service
Alleen in Duitsland
- Indien bekend, het productnummer, het serienummer en het klantnummer bij de hand houden.
- Bel de ABUS-servicecentrale op:
- Telefoon: +49 2261 37 237
- Laat buiten de normale werktijden een bericht achter op het antwoordapparaat.
- De ABUS-service belt u zo snel mogelijk terug.
- Stuur desgewenst de probleembeschrijving per fax of e-mail op:
- Fax: +49 2261 37 265
- E-mail: service@abus-kransysteme.de
Alleen buiten Duitsland
- Bel de ABUS-vestiging of de kraanservicepartner ter plaatse op.
De ABUS-vestiging of de kraanservicepartner informeert u over contactgegevens, contactpersonen en bereikbaarheid.
Inbouwverklaring
Deze verklaring geldt als inbouwverklaring conform machinerichtlijn bijlage II 1B, als ABURemote in een kraan wordt geïnstalleerd of achteraf wordt aangebracht. De kraan mag niet in gebruik worden genomen zolang niet is vastgesteld dat de kraaninstallatie waarin ABURemote is ingebouwd in zijn geheel voldoet aan de bepalingen van de genoemde binnenmarktrichtlijnen in de op het tijdstip van de uitgifte ervan geldende versie. Wordt ABURemote samen met een volledige kraaninstallatie geleverd, dan geldt de verklaring van overeenstemming van de kraaninstallatie. Deze inbouwverklaring is dan van geen betekenis.
ABUS Kransysteme GmbH Sonnenweg 1 D – 51647 Gummersbach |
|
|---|---|
| Product | ABUS draadloze afstandsbediening ABURemote Button in standaarduitvoering |
| Bouwjaar | Vanaf 2012 |
| Ordernummer | Zie titelblad |
| Gevolmachtigde voor de samenstelling van de speciale technische documentatie | Daniel Isenbeck Hoofd Techniek en Ontwikkeling ABUS Kransysteme GmbH Sonnenweg 1 D-51647 Gummersbach |
|
|---|---|---|
| Hierbij verklaren wij dat het bovengenoemde product aan de bepalingen van de ernaast staande binnenmarktrichtlijnen in de op het tijdstip van de uitgifte ervan geldende versie voldoet. | 2006/42/EG | Machinerichtlijn |
| 2014/35/EU | Laagspanningsrichtlijn | |
| 2014/30/EU | Elektromagnetische compatibiliteit | |
| 2014/53/EU | Richtlijn betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur | |
| In het bijzonder zijn deze geharmoniseerde normen en nationale normen, richtlijnen en specificaties en hun normen toegepast. | EN 13849-1 | Veiligheid van machines |
| EN 13557 | Hijskranen - Bedieningsorganen en bedieningsplaatsen | |
| EN 60204-32 | Elektrische uitrusting van machines - Deel 32: eisen voor hef- en hijswerktuigen | |
| EN 61000-6-4 | Elektromagnetische compatibiliteit - Deel 6-4: algemene normen - emissienorm voor industriële omgevingen | |
| EN 61000-6-2 | Elektromagnetische compatibiliteit - Deel 6-2: algemene normen - immuniteit voor industriële omgevingen | |
| EN 60529 | Beschermingsgraden van omhulsels (IP-codering) | |
| EN 300220-2 | Elektromagnetische compatibiliteit en radiospectrumaangelegenheden (ERM) - Kort bereik apparatuur (SRD) | |
| EN 301489-3 | Electromagnetic compatibility and Radio spectrum Matters (ERM) – Electromagnetic Compatibility (EMC) standard for radio equipment and services | |
Een volledige technische documentatie is voorhanden.
De bijbehorende bedieningshandleidingen zijn beschikbaar in de taal van het land van de gebruiker.
Wij verplichten ons de marktautoriteiten op gerechtvaardigd verzoek de speciale documenten met betrekking tot de onvolledige machine via onze afdeling „Technische documentatie” te doen toekomen.
Gummersbach, 27 april 2026
Afdelingshoofd Ontwikkeling elektronica
Willi Dick

___________________________
Handtekening van de bevoegde persoon
De inhoud van deze verklaring voldoet aan EN ISO 17050.
ABUS Kransysteme GmbH onderhoudt een kwaliteitsmanagementsysteem conform NEN EN ISO 9001.























